Een terugblik (2)

In mijn column van 1 februari vertelde ik u hoe ik het mijzelf toestond de verkondiging in de zondagse eredienst niet expliciet Christus-verkondiging te laten zijn. Tezelfdertijd nam ik mij voor indien enigszins mogelijk in kerkdiensten niet meer iets te doen waar ik zelf niet van ganser harte achtersta. Dit alles onder het motto: zoals het nu gaat, gaat het niet en niemand weet hoe het wel moet, welnu, doe dan maar wat je hart je ingeeft, God zegene de greep, en pakt het verkeerd uit, dan heb je in ieder geval iets geprobeerd en dan probeer je daarna maar weer wat anders.

Terugblikkend realiseer ik me dat ik daar in mijn eerste gemeente al min of meer mee begonnen was. Daar werd ik bijvoorbeeld geacht zondag aan zondag de gemeente voor te gaan in het belijden van onze schuld. Als jongen, voor ik voor vele jaren buitenkerkelijk werd, had ik met dat verplichte nummer al moeite. Ik voelde me meestal niet zo schuldig, en daar voelde ik mij dan weer wel schuldig over, maar dat sleet. Met welke gevoelens gaat een mens naar het huis van God? Alleen met schuldgevoelens? Met ik weet niet hoeveel gevoelens! Schaamte. Dankbaarheid. Verwondering. Wanhoop. Verdriet. Verwachting. Vreugde. Wantrouwen. Woede. Huiver. Angst. Of blanco, want we zaten daarnet nog gewoon op de fiets. Waarom dan alleen de schuldgevoelens eruitgelicht? Waarom niet ook die andere gedachten voor 's Heren aangezicht verwoord, of de afwezigheid daarvan?

Ik had in mijn dorp prachtige kerkenraadsleden, maar het leek me toch niet wijs om ze voor te stellen die schuldbelijdenis te laten vallen. Wie zou dat voor zijn rekening durven nemen? 'Zijn wij, nu deze nieuwe dominee hier is, plotsklaps geen zondaren meer die de genade Gods behoeven, keer op keer?'

Ik besloot stilletjes en geleidelijk aan de eredienst anders te laten beginnen: wat kleiner, voorzichtiger, dichterbij het huis waarvan we zojuist de voordeur hadden gesloten, dichterbij het werk dat we net hadden losgelaten, dichterbij wat we die week alleen of samen zoal hadden beleefd en gedacht. En nu het aardige: Nooit heeft iemand mij gevraagd waar die schuldbelijdenis bleef, laat staan dat mij door iemand verweten werd eigenmachtig de heilige liturgie te hebben omgegooid. Ik kon niet anders dan concluderen dat het voorspel van schuldbelijdenis en genadeverkondiging niet alleen bij mij maar ook bij hen een lege vorm geworden was en dat ze blij waren dat wij in plaats daarvan een ander, meer nabij openingsritueel konden delen.

Het is die ervaring die mij de vrijmoedigheid gaf als voorganger voortaan vrij met de voorgegeven vormen te spelen. Er is een gemeente in het land waar ik geacht werd in tien minuten driemaal te bidden, ik was dan doorgaans zo vrij er twee te vergeten. Drie schriftlezingen vind ik als kerkganger ook teveel van het goede, ik raak het spoor meestal bijster en als voorganger heb ik er de gemeente niet aan blootgesteld, ik houd het meestal op één lezing. Nooit bestraffend toegesproken, behalve door sommige collega's die zeggen dat 'heel de schrift' moet klinken. Dat zal best, maar nergens staat dat dat iedere zondag moet gebeuren.

'Denk eraan,' zei mijn zendingsbewuste voorganger in de Westerkerk, 'je staat op de Westermarkt, op de markt dus, en iedere zondag zit er wel iemand die voor het eerst een kerk van binnen ziet, of voor het eerst sinds jaren, en die mens moet voelen dat hij welkom is, dus is geheimtaal verboden.' Daarom leid ik die ene schriftlezing vaak nog in ook, want wie vertelt hier wat aan wie en waarom en wanneer en waarom diepen wij dat verhaal nu op? Als het verrijkend is om een bijbeltekst met een andere te verbinden, kan dat naar mijn gevoel veel beter tijdens de preek gebeuren.

Er zijn gemeenten waar ze tijdens de evangelielezing gaan staan. Bij Mozes mag het kerkvolk blijven zitten, bij Elia ook, bij Jezus moet iedereen in de benen. Daar zit niet alleen een slechte maar in wezen ook een gevaarlijke theologie achter, zoals de geschiedenis ons hopelijk kan leren. Jezus moet zich er hoogst ongelukkig bij voelen, als hij ziet hoe wreed hij gescheiden wordt van die grote gestalten van het geloof, zijn levenslange vrienden die hem voor zijn dood op de berg der verheerlijking nog kwamen troosten. Ik heb er altijd een behagen in geschept in zo'n gemeente alleen uit het Oude Testament voor te lezen.

Ik vertelde u dat ik, preken van jaren her raadplegend, mij er van bewust werd dat ik zo ánders ben gaan preken en dat ik minder ben gaan préken. Dat hangt samen. Mét dat de gestalte van Jezus voor je verandert, lever je een aantal zekerheden in. Oude beelden verlies je, nieuwe beelden vormen zich, maar dat werk is nog in uitvoering, je weet wel waar je vandaan komt, nog niet waar je uitkomt.

Kan je in die tussentijd preken? Gelukkig wel, anders had ik me geen raad geweten. De predikanten waarbij ik mijn heil zoek, doen alleen geen massieve uitspraken over God en Jezus meer. Ze zeggen niet meer dat iets zo is. Ze zeggen dat het verhaal gaat dat... Ze bieden opties, mogelijkheden, ontwerpen. Ze hebben de waarheid niet in pacht, dat hoor je zo, maar ze zijn de waarheid wel op het spoor, dat hoor je ook. Daarna zeggen ze gewoon amen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden