Een tamelijk associatief gebeuren

¿Ik probeer zo veel mogelijk van het maximum uit te gaan. En dan ga ik dat indikken, steeds compacter maken. Heel streng. Tot er staat wat er moet staan.¿ (Martk Kohn)

Als dichter werd hij geroemd, verguisd en weer geroemd. Intussen was hij journalist, hij schilderde en maakte tv-programma’s. Kort geleden werd bekendgemaakt dat hij de PC Hooftprijs wint voor zijn oeuvre. Hans Verhagen zegt het weinig. „Ze hebben ook nog geen cent overgemaakt, trouwens.”

De dichter is de komst van de verslaggever enigszins vergeten. „Ik hou niet zo van afspraken maken; een agenda heb ik al lang niet meer. Ik schrijf dingen altijd op een velletje. Maar dat verdwijnt hier gemakkelijk.”

Dat kan wel uitkomen. De woning van Hans Verhagen (1939), met uitzicht op het Amsterdamse Centraal Station en de ramen wijd open ondanks de winterkou, ligt van onder tot boven vol met stapels boeken, papieren, cd’s, penselen, sigaretten, kopjes, medicijnen, flessen limonadesiroop, nog meer boeken en nog meer papieren. De vloerbedekking is dichtgeslibd met een dikke laag verf. Aan alle muren hangen schilderijen van de dichter/schilder, tegen de muren staan ze rijen dik.

Maar Hans Verhagen hoeft nergens naar te zoeken. Tijdens het gesprek loopt hij door de kamer, en vist uit precies de juiste stapel het boek, de dvd of de brief waarover hij praat.

De dichter heeft in december te horen gekregen dat hem de PCÂ Hooftprijs ten deel is gevallen, de hoogste literaire onderscheiding die in Nederland wordt uitgereikt. Het kan hem weinig schelen, zegt Verhagen. „En ze hebben ook nog geen cent overgemaakt, trouwens.” Toch moet het hem plezier doen. „Ze hadden me een aantal jaren geleden volledig afgeschreven. En nu blijkt toch dat die Verhagen nog wel wat kan.” Hij kan het niet laten daarover voor zich uit te grijnzen.

Geëngageerd wil Verhagen zich absoluut niet noemen, toch gaan zijn gedichten vaak over maatschappelijke onderwerpen. Er is nogal eens geschreven over de woede die uit zijn werk zou spreken. „Ik ben helemaal niet boos! Mensen zien de humor van mijn gedichten gewoon niet altijd in. Maar als je ouder wordt, zie je hoe de wereld is, was of had kunnen zijn. En dan constateer je wel dat het een klotezooitje is, natuurlijk.”

Geboren en getogen in Zeeland, vertrok Verhagen in 1958 naar Rotterdam, waar hij voor het Algemeen Dagblad ging werken. In de jaren zestig maakte hij furore als aanstormend dichttalent. Hij publiceerde zijn eerste gedichten in de tijdschriften Podium en Gard Sivik, in 1963 verscheen zijn eerste bundel ’Rozen & motoren’. Compacte, soms abstracte gedichten, die later werden vervangen door een expressievere schrijfstijl. Hij werd redacteur van Gard Sivik, later De Nieuwe Stijl, samen met Armando, Hans Sleutelaar en Cornelis Vaandrager.

„Wij hebben in die tijd de totaalpoëzie uitgevonden”, zegt Verhagen. „Inmiddels is die term in onbruik geraakt, maar het kwam erop neer dat alles als poëzie opgevat kon worden. Er is niet zoiets als poëtische of onpoëtische taal. Nú is dat helemaal geen discussiepunt meer, maar toen was het volkomen nieuw. Sommige dingen schreef je gewoon niet op. En daar deden wij dus niet aan mee.”

De groep rond Gard Sivik zette zich sterk af tegen de Vijftigers. Voor Verhagen nam dat een grote bewondering voor sommigen van die literaire beweging niet weg. „Ik was een jaar of vijftien toen ik voor het eerst een gedicht van Lucebert las. Veel begreep ik er niet van, maar het was me direct duidelijk dat het daar ook niet om ging. Je voelde direct dat hier iets bijzonders aan de hand was.”

Na drie succesvolle bundels en lovende kritieken bleef het in de jaren zeventig en tachtig lange periodes stil rond Hans Verhagen. Nou ja, stil, de dichter ging aan het werk als televisiemaker van het populaire, grensverleggende programma Hoepla, later ging hij schilderen en had ook daarin succes. Schrijven deed hij niet veel meer. In 1983 verscheen, na twaalf jaar, ’Kouwe voeten’, vervolgens duurde het negen jaar voor ’Autoriteit van de emotie’ verscheen. Die bundels werden matig tot slecht ontvangen. „Er is heel negatief over me geschreven, in een tijd dat het niet zo goed met me ging. Dat was nou ja, ik heb besloten me er niet veel van aan te trekken.”

Niet zo goed, dat is een understatement. Verhagens vrouw –later ex-vrouw– Conny Tavenier leed in die tijd aan ernstige psychoses. Na jaren van diepe dalen en zelfmoordpogingen maakte zij in 1986 een einde aan haar leven. „Het was in die tijd onmogelijk om te schrijven. Het was zo’n ontzettende rommel, in mijn leven, in mijn hoofd. Verdriet, schuldgevoel. Om dat soort ingewikkelde gevoelens vorm te geven, moet je wat afstand hebben. En dat duurde in dit geval een hele tijd.”

In dezelfde periode raakte Verhagen verslaafd aan heroïne. „Dan kom je helemáál nergens meer aan toe. Niet aan schrijven, niet aan iets anders. Als je heroïne gebruikt, is niets meer belangrijk.” De dichter wist wel af te kicken, maar dat ging niet zonder slag of stoot: er waren herhaalde pogingen nodig. „En na het afkicken kwam de drank. Ook niet best, als je je wilt concentreren. De meeste drugs verhogen de concentratie, alcohol verdooft juist, stompt af.” Het lukte uiteindelijk wel. „Nu vind ik het niet moeilijk meer. Welnee. Er is helemaal geen goede heroïne meer te krijgen. En als je van de heroïne kunt afkicken, is het niet moeilijk meer om van de drank af te komen.”

In de jaren tachtig begon Verhagen te schilderen. Vrijwel van de ene dag op de andere. „Een opleiding heb ik daar nooit in gehad, nee. Het begon gewoon met wat prutsen, knippen en plakken. Met verschillende technieken experimenteren. En toen waren er kunstenaars die er wat in zagen. Die zeiden dat het goed was.”

Het schrijven kwam terug. In 2000 verscheen een bundel, met gedichten van de laatste vier jaar. En vervolgens kwam er elke paar jaar een uit. Lovend tot juichend ontvangen. Expressiever dan de compacte vroege gedichten; nog steeds hard, gevoelig, eigenzinnig. Verhagen was terug.

Zijn overleden vrouw Conny bleef altijd zijn muze en inspiratiebron. Een foto van haar, jong en stralend, hangt in Verhagens Amsterdamse woning. ’Autoriteit van de emotie’ begint met een opdracht aan haar, veel gedichten zijn aan haar gewijd. In de bundel ’Draak’ (2006) de schitterende reeks ’Gedompeld blond’.

„Dat gaat niet alleen over haar, maar ook over de andere kant van mezelf. ’Jij’, dat is mijn betere kant, mijn schonere kant, zuiverder. Het is misschien het aanspreken van een soort Christusbewustzijn, of van God, of hoe je het ook wil noemen.”

Over hóe hij schrijft, laat Verhagen weinig los. Niet dat hij daar niet over wíl praten, hij is gewoon niet het type dichter dat zijn eigen werk analyseert. „Ik bedenk niks van te voren. Het is een tamelijk associatief gebeuren. Ik ga zitten en de woorden komen tot me. Ik probeer zo veel mogelijk van het maximum uit te gaan. En dan ga ik dat indikken, steeds compacter maken. Heel streng. Tot er staat wat er moet staan.”

De kunstenaar als intermediair tussen het hogere en het papier, dat klinkt bijna als een religieuze ervaring. „Dat kan het zeker zijn. Net als drugs gebruiken overigens. Ik ben vrijzinnig hervormd opgevoed, maar ik werd niet geplaagd door die godsdienst. Dat is misschien het verschil tussen de vorige generatie en de mijne. Zíj zetten zich heel sterk af tegen de godsdienst van hun ouders, tegen de kerk. Dat heb ik nooit gehad. Ik heb me een tijd intensief beziggehouden met religie. Bijvoorbeeld met het evangelie van Thomas. Dat is heel interessant, het is bijna zenboeddhisme.”

Verhagen wordt volgende week zeventig. Dat zegt hem net zo weinig als een prijs van 60.000 euro. „Het is een gegeven, maar met mijzelf heeft het weinig te maken. Dichten blijf ik toch wel. Er komt weer een heel mooie bundel aan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden