Een treurspel van gemiste kansen De ondergang van IPS-Nederland

Volgens een oud-werknemer valt Inter Press Service, het persbureau voor de Derde Wereld, te vergelijken met een middeleeuws koninkrijk. De koning zit hoog op zijn troon, maar moet machteloos toezien hoe een der vazallen zich steeds meer verrijkt. Dat zint de koning niet en de vazal delft het onderspit.

De Nederlandse afdeling van Inter Press Service (IPS) moet sluiten. De drie vaste werknemers kregen begin deze maand te horen dat ze op straat komen te staan. IPS-Europa zal wel blijven bestaan, maar ondergaat een drastische verandering. Een deel van het kapitaal dat IPS-Europa in de loop der jaren uit de opbrengst van de Postcode Loterij ontving, is ondergebracht in een trustfund in Noorwegen en zal daar ook wel blijven. En een paar jaar geleden zag het er allemaal nog zo rooskleurig uit.

De gloriedagen voor IPS in Europa begonnen enkele jaren geleden toen Boudewijn Poelman, hoofd van het marketing- en media-adviesbureau Novamedia, secretaris werd van de Postcode Loterij en tevens directeur van IPS-Nederland en IPS-Europa. Poelman zag de doelstellingen van het persbureau, dat het nieuws zou moeten oppakken dat de grote Amerikaanse persbureau's laten liggen, helemaal zitten. Vanaf dat moment ging tien procent van de opbrengst van de Postcode Loterij naar IPS-Europa. Er kwam zoveel geld vrij (in de jaren '91, '92 en '93 samen 27,7 miljoen gulden) dat er een trustfund werd opgericht als buffer voor magere jaren. Het kantoor groeide, op een gegeven moment werkten er zes mensen, terwijl de 'IPS World-desk' door drie mensen werd bemand.

Het Postcode Loterij-kapitaal kwam de kwaliteit van de verhalen, die de nieuwsdienst haar klanten leverde, nauwelijks ten goede. Toen IPS-Nederland van start ging werd wel een professionelere staf aangetroken. Rieks Holtkamp, voorheen buitenlandredacteur bij de Leeuwarder Courant, werd een tijd later hoofdredacteur. Holtkamp was blij met zijn aanstelling bij IPS, maar zag al na veertien dagen “de bodemloze afgrond waar ik voor stond”. Holtkamp moet, terugkijkend op zijn werk bij IPS, vaak denken aan de titel van een boek van Jacques de Kadt: 'Het treurspel van gemiste kansen'. Hoe goed de 'bewerkers en vertalers' op de Nederlandse redactie hun best ook deden, het materiaal dat binnenkwam was ronduit slecht. Holtkamp: “Binnen IPS had ik vaak het gevoel dat men journalisten haatte.”

Toch bestond er wel degelijk belangstelling voor een dergelijk persbureau. Het idee was om mensen ter plekke verslag te laten doen. “Verhalen uit Afrika bijvoorbeeld, waarbij je de natte aarde kunt ruiken”, zo omschrijft Holtkamp het. Ze zouden geschreven moeten worden door mensen die in het land wonen en niet door westerse correspondenten vanuit een hotel in bijvoorbeeld Nairobi.

Maar dat leverde ook problemen en ongewenste neveneffecten op. Door geldgebrek werd IPS genoodzaakt gebruik te maken van lokale stringers, die meestal nog een andere baan hadden, bij een lokale krant bijvoorbeeld, of bij een overheidsinstelling. Vaak betekende dat dat deze mensen niet onafhankelijk konden optreden. Zo werd een verslaggeefster van deze krant, tijdens een bezoek aan de IPS-correspondent in Cuba, overladen met propagandamateriaal over Castro's revolutie.

Dat zoveel verhalen geschreven werden vanuit het oogpunt van de plaatselijke, weinig democratische regering was voor een aantal Nederlandse kranten een bezwaar. Daarnaast ontbrak het vaak aan professionaliteit. Holtkamp had het vaak moeilijk aan zijn bureau in de Van Eeghenstraat. “In Kinshasa braken twee jaar geleden grote rellen uit. IPS had toen in Brazzaville, dat ligt aan de overkant van de rivier, een correspondent. Die had natuurlijk even de rivier over moeten steken en gaan kijken. Maar de man in Brazzaville kopieerde gewoon een verklaring, die door de politie in Kinshasa werd verspreid. Dat is typerend voor IPS. De ooggetuigenverslagen, waar ze sterk in zouden moeten zijn, kwamen niet. Nu het misloopt zeggen ze in Rome: “We zijn een non-gouvernementele organisatie en zijn dat altijd geweest, heel makkelijk.”

Bijna iedere krant in Nederland heeft op zijn minst wel een proefabonnement op IPS gehad, evenals de NOS. Maar hoe goedgezind de redacties ook tegenover de sympathieke doelstellingen van het persbureau stonden, er werd nauwelijks bruikbare kopij geleverd en dus werd vriendelijk bedankt. Een andere oorzaak van de tegenvallende kwaliteit van het persbureau was, volgens Holtkamp, te vinden in de tweeslachtigheid van IPS. Aan de ene kant was er de pretentie van een volwaardig persbureau. Aan de andere kant zag de leiding van IPS zich als een non-gouvernementele organisatie, die wilde participeren in het emancipatieproces van Derde Wereld-landen, terwijl daarnaast mensen werden opgeleid en telecommunicatieverbindingen en dergelijke verhuurd. “Je moet dan als persbureau rekening gaan houden met belangen die niets met journalistiek te maken hebben.”

Voor het ontstaan van IPS moet worden teruggegaan naar Latijns-Amerika begin jaren zestig. Een groep Italiaanse journalisten, onder wie Roberto Savio, die sterke banden met de christendemocratische partij onderhield, trok naar Latijns-Amerika en raakte onder de indruk van progressieve bewegingen die het hier en daar tot regeren wisten te brengen, zoals in Peru in '68. Ze vonden dat er te weinig perscontacten waren tussen de landen onderling. Boliviaanse kranten baseerden hun verhalen over Colombia vaak op telexberichten van Reuter of AP, die via New York naar La Paz werden gestuurd.

Een lokaal persbureau kon daar verandering in brengen en tevens kon er meer bekendheid in Europa worden gegeven aan de ontwikkelingen in Latijns-Amerika. In korte tijd kwamen de dictators in Latijns-Amerika echter aan de macht en die zagen uiteraard weinig in IPS. Maar het idee, zo werd gedacht, kon overgebracht worden op de rest van de wereld.

Roberto Savio wist veel fondsen te werven. Hij is daar nog steeds zó goed in dat IPS, volgens de voorzitter van de raad van commissarissen van IPS-Nederland, Cees Hamelink, lijdt aan 'het Savio-syndroom'. “Zodra er ergens geld tekort is, wordt gezegd 'bel Savio maar'. Die heeft alle touwtjes in handen. Maar aan het hoofd van zo'n organisatie moet ook een charismatisch man staan. Je hebt iemand nodig aan de top die naar Pronk kan gaan en hem ervan kan overtuigen dat er een paar miljoen naar IPS moet.”

Hij wordt bewonderd en gehaat, maar niemand betwist dat Savio zelf uiteindelijk nog altijd de beslissingen neemt bij IPS. Rieks Holtkamp betreurt dat. “De linkse, arrogante houding van mensen als Savio loopt als een rode draad door het verhaal van IPS. Die zelfgenoegzaamheid... Als klanten wilden opzeggen werd er ook vaak gereageerd met een: ach, we bellen die of die vanavond wel even.”

“Savio denkt nog altijd dat IPS de avant-garde is van de mondiale journalistiek. Hij vliegt de wereld over, geeft lezingen en zit in forums waar hij dingen zegt als: de anderen zijn nog niet zo ver dat ze het nieuws in mondiaal perspectief kunnen zien. En dan moest je de kopij zien die binnenkwam! Door al die ideologische rimram is Savio zelf het grootste obstakel geworden voor de levensvatbaarheid van IPS. Hij heeft een machtsstructuur om zich heen gecreëerd en kritische mensen worden eruit gegooid.”

Het is nog steeds mogelijk, volgens Holtkamp, een markt te vinden voor een persbureau als IPS.

Cees Hamelink, hoogleraar communicatiewetenschappen aan de UvA, is al vijfentwintig jaar betrokken bij IPS. Volgens hem is het grote probleem van IPS dat er met internationaal nieuws weinig geld te verdienen is. Hamelink: “Reuter blijft overeind omdat ze zo'n goede financiële afdeling hebben. AFP wordt gesteund door de Franse overheid. Er moet altijd naar andere bronnen van bestaan worden gezocht.”

Hij herinnert zich de komst van Boudewijn Poelman naar IPS nog goed. De vergaderingen van de raad van commissarissen werden een stuk aangenamer. “Er leken ongelimiteerde fondsen vrij te komen.”

Maar twee jaar geleden stapte Poelman op, nadat hij diep teleurgesteld was geraakt in de mentaliteit van met name het hoofdbestuur in Rome. Toen het Amerikaanse persbureau UPI te koop was, wilde Poelman daarin investeren. De vijfhonderd journalisten van UPI wilden wel en UPI had een goede sportafdeling waarmee extra geld zou worden binnengehaald. De deal stuitte uiteindelijk op verzet van de leiding in Rome. Poelman: “Waarom ze het niet wilden is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Ze dachten niet professioneel. Er zou gehakt moeten worden. UPI had een goed correspondentennet en je hebt bijvoorbeeld geen twee mensen in Caracas nodig die er een eigen kantoor op na houden. Veel mensen bij IPS waren vooral bezig met hun eigen vooruitzichten.”

UPI werd uiteindelijk met geld uit Saoedie-Arabië opgekocht door de Middle-East Broadcast Organisation. Met het vertrek van Poelman droogde ook de subsidiestroom van de Postcode Loterij op. Hamelink: “Opeens vonden ze IPS niet professioneel genoeg.” Het contract wordt nu in drie jaar afgebouwd, waarbij IPS-Europa nog tien miljoen gulden krijgt. Wat er met het trustfund in Noorwegen gebeurt, waar inmiddels zo'n vijftien miljoen gulden in zit, weet Poelman niet. “IPS kreeg dat geld voor de operatie in Europa.” Hij is laconiek: “Het zal allemaal wel”, maar hij vindt het wel treurig dat IPS-Nederland als gevolg van de bezuinigingen ophoudt. Volgens Hamelink gaat vier à vijf miljoen naar IPS-Europa en de rest naar IPS-Derde Wereld, vooral naar Afrika.

Wie dat precies moet weten is Allert van den Ham, hoofd bureau projecten algemeen van de mede-financieringsorganisatie Novib. De Novib, al langer donor van IPS, kwam tussenbeide toen de partijen, zoals Cees Hamelink het omschrijft, 'elkaar voor de rechter dreigden te dagen'. De Novib nam de verplichtingen over van de Postcode Loterij, dus de uitbetaling van het geld en het toezicht op de besteding, nadat Poelman niets meer met IPS te maken wou hebben.

Toen Allert van den Ham bij de zaak betrokken raakte, was er met name grote ruzie over de rapportage. Van de schikking van elf miljoen was toen nog zevenenhalf miljoen gulden over - dat geld zal de komende tijd in gedeelten worden uitbetaald. Het geld uit het trustfund komt pas eind '96 vrij. Van den Ham: “De komende tijd zal de discussie daarover worden aangegaan tussen ons en de board of trusties en IPS. Voorlopig staat het geld nog vast.”

IPS kreeg nog meer tegenslag te verwerken. Voorheen leverde het persbureau veel verhalen voor UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, en de landbouworganisatie FAO. Cees Hamelink luisterde op de feestelijke receptie ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van IPS, onlangs in New York, met gemengde gevoelens naar de toespraak van de secretaris-generaal van de VN, Boetroes Boetroes Ghali: “Het was een eer dat hij er was, maar hij zei dat IPS van de VN niets meer te verwachten had.” Met het in diskrediet raken van de Italiaanse christendemocratische partij viel nòg een grote sponsor weg.

IPS-Europa is inmiddels met een plan gekomen dat nieuwe klanten moet trekken. Er zullen minder verhalen worden geschreven en die zullen zich toespitsen op het thema mensen en veiligheid. Dat moet de kwaliteit ten goede komen. IPS zal zich ook meer richten op de non- gouvernementele organisaties, die het grootste deel van het klantenbestand vormen. Hamelink: “Global problems, het moet bij IPS gaan om een bepaald perspectief.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden