Een toegeeflijkheid die niet ver is van tederheid

Met de deze week overleden priester, kunsthistoricus, kenner van de oude christelijke geschiedenis prof. Frits van der Meer, 89 jaar, (Trouw van gisteren) had diens vak- en inmiddels ook ambtsbroeder dr. Antoine Bodar eind 1979 een gesprek voor de KRO-radio. Van een publikatie later kwam niets. Enigszins ingekort gebeurt dat bij deze alsnog. In eerste instantie kwam aan de orde Van der Meers boek 'Augustinus de Zielzorger' uit 1947. (Redactie)

ANTOINE BODAR

Van der Meer: Heel ondeugende vraag. Kijk, u schrijft geen 700 bladzijden over iemand die u niet boeit en ook niet op bevel van de meest vereerde collega's; dat doet u niet, natuurlijk niet. Maar ik had Noord-Afrika bezocht en had Hippo in mijn hoofd: had de ruïnestad gezien; er was weinig te zien, die prachtige opgraving kwam eerst later. Maar ik kende de man wel, doordat ik al jarenlang zijn werken op mijn kamer had en er graag in las. Waarom? Omdat ik hem een groot schrijver vond. Later zag ik ook, dat hij een zeer groot mens was. Maar je identificeren? Je identificeert je niet met een genius. Maar er zijn soms enkele dingen die maken dat zo'n grote man je, zoals dat heet, ligt. Dingen die bijzonder aantrokken.

Zoals?

Niet zijn nervositeit, natuurlijk. Ik heb zelf een maagzweer gehad maar die heb ik weggekregen door de schouders op te halen en vijftig procent minder te doen dan ik deed. Nu, dat kon Augustinus helemaal niet. Tot zijn dood bleef hij een maaglijder, dat merk je aan alles. Wat ik erg aantrekkelijk vond is dat hij zo natuurlijk is. - De grootste driftkop van die tijd is Hiëronymus. Dat vind ik een heerlijke brullende leeuw, en een lekker humeurige man; hij had een zekere zwak voor vrome, begaafde en deftige dames, dat vind ik ook aardig. Maar als hij schrijft dan is en blijft hij een homme de lettres; hij kan eenvoudig niet iets schrijven, dat niet volmaakt is. Ook al zegt hij, woedend, dat hij als monnik lak heeft aan die stijl en die letterkunde en al die academische nonsens; hij kan het niet laten.

Augustinus kan het ook, net zo goed. Hij kende alleen niet zoveel Grieks, waarschijnlijk heel weinig; hij kende helemaal geen Hebreeuws, hij was lang niet zo'n grote geleerde als Hiëronymus, hij was een genius. Hij had veel grotere intuïties. Het meest natuurlijke boek uit de hele Latijnse Oudheid is de Belijdenissen, of beter 'Loftuitingen' (zo moet je vertalen), de Confessiones, van Augustinus; vandaag nog lijkt dat boek helemaal niet verouderd. Ten tweede, zou ik zeggen: zijn mededeelzaamheid; dat is een goed Nederlands woord. Hij houdt er van zijn kennis over te gieten, zo, als een gastheer inschenkt. Hij moet mensen om zich heen hebben, hij moet er over praten, hij vindt het heerlijk als er opmerkingen komen. Een zekere vriendelijke manier van disputeren was hem eigen: Socrates in de kring van Plato en Phaedo, daar lijkt het een beetje op. Hij was geïmponeerd door Plato; dat zegt hij zelf. Niet dat hij hem in het Grieks las, hij las hem in het Latijn, maar hij doorgrondde de inhoud. Ik geloof ook, dat die behoefte aan mededeelzaamheid een zekere pedanterie mee brengt die heel beminnelijk is.

U hebt zelf veel les gegeven. Wat hebben studenten nodig?

Studenten hebben ten eerste nodig een man die tot hun beschikking staat. Dus, als zij bij mij een hele avond kwamen zeuren over hun scriptie, dan moet ik dat aardig vinden en niet op de klok kijken. Want ik leer van de scriptie-man evenveel als hij misschien van mij hoort; het is een wisselwerking. Ik dacht dan wel eens aan mensen als Augustinus, die moest ook een partner hebben, een interlocuteur, hoe zeg je dat, een gesprekspartner. Zo ging het met studenten over het algemeen ook. Meisjes, jongens, allemaal precies hetzelfde. Ze willen ook praten; maar ze willen ook geprikkeld worden. En in een zogenaamd groot hoorcollege, wat tegenwoordig is afgeschaft (misschien terecht), daar had je dan dikwijls meer dan honderd hoorders, dan is het donker, dan zit je naar lichtbeelden te kijken, en nu en dan knipt het licht aan en zeg je enkele telegramachtige flitsende dingen en die krabbelen ze haastig op; ik liet ook wel schema's kopiëren. Voor de rest kun je niets doen; de studenten moeten het zelf doen.

Wat denkt u van de ouderdom?

Ik vind de ouderdom een groot geschenk. Het is er mee zoals Hiëronymus schrijft, die ook behoorlijk oud is geworden: “Alles gaat wat achteruit, de beweeglijkheid, de energie, het lange werken, de ascese - de prostraties op de grond, de vele kniebuigingen, de lange gebeden, de bekruisingen, het achter elkander opzeggen van al de psalmen, alles gaat achteruit; alleen de wijsheid groeit. Nu, ik weet niet of de wijsheid groeit, maar wel de rust, en het inzicht: het panorama wordt hoe langer hoe groter en u overziet het: bij voorbeeld al die wijsgerige systemen, die begin je te zien naast en tegenover elkaar en je kiest niet meer, je ziet dat dit alles zeer betrekkelijk is.

In een beroemde maxime over oude mensen zegt La Rochefoucauld: “Het grootste gebrek van oude mensen, die vroeger beminnelijk waren, is te vergeten dat zij het niet meer zijn.” Ik dacht, dat is niet waar; ik dacht aan bepaalde eerbiedwaardige lieden uit eigen omgeving en toen heb ik een ander spreukje gemaakt, een soort antwoord aan Monsieur le Duc de la Rochefoucauld: “Bij oude mensen, die geleefd hebben, is het heerlijk een toegeeflijkheid te voelen die niet ver is van tederheid”. - Welnu, dat kostbare goed vindt u niet bij jonge mensen.

Wat bent u meer, priester of kunsthistoricus?

Priester natuurlijk. Dàt heb ik gekozen. De kunstgeschiedenis heb ik niet gekozen. Ik was al jaren priester, toen heeft de aartsbisschop van Utrecht, de latere kardinaal De Jong, mij in die richting gezonden. Uit mijzelf had ik het niet gedaan. Ik was er wel in geïnteresseerd, maar niet in de Katakomben of de oudchristelijke kunst, ik was meer geïnteresseerd in de kathedralen. Maar de bisschop gaf mij iets concreets aan en ik zag natuurlijk wel in, dat het nuttig was. Ik begreep heel goed, wat zijn bedoeling was. - Maar wat ik heb gekozen is het priesterlijke leven. Ik koos het al op het openbare gymnasium in Sneek. Toen voelde ik het al. Er waren in mijn klas trouwens twee jongelui die predikant wilden worden.

Ik voelde: het enige wat ik wil is dát; de rest valt weg. Ik was wel altijd met iets anders bezig, aan het tekenen; schrijven niet, daar heb ik nooit aan gedacht. Wel tekenen, dag en nacht. Mijn vader moest mij uit het prieel halen als het 's nachts te koud werd; hij wees met zijn duim naar de huisdeur, streng, en dan moest ik gaan slapen. - Zij hebben mij wel eens gevraagd, wat doet u het liefst? Antwoord: de mis celebreren.

Vandaag (d.i. 27 december, red.) is het Sint Jan, de Evangelist. Des morgens op een vroeg uur kom je binnen in de kapel, vol vrome mensen, je hebt het missaal in de hand; en dan begin je de Introitus te lezen, een tekst uit het boek van Jesus Sirach: “In het midden van de kerk opende hij zijnen mond en hem vervulde de Heer met de geest van wijsheid en inzicht; met een heerlijk gewaad bekleedde Hij hem.” Wij kunnen dat nog zingen ook: In medio ecclesiae . . .

En meteen rijst het beeld op van de apostel Johannes. - Al die teksten zijn even prachtig. Het gebed is al even prachtig: “Almachtige, Eeuwige, die voor ons de geheimenissen van uw Woord hebt ontsloten door de geschriften van uw geliefde discipel Johannes, geef, vragen wij . . . .”

Mijn hemel, wat kan daar tegen op?

Dacht u, dat het beslist voor iedereen mooier is om in een gezin 's morgens te ontbijten met de kinderen? Daarnaar heb ik nooit verlangd; ik vind het ook prachtig, maar ìk ben geroepen om in medio ecclesiae te zijn, niet tot iets anders. En het is mooi; het is volkomen echt, alles. Het ritme van het kerkelijk jaar is datgene wat ons leven bepaalt. Ik zal nooit op een zondag uitgaan, want ik wil de Hoogmis niet missen. - U zegt: u kunt toch naar een kerk gaan. Dacht u dat ik de liturgie in de doorsnee kerk passief wil aanhoren? Ik wil haar niet eens zien, wat dat betreft leven wij in een armzalig geworden land. Maar het zal wel beter worden.

Zei hij wijselijk

Of het erg wijs is, weet ik niet. Goed, mijn temperament sleept mij enigszins mee, maar u merkt wel, het enige waar ik graag over spreek is dit; en die kunstgeschiedenis, die is eigenlijk veertig jaar lang een soort verkapte catechese geweest. Studenten zijn niet achterlijk, die merkten dat heel goed, ook de nietkatholieke studenten, met name de belijdende protestanten, die vonden het uitstekend. Je doet natuurlijk niet alsof; neen, het is zo: de kunstgeschiedenis is niet frivool. Ik ben het zelfs eens met die Alain, die vindt dat “in de religie het beeld belangrijker is dan de mensen van de kerk weten.” De menselijke fantasie wil gevuld zijn. Alain zegt letterlijk: “Ik durf volhouden, dat het voor een religie uiterst belangrijk is dat men een weinig 'idolater' is. Met louter ideeën is het geen religie en stelt het niet veel voor.” Het beeld grift zich sterker in het gewone brein dan het naakte woord. Het naakte woord is hoger. Het is ook het enig nodige; want hèt Woord spreekt er in. Neen, op zich is het beeld niet nodig; maar in de gewone gang des levens, wij zijn toch maar gewone mensen met zintuigen, speelt het beeld een belangrijke rol. Iedereen die bidt, stelt zich iets voor, heel vaag, maar toch wel iets. En die afbeeldingen helpen daarbij.

Als u mij vraagt, vandaag, het feest van Sint Jan, de Evangelist, wat stelt u zich voor als u zijn naam noemt? of hem aanroept, of zijn naam uitspreekt in de canon van de Mis? die geliefde discipel Johannes, wat ziet u dan voor u van hem? Nu, ik zie honderden beelden voor mij, tegelijk; ik kies er geen uit; ik weet heel goed dat de Oosterlingen hem zien als de stokoude ziener van Patmos, bijna honderdjarig, en wij in het Westen daarentegen als een jongeman met een krullekop, naast de Moeder Gods - ongeveer zoals op de schilderijen van Rogier van der Weyden. Weer anderen zien hem zoals Albrecht Dürer hem zag of zoals de Italianen, Donatello of Raffaello. Wat u dan voor u ziet? Een soort miscuglio, een mengeling van al die indrukken die je in je leven hebt gehad. Tenslotte zie je wel iets echts, maar je kunt niet precies zeggen, wat het is. - Kijk, ik hoop, dat mijn vroegere studenten hetzelfde ervaren, dat zij zich iets herinneren . . . . meer kun je ze niet geven, het vak moeten zij zelf leren. Maar ik vertrouw, dat zij zich ook wel eens een uitdrukkking of een beeld zullen herinneren dat hen getroffen heeft, iets wat getoond of gezegd werd tijdens een college. Hetzij door mij, hetzij door een van de assistenten, hetzij in een gesprek erover, later.

Is voor u de liturgie een trait-d'union tussen het priesterschap en de beoefening van het vak kunstgeschiedenis?

Ja. De hele liturgie is een kunstwerk. De quintessens van de liturgie evenwel is nog veel meer. Ook dat is erg mooi geformuleerd door Alain (mijn grote leermeester, die in 1951 is gestorven) en die ik voor de grootste opvoeder ter wereld houd.

Hij zegt (hij leefde nog vóór de vernieuwingen, het was nog in de goede tijd; hij was niet gelovig, hij was positivist, maar intuïtief vatte hij alles van het geloof, het was een heel fijne man): “De liturgie (van de kerk) is erop gericht, de hartstochten te kalmeren en ongeregelde bewegingen en bruuske emoties te voorkomen.”

Als u werkelijk meedoet dan wordt u vanzelf rustig, geconcentreerd; of u wil of niet, u gaat vanzelf iets volmaakts doen. Waarom? Omdat u te maken heeft met vaste formules, geen tijd heeft u te verstrooien; u hoeft ook niet naar woorden te zoeken, want al die formules zijn admirabel; bovendien, probeer het maar eens, u vindt toch niets beters. U kunt ook geen bruuske bewegingen maken. Dacht u, dat ik, als ik mij omwend en ik maak het teken des kruises over de menigte, dat ik een onbeheerst gebaar kan maken? Doe ik het toch, dan ontsticht het en vallen de plooien van het gewaad niet goed, enzovoort. Vandaar, dat ik het ook zo hachelijk vind om met het gelaat naar het volk te bidden; voorlezen, commentariëren, uitleggen, dat gaat; maar niet celebreren. Dat doet u, gericht naar het Oosten, dat zinnebeeld van het rijzende Ongeschapen Licht. Dat heeft de christenheid altijd gedaan, tweeduizend jaar lang bijna; in de Orthodoxe Kerken doen ze het nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden