Een terugblik (1)

Het derde deel van mijn boek 'Het verhaal gaat...' handelt over Jozua, over de richteren en over Israëls koningen. Bij het schrijven ervan raadpleeg ik ondermeer de preken die ik zo'n tien, vijftien jaar geleden aan die figuren wijdde. Soms schaam ik me ervoor en denk ik: wat magertjes, wat weinig doordacht, wat gebrekkig verwoord, dat je daarmee de kansel opdurfde. En soms vind ik het mooi: dan staat er wat ik denk dat er moet staan. (Er zitten in die preken ook verhalen en fragmenten die ik me volstrekt niet herinner en die als nieuw voor me zijn. Zou een rechter mij vragen: 'Verdachte, kent u dit verhaal?' ik zou zweren dat ik het nooit eerder onder ogen had. 'U hebt het anders zelf geschreven,' zou de rechter antwoorden, met het bewijsstuk zwaaiend.)

Twee dingen vallen mij op, terwijl ik door dit 'jeugdwerk' blader. Ik ben opgehouden met christocentrisch te preken en ik ben minder gaan preken.

Op de collegebanken leerden wij dat iedere verkondiging Christus-verkondiging moet zijn. Je houdt bijvoorbeeld een preek over Jozua, maar het wordt pas een christelijke preek als je er een christelijk slot aanbreit: 'Gemeente, zoals Jozua zijn volk het beloofde land binnenvoerde, zo wil zijn naamgenoot uit het Nieuwe Testament, Jozua van Nazareth, zijn gemeente het koninkrijk Gods binnenvoeren.' Zoiets. Of je preekt oerhelden als Simson en David, maar dan mag je niet vergeten aan het eind de christelijke reuzenzwaai te maken, want we zitten niet in de synagoge, we zitten in de kerk: 'Gemeente, zoals Simson de poorten van Gaza uit zijn hengsels lichtte, zo deed Jezus het met de poorten van het dodenrijk, en zoals de herdersjongen David in Bethlehem geboren werd, zo ook Davids zoon, lang verwacht, de goede herder die...' Enzovoort.

Ik weet niet precies wanneer ik daarmee ben opgehouden, ik weet wel precies waar: ik nam dat besluit op de kansel, terwijl ik aan het preken was, op het ogenblik dat ik een keer het verplichte christocentrische nummer inzette. Ineens voelde ik hoe onwaarachtig dit was, hoe onecht, hoe niet ingegeven door het verhaal zelf of door mijn eigen binnenste maar door de stemmen van hooggeleerde heren van lang geleden. Terwijl hun theologie mijn theologie niet meer is. Ik zei tegen mezelf: je hebt hem op de automatische piloot staan, je zegt een geleerd lesje op, het komt niet uit je hart, het voegt niets toe aan wat je al gezegd hebt, waarom doe je het dan, van wie moet dit?

Ik herinner het me nog goed: terwijl ik op die hoge kansel mijn zinnen afmaakte en iedereen braaf luisterde wist ik: zo doe ik het voortaan nooit meer, althans niet meer als regel. In het vervolg trek ik alleen maar lijnen door naar Jezus wanneer het verhaal daar om vraagt, wanneer het zich spontaan aandient en wanneer het iets wezenlijks toevoegt. De Heer is mijn herder is naar mijn gevoel het schoonst geloofsgetuigenis aller tijden, daar hoeft waarachtig niet nog iets van Jezus bij. Het mag wel maar het hoeft niet. Zelfs de opstanding uit de doden kan je verkondigen zonder over Jezus' opstanding te spreken; Jezus zelf geloofde al in de opstanding, net als de Farizeeën, het is joods erfgoed.

Ik herinner me nog hoe opgelucht ik was dat ik mij uit dit keurslijf had bevrijd. Waarom had ik dat al niet veel eerder gedaan? Ik herinner me ook nog dat ik in die dagen meteen ook de beslissing nam dat ik op zondagmorgen als het kon überhaupt niet meer iets zou doen of laten omdat het zo hoort of omdat het zo moet. Ik was daar zo beslist in omdat ik mij meer dan ooit realiseerde: zoals het nu in de kerk gaat, gaat het niet. Onze kerkgangers lopen bij duizenden weg en wat zij met hun zwijgend vertrek precies zeggen weet geen mens, maar in ieder geval worden ze op zondagmorgen niet meer geraakt, de woorden van de gebeden, de liederen en de prediking gaan kennelijk niet meer over hen en over hun leven, dus wat zullen ze dan nog? Wil ik hen raken, dan zal ik om te beginnen dicht in de buurt moeten blijven van wat mijzelf raakt.

Zoals het nu gaat, gaat het niet, dat is één. En twee is dat niemand weet hoe het wel moet. Dat is jammer, maar het is niet anders. Maar dan is er dus geen ander kompas om op te varen dan je eigen kompas. Ik besloot, zonder inspraak, om, uiteraard binnen de grenzen van pastorale prudentie, in de kerkdienst alleen nog maar te doen wat ik zelf zinvol vind en na te laten wat ik zelf als onzin ervaar. Mocht het de mensen in de kerk niet bevallen, welnu, dan zouden ze me wel terugfluiten, dan zou ik het wel horen en dan zouden we wel zien. Nooit iets gehoord.

Ik preekte zonder enig voorgegeven model, ik rommelde maar wat aan, het was iedere keer weer spannend waar ik zou belanden. Nooit heeft iemand me gezegd dat mijn preken een te laag Jezusgehalte hadden, integendeel; velen vinden de vrijheid op te biechten dat het hun een verademing was om in de kerk nu eens niet met Jezus te worden doodgegooid. 'Ik ben meer op God dan op Jezus,' zei eens een van mijn catechumenen. Die bekentenis deed veel anderen goed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden