Een uitstalkast van gevoelens

Lang is de bekendheid met de schilderkunstige kwaliteiten van de Vlaamse schilder Antoon van Dijck (1599-1641) overschaduwd geweest door die van Peter Paulus Rubens en Jacob Jordaens. Vlaanderen zelf was daar schuldig aan: op alle manieren is Rubens de afgelopen decennia naar voren geschoven als de belangrijkste kunstenaar uit het 17de eeuwse Vlaanderen, op de voet gevolgd door zijn beroemdste leerling en adept Jordaens. Musea (die voor de schilder Rubens kozen) en schrijvers (die in Rubens een heuse Europese diplomaat zagen) plaatsten hem op een voetstuk dat te hoog was om hem er ooit van af te kunnen halen.

Voor Van Dijck moest dus wel een formidabele inhaalslag worden gemaakt, wilde hij de waardering krijgen die hem op grond van zijn eminente schilderskwaliteiten toekwam. De stad Antwerpen doet deze zomer dan ook flink haar best om Van Dijcks geboortejaar 1599 reliëf te geven. Op zes (!) exposities is werk te zien dat hetzij door Van Dijck is gemaakt hetzij in zijn tijd en of door zijn omgeving werd vervaardigd, of dat nu schilderijen, tekeningen, etsen of werken in zilver waren. Voeg daar nog een uitgebreid cultureel zomerprogramma bij (met onder meer muziek uit de 17de eeuw) en er ontstaat een beeld dat bezoekers van de stad de komende maanden niet om Van Dijck heen kunnen.

Het zal duidelijk zijn dat al die energie aan de stad zelf goed besteed is. Van Dijck is, na Rubens en Jordaens (en moderne schilders als Magritte en Delvaux en dit jaar ook Ensor) wat Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan in Nederland betekenen. Dit soort exposities betekent voor bijna elke stad een echte blockbuster, waar een honderdduizendkoppig publiek op af komt. Gezegd moet worden dat de Belgen (Vlamingen en Brusselaars) in dit soort zaken veel slimmer zijn dan de Nederlanders. Want mag het lijstje met kunstenaars die onverwaardelijk goed zijn voor bezoekersaantallen boven de 100 000 in Nederland allang zijn afgehandeld, in België weten ze keer op keer een held uit het verleden op te lappen om hem (en nooit haar, vreemd genoeg) vervolgens den volke tonen alsof het om de grootste schildersfiguur aller tijden gaat.

Kijkend naar het enorme aanbod van tentoonstellingen ga je je onbewust afvragen of Van Dijck al deze nieuwbakken roem ook echt waard is. Het is wel erg flauw om hem te vergelijken met zijn grote voorganger Rubens of met zijn tijdgenoot Jordaens, ook al heeft hij van beiden het een en ander meegenomen. Van Dijck heeft, in de korte tijd dat hij actief als schilder naar buiten trad, een volkomen eigenstandig oeuvre opgebouwd.

Dat is getuige de lange lijst van bruikleengevers maar ten dele in België achtergebleven. Kan Van Dijck met gemak een Zuid-Nederlandse schilder worden genoemd, even goed is hij ook een Brit. Werd hij in dat verband in Engeland niet Sir Anthony van Dijck genoemd, als eerbetoon aan het vele dat hij voor het Engelse hof en de adelstand heeft gedaan? Maar dan kan hij ook een Noord-Nederlandse schilder worden genoemd. Die niet de degens kruiste met 'onze' Rembrandt (hij had in tegendeel in zijn vroege periode meer weg van Frans Hals die in Haarlem de moderne schilderkunst uit Antwerpen introduceerde, de losse toets waarmee Van Dijck aanvankelijk werkte, kan aan Frans hals worden toegeschreven), maar wel de Hollandse stadhouder Frederik Hendrik en zijn gemalin Amalia van Solms portretteerde. Van Dijck deed dat op een wijze die een Europees vorst betaamde, namelijk met alle pracht en praal die het Huis van Oranje eigenlijk altijd vreemd is geweest. En zelfs zou hij een vergelijking met zijn Italiaanse tijdgenoten kunnen doorstaan: onder invloed van Titiaan en Tintoretto schiep hij tijdens zijn verblijf in Italië voor de in Milaan, Mantua, Turijn en Venetië residerende adel een oprecht integere portretstijl.

Van Dijck begon al op zeer jeugdige leeftijd te schilderen, wat hij tot aan zijn plotselinge dood in Londen volhield. Maar alles bij elkaar was dat toch niet meer dan zo'n 25 jaar. Wie in zo'n kort leven zo'n veelzijdig en internationaal oeuvre bij elkaar schilderde, moet wel een Europese schilder van formaat zijn. Dat is ook het uitgangspunt van minstens twee van de zes exposities. Vooral bij de tekeningen wordt Van Dijck op het hoogste plan vergeleken: de 25 bekend gebleven tekeningen van zijn hand kunnen het moeiteloos opnemen met die van Nicolas Poussin, Il Guercino, Hendrick Avercamp, Rembrandt en Claude Lorrain, om maar een paar namen te noemen van kunstenaars die dit onderdeel van de Van Dijckpresentatie zo de moeite van het bekijken waard maken. Van Dijck legde zich bij dat alles - zijn reizen moeten op zich al veel tijd hebben gekost - toe op één onderwerp dat hij letterlijk tot op het bot heeft uitgebeend. Hoewel hij het landschap met rote liefde heeft gekoesterd (getuige de met veel smaak samengestelde expositie in het Rubenshuis), excelleerde hij toch vooral in het portret. Koningen (de eerste teleurstelling: de Britse koning Karel I ontbreekt helaas met zijn door de gelijknamige sigarenfabrikant bekendgemaakte ruiterportret), edelen (door Van Dijck letterlijk als nobelen beschouwd, aan wier nobele trekken hij immer voorrang gaf), magistraten en wetenschappers, 'vrouwen van' vaak gecombineerd met hun kinderen en een enkele maal een mythologische, allegorische of bijbelse scène waarbij de nadruk toch weer op de portretten viel, het zijn bij uitstek de happy few van de 17de eeuwse samenleving, die goed doorvoed en in modieuze kleding van hun welvaren wilde getuigen. Maar Van Dijck vond dat hij zijn modellen niet met stroop om de bijvoorbaat glimmende mond moest smeren. Hoewel hij vaak de positieve kanten liet prevaleren, poogde hij in zijn portretten toch vooral die karaktertrekken te accentueren die voor enige emotie zorgden. Vooral kinderen, die hij veelvuldig heeft afgebeeld, groeiden in zijn ogen uit tot echte mensjes die voluit serieus genomen mochten worden. Maar even opvallend is zijn visie op mannen in het algemeen: hoewel ze als edelman een zekere arrogantie uitstralen, werden ze onder het penseel van Van Dijck mensen van vlees en bloed, met bijbehorende geestelijke eigenschappen.

De schilderijententoonstelling van Van Dijck, in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, betekent dan ook zoveel als een wandeling langs gevoelens, uitingen en emoties van mensen die weliswaar uit een tijd van drie eeuwen geleden dateren, maar die opvallend modern van geest zijn.

'Antoon van Dijck 1599-1641', tot 15 augustus in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplaats 1-9 in Antwerpen, dag. 10-18 uur, bov. di en do tot 10-21 uur, entree gefaseerd in blokken van een half uur. Cat. 1250 BEF (ca. fl. 68,75). In het najaar verhuist de expositie naar de Royal Academy of Arts in Londen. 'Van Dijck - inspirerende landschapstekeningen' tot 22 augustus in het Rubenshuis, Wapper 9-11 in Antwerpen, geopend di-zo 10-18 uur. Cat. 995 BEF (ca. fl. 54,75). Later in het jaar naar het British Museum in Londen. 'Van Dijck - begenadigd prentkunstenaar', tot 22 augustus in het Stedelijk Prentenkabinet/Museum Plantin-Moretus, Vrijdagmarkt 22 in Antwerpen, geopend di-zo 10-18 uur. Cat. 1150 BEF (ca. fl. 63,25). Deze expositie is van 9 okt. t/m 9 jan. 2000 in het Rijksmuseum in Amsterdam te zien. Reserveren en alle info over toegangstijden en -prijzen en accommodatiemogelijkheden op nr. 00 32 2 33 7 99.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden