Een trui met de groeten uit de Andes

Anna Cales en Leon van den Bosch kennen de vrouwen die in Ecuador werken voor hun modelabel Inti persoonlijk. Ook de klant weet wie de trui gebreit heeft.

Snikheet is het in de voormalige Mercedes-garage in hartje Den Bosch, waar Inti Knitwear domicilie houdt. Ondanks de warmte draagt Anna Cales (57), die er samen met haar vriend en zakenpartner Leon van den Broek (52) het exclusieve breilabel runt, een donkerblauwe lange jurk van eigen fabricaat. En ze blijft er die zonovergoten middag ook nog opmerkelijk fris uitzien. Dat haar jurk het hele jaar kan worden gedragen, is te danken aan de baby-alpaca waar ze vooral mee werken, vertelt Cales. De eerste schering van de jonge lama-achtigen uit het Peruaanse Andesgebergte beschikt over uitgelezen kwaliteiten - vederlicht, koel in de zomer, warm in de winter - en wordt daarom wel 'wol van de goden' genoemd, in antieke tijden enkel voorbehouden aan de edelen.

Het leeuwendeel (80 procent) van de Inti-collectie wordt gemaakt van baby-alpaca, dat weliswaar fors duurder is dan 'gewone' schapenwol, maar een hoogwaardiger product, benadrukt Cales. Het prikt niet - kan dus op de blote huid worden gedragen - en is duurzamer. Dat is te danken aan de relatief kleinschalige productie van alpacawol. De lama-achtige alpaca's zijn ongeschikt om in immense kuddes te leven, zoals schapen die wereldwijd een enorme methaanuitstoot (lees: boeren en winden) veroorzaken. Dat bezorgde schapenwol het predikaat zeer milieuonvriendelijk.

De gebreide najaarscollectie van Cales en Van den Broek omvat zo'n zestig wollen kledingstukken en tegen de veertig soorten accessoires, zoals mutsen en dassen - plus een kleine lijn met geweven items. Vanaf deze maand hangt die in 110 Nederlandse winkels en is ze verkrijgbaar bij 64 buitenlandse verkooppunten in voornamelijk Duitsland en België. "Maar", tekent Cales aan, "over het algemeen nemen modezaken slechts een paar ontwerpen af.

De groep consumenten die echt wollen kledingstukken kan waarderen is klein." En moet er wat voor neertellen. Truien en vesten van Inti kosten algauw zo'n 220 euro.

Voor dat geld heeft de Inti-clientèle wel een kledingstuk dat helemaal met de hand is gemaakt. Al sinds eind jaren negentig beschikt het merk over een Ecuadoraans netwerk van breisters, dat jaarlijks 4200 kledingstukken en 6500 accessoires bij elkaar breit. "Tegenwoordig zijn dat circa 700 vrouwen uit de noordelijke provincie Carchi - tegen de grens met Colombia - die vaak alleen thuis zitten omdat hun mannen in de grote stad werken", vertelt Cales. "Tussen het huishoudelijk werk en het aardappelrooien door verdienen ze graag wat bij. Voor bijvoorbeeld een grofgebreid vest, waarmee ze zo'n vier uur bezig zijn, krijgen ze 18 dollar. Dat is goed betaald. Een arbeider die de hele week voor een baas werkt, verdient in Ecuador rond de 100 dollar.''

Behalve aardige neveninkomsten krijgen de vrouwen ook waardering voor hun werk. Aan een kledingstuk dat klaar is voor de verkoop, wordt standaard een kaartje gehangen met de naam van de breister. Cales: "Dat levert Inti behoorlijk wat fanmail op. E-mails en ook ansichtkaarten van blije klanten die Carmen Lopez of Jenny Vega hartelijk bedanken voor hun trui. Sinds twee jaar werkt onze schoondochter gelukkig in ons bedrijf, zij doet de administratie en zorgt er ook voor dat de post bij de bewuste breister terechtkomt. Die dan hartstikke trots is."

Kledingstukken waarbij wordt vermeld wie de maker is, zijn geen novum meer. Ook de duurzame Nederlandse modemerken Studio Jux, People Tree en Afriek (zie pagina 11) doen eraan. Feit is dat Inti zijn tijd ermee ver vooruit was. "Dat is niet bewust gegaan", zegt Cales. "Toen wij begonnen, was duurzaamheid in de mode nog nauwelijks aan de orde. Dat de mensen die voor ons bedrijf werken worden gewaardeerd en behoorlijk betaald, is voor ons altijd iets vanzelfsprekends geweest. Het was nooit onze bedoeling hip of vooruitstrevend te zijn.''

Ook goed verdienen was nimmer de drijfveer van het duo achter het breilabel, dat in 23 jaar zijn huidige hoedanigheid kreeg. Begin jaren negentig werkten Cales en Van den Broek in de Bossche horeca, toen ze besloten dat ze dat niet hun hele leven wilden doen. Met hun spaargeld en een rugzak vertrokken ze naar de Noord-Ecuadoraanse stad Otavalo. Een bestemming die ze ontdekten in een bibliotheekboek en die hen wel bijzonder leek, 'omdat iedereen al naar India en Bali ging'. In de stad op 2500 meter hoogte troffen ze een grote toeristenmarkt aan met naast het geijkte keramiek en de onvermijdelijke panfluiten ter plaatse gemaakte kleren, die geschikt bleken voor de export.

Tien jaar lang stonden de twee ermee op Nederlandse festivals en leidden ze een leven met een hoog hippiegehalte. "Wat we verdienden, maakten we meteen weer op aan al onze reizen. Dat maakte ons rijk." Tot een paar kledinglabels bij ze aanklopten met de vraag om voor hen kabeltruien te laten maken in Ecuador.

Dat leverde Inti aardige orders op, duizend stuks voor keten Sting bijvoorbeeld. Toch was het geen onverdeeld succes. Anna Cales: "Soms waren de truien qua pasvorm echte misbaksels. Winkeliers waren lang niet altijd blij met ons. Daarbij liet de kwaliteit van de Ecuadoraanse schapenwol vaak te wensen over. De wol stonk enorm naar de diesel waarmee die werd schoongemaakt en zat vaak barstensvol stukjes hout. Die moesten mijn zoon en zijn vrienden, nadat wij de bestellingen binnen hadden, er dan allemaal met de hand uithalen.''

Na de kabeltruien voor de ketens begon Inti rond 1997 een zelfontworpen lijn met Noorse truien voor de Duitse en Italiaanse wintersportmarkt. "Voor andere breisels was toen nauwelijks animo '', zegt Cales.

Door schade en schande wijs geworden besloot het ondernemerspaar zo'n zestien jaar geleden de bedrijfsvoering in eigen hand te nemen. Met een privéfabriekje voor het verwerken en verven van de baby-alpaca- en merinowol, die voortaan uit Peru werd gehaald vanwege zijn superieure kwaliteit. En een netwerk van vaste breisters.

Sindsdien verblijven Cales en Van den Broek de helft van het jaar in Otavalo om alles in goede banen te leiden. "Aanvankelijk gingen we per auto de bergdorpen in om alle handwerksters te bezoeken. Maar omdat dat te tijdrovend was, hebben we uiteindelijk tien hoofdbreisters aangesteld die de andere vrouwen van nieuwe wol voorzien, ze uitbetalen en ervoor zorgen dat de kledingstukken zo perfect mogelijk worden uitgevoerd. Samen met hen maak ik een paar proefexemplaren per model voordat het echte werk begint. Geen overbodige luxe.''

In oktober vertrekt Cales weer voor twee maanden naar Ecuador. Met in haar bagage de ontwerpen voor wintercollectie 2017/2018, die in januari op de Amsterdamse modebeurs worden gepresenteerd. Cales: "We zijn helemaal opgegaan in het leven van Otavalo, met de mensen die ontzettend sociaal zijn en altijd wel weer iets leuks verzinnen." Bovendien vindt in Peru half oktober het jaarlijkse grote Alpaca-feest plaats. Dan gaat ze op zoek naar nog mooiere wol. "Net zo zacht, maar net even wat minder pluizig." Cales ziet ernaar uit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden