Een toonladder van de aarde naar God

Tot diep in de zeventiende eeuw geloofde Europa dat de hemelse sferen werkelijk klanken voortbrachten; alles was geordend, dus ook de muziek. De bundel ’Harmonisch labyrint’ laat zien tot welke metaforen dat leidde.

Jacomien Prins, Mariken Teeuwen (red.): Harmonisch labyrint, De muziek van de kosmos in de westere wereld. Verloren, Hilversum. ISBN 9789065509741; 181 blz. euro 19

Joost van den Vondel (1587-1679) schreef ergens dat iemand die naar melodieuze orgelmuziek luistert, deze stellig niet aan het toeval zou toeschrijven:

’Zou hij gelooven, dat die maatklank en getalen [getallen],

Die weergalm, rijk van geest, in ‘t volgen, en herhalen

Van hoog en middelbaar en laag en grof geluid,

Dan statiger, dan wuft, dan lang, dan kort gestuit,

Zich zonder een vernuft ontvouwden ongebonden,

En niet door Sweling’s hand en zijn doorluchte vonden?’

’Sweling’, dat wil zeggen Sweelinck (1562-1621), was een Nederlandse componist en organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Een tijdgenoot van Vondel, de Duitse jezuïet Athanasius Kircher (1601-1680), vergeleek de wereld met een orgel dat ooit was gestemd door de goddelijke componist van de kosmos. Voor ons zijn dat niet meer dan poëtische opwellingen en fraaie metaforen. Maar tweeduizend jaar lang, vanaf Pythagoras tot in de zeventiende eeuw, heeft Europa geloofd dat de kosmos een muzikale orde belichaamde en dat de hemelse sferen werkelijk klanken voortbrachten. Men stelde zich de kosmos voor als een aantal concentrische sferen waarin zich de planeten bevonden die om elkaar heen draaiden en die door hun beweging klanken produceerden. Geen willekeurige geluiden, maar geordende intervallen: hemelse harmonieën. Van die gedachte waren Vondels dichtregels en Kirchers orgelmetafoor late echo’s. Het was een bekend adagium dat alles zijn maat, getal en gewicht heeft, kortom: dat alles geordend is (waarnaar Vondel verwijst in de eerste aangehaalde dichtregel).

De overlevering wil dat Pythagoras ooit langs een smidse liep en hoorde dat de hamers in intervallen op het aambeeld sloegen. Dat stemde hem tot nadenken en hij kwam tot de conclusie dat de eenvoudige verhoudingen van de basisgetallen een, twee, drie en vier de intervallen octaaf, kwint en kwart voortbrachten en dat de kosmos (het van oorsprong Griekse woord betekent letterlijk ’orde’) op basis van die intervallen was geordend. Die gedachte werd voortgezet door Plato en Cicero en kreeg zo het gewicht waarmee het tweeduizend jaar lang zijn stempel op het Europese denken over de kosmos zou drukken. De bijdragen in ’Harmonisch labyrint’ laten zien hoe in de ontwikkelingsgeschiedenis hiervan er allerlei moduleringen op dit hoofdthema ontstonden.

Lang bleef de voorstelling bestaan van een toonladder die liep van de aarde naar God met tussenliggende trappen van engelen en aartsengelen, ’heerschappijen’ en ’tronen’, naar cherubijnen en serafijnen, en zo naar de Allerhoogste. Dit is een voorstelling die je nog in de zeventiende eeuw tegenkomt bij de Britse arts en speculatieve filosoof Robbert Fludd (1574-1634). Maar zijn tijdgenoten, onder wie de bekende astronoom Johannes Kepler (1571-1630), wezen dit als onwetenschappelijk van de hand. Ook Kepler putte nog inspiratie uit de Pythagoreïsch-Platoonse traditie van de harmonie der sferen, maar hij probeerde die te berekenen, in plaats van die intuïtief-schouwelijk te beschrijven zoals Fludd deed. Kepler gebruikt getallen(-verhoudingen) wiskundig-kwantitatief; Fludd past ze kwalitatief toe. Dat laatste komt voor Kepler neer op occultisme. De bijdrage van Natacha Fabri waarin dit aan bod komt is een van de beste in deze bundel.

Heel interessant is ook een bijdrage van een autoriteit op dit gebied, Joscelyn Godwin, die beschrijft hoe met de afwijzing van het doorgeschoten Cartesiaans-rationalistisch universum in de twintigste eeuw er weer ruimte ontstond voor een holistisch-intuïtieve interpretatie van de kosmos, waarin muziek opnieuw een modus werd om de wereld te begrijpen (zoals bij Rudolf Steiner) en zich daarmee harmonisch te verenigen. Maar dat zijn toch slechts fluisteringen op de achtergrond. Het waren Vondel en Kircher die voor het laatst alle registers opentrokken en sindsdien zwijgen de hemelse sferen in de Gottesfinsternis die over Europa is neergedaald in de twintigste eeuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden