Een truc waar je in gelooft

In de serie 'De Schepping' vertelt een kunstenaar hoe zijn werk tot stand kwam. Vandaag: William Kentridge over zijn kunstwerk, een installatie die hij speciaal maakte voor het Amsterdamse Filmmuseum Eye.

Het swingt in de tentoonstellingszaal van Eye. De fanfaremuziek komt van de bonte stoet personages die geprojecteerd worden op een 45 meter lange muur. Ze schrijden, hinken, rollen en dansen van de ene naar de andere kant van de langgerekte zaal, en ook de muzikanten lopen mee. Je zou het kunnen vergelijken met een dodenmars, een protest, een processie, een vluchtelingenstroom. En dat allemaal door elkaar, naast elkaar, in lagen.

Het is typerend voor het werk van de maker van de installatie, de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. Hij filmt, tekent, maakt animaties, opera's en laat die heel natuurlijk in elkaar overvloeien. Je kunt vaak duidelijk zien hoe z'n films gemaakt zijn, zoals bij de kartonnen borden uit de film, er zitten rafelrandjes aan, het resultaat is, ondanks de vele technieken, grotendeels handwerk. "Net als een goede goocheltruc", zegt hij, "je weet dat het een truc is, maar je gelooft erin. Het blijft magie."

Ook voor de installatie in Eye van ongeveer een kwartier heeft hij een hele rij technieken gebruikt. Hoewel er natuurlijk computers gebruikt worden bij het samenvoegen van die lagen, werkt hij zo veel mogelijk met 'echte' materialen. "Ik wil houtskool, papier, spullen in mijn handen hebben. Zodat je direct ziet wat er gebeurt", vertelde hij in een documentaire over zijn werk. Het landschap waarin de figuren lopen is getekend met houtskool, op de voorgrond schermen wuivende grassprieten de voeten van de voorbijgangers af. Er zitten krassen in de film, van rode pen, aantekeningen, vegen die aan de bovenkant de lucht doen bewegen. De figuren zelf zijn in een studio gefilmd, maar in hun handen hebben ze attributen die overduidelijk uitgeknipt karton zijn. In de zaal ernaast zijn ze te zien: simpel dozenkarton, met hout en plakband verstevigd.

Kentridge kwam vorige week naar Amsterdam, niet alleen om de laatste hand te leggen aan zijn kunstwerk dat hij speciaal voor het Eye Filmmuseum maakte, ook om met de Nationale Opera te repeteren voor de opera Lulu van Alan Berg, die hij regisseert; 1 juni is de première. En dan is hij ook nog bezig met een grote, nieuwe presentatie in China, die eind juni in Peking opent.

Als hij een paar dagen voor de opening om zes uur 's avonds, na een dag repeteren in de Stopera, het museum binnenloopt, oogt de bijna 60-jarige kunstenaar toch nog fris. Achter hem lopen zijn assistenten en medewerkers. Sommigen kijken toe, anderen gaan soms alleen, soms in overleg met Kentridge aan de slag. Sabine Theunissen, Kentridge's vaste set-designer, is in de weer met een rol bruin pakpapier en afplaktape. De muur waar de film op geprojecteerd wordt, bestaat uit beton-achtige platen ('cementgebonden vezelplaat' is de officiële naam), met een subtiel reliëf. Theunissen plakt het papier erop met stevige lijm, en trekt het er later weer af: er blijft een restje papier achter. En zo heeft het kunstwerk wéér een laag erbij.

Romeinse helden

Voor de film in Eye waren er wel vier 'beginpunten', zo schrijft Kentridge in de kleine catalogus. Zo was er een e-mail, waarin de organisatie van de 'Lichtsicht-biennale' in Duitsland hem vroeg een werk te maken voor de 412 meter lange, 10 meter hoge muur, een restant van de zoutwinningsfabriek. Dankzij het zoute water is de muur bedekt met een kalklaag, ideaal voor projecties. Uit Rome kwam nog een projectie-opdracht, voor op de door water verkleurde marmeren kademuren van de Tiber, rond het thema 'triomf en klaagzang'. Kentridge wilde daar iets doen met de helden van de Romeinse geschiedenis, van de Romeinse keizers, de heilige Theresa in extase van Bernini, en Anita Ekberg in de Trevifontein. "In m'n hoofd ontstond het idee van een processie, een fries. Dat vage beeld werd aangevuld door beelden die ik al in m'n hoofd had, en door de technische beperkingen. "Zal ik acteurs filmen? Tekenen? Papieren vormen uitscheuren? Welke techniek kan ik het beste gebruiken?"

Toen kwam de uitnodiging van Eye. De tentoonstellingszaal, met de eigenaardige, lange en gebogen vorm, biedt mogelijkheden. En dan was er ook nog een technische ontwikkeling: Janus, Kentridge's computertechneut, had een apparaat gevonden waarmee je bewegende mensen kunt filmen en daarna animeren zonder dat je er ingewikkelde sensoren of andere technieken voor nodig hebt. Het programma bleek toch niet zo goed te werken, de bewegingen leken meer op de skelettendans van Disney dan op menselijke bewegingen. Maar wacht eens, die film van Disney, uit 1929, zou daar wat mee te doen zijn? Tegelijkertijd was er ook de opera Lulu, waarbij aan het eind van bijna elke scène wel een dode ligt. Een keer zegt Lulu over haar vertrokken geliefde: 'Zijn dans is over.' Het idee van de dodendans bleef in Kentridge's hoofd hangen, en ontwikkelde zich.

De processie is een fenomeen dat Kentridge vaker heeft gebruikt. "Het gaat terug op Goya's schilderijen van processies, op de foto's van vluchtelingen uit Rwanda, en die van gevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het beeld van een processie van mensen die bagage trekken of duwen is een heel hedendaags beeld, en tegelijk iets wat diep in onze psyche zit. Al bij Plato zie je het, bij de vergelijking van de grot. Hij beschrijft mensen die achter een scherm lopen, met houten en stenen voorwerpen in hun handen, de gevangenen die opgesloten zijn in een grot, zien hun schaduwen. Nou heeft Plato het natuurlijk vooral over het perspectief van de gevangenen, maar ik ga in mijn films juist in op de mensen in die processie. Wie zijn die anonieme dragers? Plato ziet ze als vanzelfsprekende figuranten. Net zoals wij ze zien in de straten van Johannesburg, in zo veel straten ter wereld. Het zijn de boeren, het proletariaat, de werklozen, mensen aan de rand van de samenleving."

In de processie worden heiligen meegedragen, net zoals je dat ziet bij processies in Spanje of Italië. Kentridge vertaalt ze naar de wereldgeschiedenis: hoofden van Cicero en Giordano Bruno, van de heilige Theresa en van kopstukken uit de Chinese revolutie. Ook zijn er andere symbolische vormen, zoals een schrijfmachine, een vuilniszak en brandhout, allemaal uitgesneden in karton.

Dan komen de opnames. Kentridge: "In de grote studio kwamen we samen met zo'n veertig man. Er was een loopplank van 18 meter - de lengte van de studio - en de muur erachter werd fel verlicht. De mensen die erover liepen, werden schimmen: we voeren de processie in Plato's grot opnieuw op. Omdat de uiteindelijke 'weg' veel langer is dan de studio, moesten de figuranten meerdere keren heen en weer lopen. Figuranten, daarmee bedoel ik de mensen die je in Johannesburg op straat ziet lopen. De mensen die karton, plastic en metaal hoog opstapelen in karretjes, en daarmee dwars door het verkeer, de heuvels opduwen naar de plek waar het vuil gescheiden wordt, en ze er een schijntje voor krijgen. Zo'n recyclepunt is heel hightech, daar werken mensen met alle juiste arbeidsvoorwaarden en verzekeringen. Maar ze zouden niet zonder de inzamelaars kunnen functioneren."

Op YouTube vond Kentridge een filmpje met toepasselijke Zuid-Afrikaanse fanfaremuziek. Een van zijn medewerkers wist de band op te sporen. "We moesten ze natuurlijk betalen, en dat betalen, dat is aan de bisschop - iemand die zichzelf tot bisschop heeft uitgeroepen welteverstaan. Hij moest de inhoud van de film wel eerst goedkeuren." Dat lukte, twintig leden van de band kwamen naar de studio, en speelden de muziek - muziek die na het zien van de tentoonstelling nog lang in je hoofd blijft zitten.

De naam van de installatie geeft weer een extra betekenislaag. 'More Sweetly Play the Dance' heet de installatie; een variatie op een dichtregel uit de 'Todesfuge' van Paul Celan.

Open lucht

Al die fragmenten, de lopende, dansende en muziekmakende mensen met de borden, de muziek, de tekeningen, komen samen in de film, die op zijn beurt weer geprojecteerd wordt, nu in Eye, later in Duitsland in de open lucht. En Kentridge weet nu al zeker dat bepaalde onderdelen ook in een volgend project weer terugkomen. Maar hoe precies, dat kan zelfs de kunstenaar zelf niet voorspellen.

De thema's zijn vaak groots en intellectueel, zoals zijn project rond de opera van Sjostakovitsj over 'de Neus', naar het verhaal van Gogol, en zijn terugkerende onderzoek naar het 'collectieve geheugenverlies' in het Zuid-Afrika van nu over de apartheidsperiode. Hij komt uit een intellectuele Joodse familie, zijn grootvader ontvluchtte Litouwen vanwege de pogroms, kwam in Zuid-Afrika en veranderde zijn naam van Kantorovich naar Kentridge, en zou veertig jaar lid zijn van het parlement. Kentridge's vader was advocaat van Nelson Mandela en deed onderzoek naar de dood van Steve Biko, zijn moeder was ook advocaat en richtte een rechtswinkel op waar vooral rechteloze zwarten gratis juridische hulp kregen.

Het opgroeien onder de apartheid, met de grote contrasten en gescheiden werelden en de woede en frustratie bij zijn ouders, leidde ertoe dat Kentridge lang twijfelde over wat hij wilde worden. Na een studie politicologie en de kunstacademie in Zuid-Afrika, en een theateropleiding in Parijs, kwam hij tot de ontdekking dat hij zo'n slechte acteur was dat hij beter kunstenaar kon worden.

Hij werd eind jaren negentig internationaal bekend met 'bewegende houtskooltekeningen': films die hij maakte door steeds een foto te maken van een tekening nadat hij er een klein detail aan had veranderd, en die tot films te monteren, en samen met de tekening te tonen. Sindsdien maakt hij tentoonstellingen, films, regisseert hij opera's, en in 2011 mocht hij bij de Harvard Universiteit de prestigieuze Norton-lezing houden - grootheden als Jorge Luis Borges, Leonard Bernstein, John Cage en Orhan Pamuk gingen hem voor. Het zal duidelijk zijn: inmiddels behoort hij samen met Marlene Dumas tot de bekendste en succesvolste kunstenaars van Zuid-Afrika.

Anders dan Dumas, die haar geboorteland in 1976 verliet, woont Kentridge nog steeds in Johannesburg, waar hij twee studio's heeft: een grote studio, geschikt voor opnames zoals voor het kunstwerk dat nu in Eye te zien is, en eentje in zijn tuin, waar hij zich wijdt aan de techniek die ook in dit kunstwerk heel prominent aanwezig is: het tekenen met houtskool.

'More Sweetly Play the Dance' van William Kentridge is t/m 30 augustus te zien in de expositie 'If we ever get to heaven' in Filmmuseum Eye, Amsterdam, www.eyefilm.nl

De catalogus kost euro 19,50.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden