Een uit de hand gelopen hobby in Spangen

ROTTERDAM - Een moeder komt schichtig aangelopen en frummelt Wil van der Poel (70), beheerster van kinderopvangtehuis 't Vinkje, iets toe. “Doe niet zo raar, iedereen mag zien wat je hier komt doen. Heb je het geld bijeen kunnen krijgen?” Ze knikt. “Nou, dat is toch iets om trots op te zijn.”

Sinds eind vorig jaar staat opvang- en opvoedstichting 't Vinkje, gelegen in de probleemwijk Spangen, in het middelpunt van de belangstelling. Annie Verdoold, een bekend actievoerster tegen drugsoverlast, schonk toen haar geldprijs van 10 000 gulden, behorend bij de titel Rotterdammer van het jaar 1996, aan 't Vinkje.

Op 1 mei was het weer raak. Ook Karin Adelmund, Kamerlid en voorzitster van de PvdA, wist 't Vinkje te vinden en sprak haar waardering uit over het werk van Wil van der Poel.

'Oma Vinkje', zoals ze vaak door klein en groot wordt genoemd, ontvangt alle belangstelling met open armen. Tegelijkertijd vindt ze het jammer dat haar manier van leven als het ei van Columbus wordt gezien. “Wat ik doe zou eigenlijk niet bijzonder moeten zijn. Mensen denken tegenwoordig dat liefde geven vermoeiend is, maar het tegendeel is waar. Het geeft je energie, want je ontvangt er zoveel meer liefde voor terug.”

Elf gulden Terwijl 'oma Vinkje' een kwitantie uitschrijft voor de schuchter ogende vrouw, vertelt ze: “Hier draaien we dus op. Op elf gulden per kind per dag. En denk maar niet dat ik het leuk vind om dat van alleenstaande moeders te vragen. Met twee banen hebben ze soms nog moeite om het hoofd boven water te houden, maar het kan niet anders. Wat er verder nog aan geld binnenkomt, zijn giften. Die verschillen per maand.” Mochten de ouders de opvang een keer een maand niet kunnen betalen, dan moeten ze het toch niet in hun hoofd halen zoon of dochter thuis te houden. “Dan doe ik gewoon een greep in mijn AOW-pot.”

De driejarige Ronald hoeft maar een glimp van oma Vinkje op te vangen, of zijn grote bruine ogen laten haar niet meer los. Als de deur, die de familiewoning verbindt met de naastgelegen crèche, opengaat, rent hij met uitgestrekte armen op haar af. Ze streelt hem liefdevol over zijn bol en er breekt een brede glimlach door op zijn gezicht. “Hier worden kinderen gebracht of gedumpt. Ronald wordt hier gedumpt”, zegt ze zonder een spier te vertrekken.

“De ouders van Ronald zijn op het moment niet in staat om te voorzien in Ronalds eerste levensbehoeften”, vervolgt ze. “Iedere zondag brengen ze hem hier met zijn halfzusje en pas op vrijdag worden ze weer opgehaald. Als de moeder hen brengt, heeft ze hem bij de ene hand, en een tas in de andere. In de tas stopt ze de kleren die Ronald op dat moment aan heeft. Als hij tot op de luier is uitgekleed, gaat ze weg; oma Vinkje zorgt wel voor 'nieuwe' kleren. Een goedkopere manier om een garderobe bijeen te krijgen, is er niet. Schrijnend blijft het. Een kind hoort toch een parel te zijn voor de ouders.”

Naast Ronald biedt 't Vinkje plaats aan nog zo'n veertig andere kinderen. Tien kinderen zijn er dag en nacht. Hoewel de familie Van der Poel op geen cent subsidie hoeft te rekenen, vinden de gemeentelijke instanties wel hun weg naar oma Vinkje. “Het komt vaak voor dat ik 's nachts uit m'n bed word gebeld. Soms door een dokter uit de wijk die een kind wil plaatsen, omdat de moeder overspannen is. Maar het komt ook voor dat de Kinderbescherming, de GGD of het Sophia Kinderziekenhuis vragen om noodopvang. Zo slecht zullen we het hier dus niet hebben”, reageert oma Vinkje laconiek.

Gegroeid Vierentwintig uur per dag, driehonderdvijfenzestig dagen in een jaar. Waar de kinderen zijn, zijn opa en oma Vinkje. “Het is zo gegroeid”, zegt Hans van der Poel. “Veertig jaar geleden ging ik naar mijn werk en liet haar achter met onze eerste. Toen ik thuiskwam, zaten er twee in de box. Onze buren hadden een bakkerij, waarin ze beiden werkten. Mijn vrouw vond dat zielig voor de kleine en bood aan op te passen in ruil voor brood. Daarna volgden de slager en de groentenboer en het uiteindelijke resultaat is 't Vinkje. Haar hobby is gewoonweg uit de hand gelopen.”

“Mensen die ons vluchtig bezoeken, kunnen niet bevatten dat deze, voornamelijk allochtone kinderen, vaak al meer hebben meegemaakt dan menige volwassene ooit zal meemaken”, vervolgt hij. “De meesten komen uit echte probleemgezinnen. Vader en moeder verslaafd of een moeder in de prostitutie is hier meer regel dan uitzondering. Deze kinderen zijn door schade en schande vroeg wijs geworden. Maar uit wat voor omstandigheden ze zich ook een weg omhoog zullen moeten knokken, wij leren ze dat ze het kunnen, zo lang de wil er maar is. Het leven blijft echter de beste opvoeder. Daar kunnen wij niet tegen op.”

Hoe je kinderen moet opvoeden, is Van der Poel, van geboorte Indonesische, met de paplepel ingegoten. Ze werd in Indonesië grootgebracht door Nederlandse pleegouders. “Wat ik van hen heb geleerd, wil ik aan anderen doorgeven. Iedereen is welkom bij mij. Ik ben net Haarlemmerolie, dat is ook overal goed voor.”

Van der Poel wijst naar één van de kindjes die in een grote blauwe trapauto de lol van zijn leven heeft. Zo snel als zijn beentjes hem kunnen verplaatsen, racet hij naar de tafel waarop een dampende pan rijst staat. “Hij was hier bijna niet meer geweest, zijn moeder wilde hem weggooien”, zegt ze.

“Vanaf de geboorte zag het kindje er niet uit. Hij zat van top tot teen onder het eczeem. De vader weigerde zelfs maar naar het kind te kijken. Voor hem bestond alleen de oudste, die wel helemaal 'gezond' was. De moeder was ten einde raad en stond hier huilend op de stoep met de mededeling dat ze 'r kind weg ging doen.” Mevrouw Van der Poel had al veel dingen meegemaakt, maar zoiets nog nooit. “Ik heb het kind meteen hier opgenomen en ontdekte vrij snel, dat er iets tegen zijn eczeem was te doen. Hij bleek overgevoelig voor melkproducten. Toen hij twee weken lang geen 'danoontje' meer kreeg, was hij 'schoon'. Geen vlekje meer te zien. De moeder was dolgelukkig en haalt hem sindsdien elke avond weer op. De vader schijnt hem nog steeds niet aan te willen raken. Een treuriger begin voor een kind is haast niet denkbaar.”

Melklied “Daar zul je de handenbindertjes hebben”, zegt opa Van der Poel. Voor 't Vinkje spurt een colonne kinderen de trap af. Snel pakt hij een paar pakken melk uit de grote vooraad zuivelproducten en brengt dat samen met brood naar de kelder van de crèche. Het domein van de schoolgaande kinderen.

Als oma de trap afdaalt, heerst er discipline. In navolging van haar zetten alle kinderen het melklied in. “Melk, melk, melk, slok, slok, slok, we drinken de melk op”, zingen ze uit meer dan volle borst. De kinderstemmen galmen tegen de keldermuren om even later net zo plotseling weer te verstommen. Er wordt met smaak gegeten en gedronken. “Regelmaat is belangrijk in een kinderleven”, zegt mevrouw Van der Poel glunderend.

Ze heeft de stilte nog niet verbroken, of de kinderen stuiven alle kanten op. Hans van der Poel ziet er plotseling moe uit. “Ik vind het heerlijk om te zien hoe de kinderen zich uiten. Maar soms vraagt dat wel veel van ons, hoor. We worden ook een dagje ouder en oma zou best wel wat extra hulp kunnen gebruiken. Vooral om half zeven 's ochtends, als de kinderen klaar moeten worden gemaakt om naar school te gaan. Binnenkort neemt onze dochter Marlies het over, maar ik heb het gevoel dat ook dan de tussendeur nog vaak open en dicht zal gaan. Ze kan het niet laten. De kinderen zijn haar leven.”

Hoe waar dat is, bleek vijftien jaar geleden. Op wonderbaarlijke wijze herstelde Wil van der Poel van een ernstige ziekte. “Ik dacht: nu is het afgelopen. Maar ze presteerde het toch om binnen de kortste keren weer terug te zijn bij haar pareltjes.” “Dat had ik je toch gezegd”, reageert oma, die nog net de laatste woorden van haar man opvangt. “De Heere vond dat ik even rust moest nemen, meer niet.” Waarop Van der Poel antwoordt: “Ga nu maar gauw boodschappen doen, anders ga je je straks ook nog heilig verklaren.” Zijn ogen zeggen iets anders dan zijn mond; met een blik vol liefde kijkt hij haar na.

Als de deur achter haar dicht valt, zegt hij: “Hoe graag we het ook zouden willen, het ligt niet in onze macht iedereen te helpen. We kunnen niet al het leed in de wereld op onze schouders nemen. Maar we doen wat we kunnen. Soms pakt dat goed uit en soms niet. Kinderen die wij hier jaren geleden hebben opgevangen, brengen nu hun kinderen bij ons. Liever hadden we dat anders gezien. We hadden gehoopt dat zij wel hun eigen kinderen zouden opvoeden. Het is niet anders”, zucht hij. “Ieder mensenkind leeft zijn eigen leven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden