Een valpartij is eigenlijk toch niet zo opwindend

Een wielrenner valt gemiddeld twee keer per seizoen. Deze cijfers zijn nooit bewezen, er is nooit onderzoek naar gedaan, maar elke renner weet het: als je koerst, moet je rekening houden met zo'n twee keer per jaar fiks tegen het asfalt smakken. Ik val altijd in Frankrijk. Nog zo'n wetmatigheid. Tenminste, dit seizoen val ik altijd in Frankrijk.

De eerste keer was in mei, in de Languedoc. Ik zat goed in de massasprint. Met nog vijfhonderd meter te gaan zeilde ik als achtste door de laatste bocht. Een blinde bocht, die je instuurt met de verwachting dat hij vrij is. Er bleek een auto geparkeerd te staan. De eerste rensters konden hem in een reflex nog ontwijken, de rensters daarachter klapten er in volle vaart op. De schade: een elleboog als een meloen, overal bont en blauw, kleine snijwonden van de scherpe randjes van de auto. Helm kapot. Stuur doormidden. En de auto was total loss.

De tweede smak die ik maakte was in diezelfde koers, twee dagen later. Ik wilde vanuit het peloton naar de kopgroep springen. Ik demarreerde, een Belgische kwam met me mee. Zij nam over en strak in haar wiel, volledig op haar vertrouwend, suisde ik een bruggetje af, met onderaan een scherpe bocht. Zij zag 'm te laat. Ze remde veel te hard, ik remde nog harder en klapte onderuit. Ik kwam weer bij mijn positieven omdat de rondearts tegen me praatte.

Hij probeerde me op mijn benen te zetten. Maar die waren zo slap als kauwgom in de zon en ik voelde me verschrikkelijk misselijk. Verder voelde ik geen pijn - nog niet. Mijn ploegleider haalde de helm van mijn hoofd: in twee stukken. Na de etappe vertelden mijn ploeggenoten hoe ze me hadden zien zitten in die bocht, rechtop, met mijn gezicht naar het aanstormende peloton. Ze hadden me nog gevraagd of het ging. Ik kon me er niets van herinneren. Een lange avond in het ziekenhuis van Carcassonne later wisten we zeker dat mijn hersens niet beschadigd waren.

Nu had ik mijn twee valpartijen gehad. Ik was er vanaf voor de rest van het seizoen. Dacht ik.

Maar een paar dagen geleden in de Ardèche was het weer raak, tijdens de verkenning van klimtijdritje inclusief afdaling. Ik was de klim rustig opgefietst en reed ontspannen naar beneden. Op het moment dat ik mijn remmen dichtkneep voor de bocht, blokkeerde een van de remblokjes tegen mijn achterwiel. Voor ik het wist lag ik op de grond. In de verkenning! Het ging hard, mijn rechterzij en mijn hoofd. De rondearts verzorgde de wonden aan mijn hand, elleboog en heup en ik reed de tijdrit met pijn en de bibbers in mijn lijf. En met een nieuwe helm. Want ook tijdens deze val was mijn helm gebarsten.

Vallen is vervelend. Als je geluk hebt, blijft het bij schaafwonden - die overigens gruwelijk veel pijn doen. Als je pech hebt breek je iets.

Als renner neem je dat risico bewust. Je weet dat je vallen gaat, je leeft iedere koers met die vrees, die misschien ook wel een stukje aan de opwinding bijdraagt. Dus: de opluchting van renners vlak bij je horen en zien vallen - en er zelf niet bij liggen. Of: de wetenschap dat de pijn die je hebt als je valt, vanzelf over gaat. Dat je die pijn zelfs heel snel weer vergeet. Dat soort dingen denk je allemaal op momenten dat je niks hebt. Maar als ik na een valpartij dagenlang pijn heb, zoals nu, dan vraag ik me echt af wat er ook weer zo opwindend aan is. Net zoals ik me afvraag waarom ik altijd in Frankrijk val.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden