Een Surinaamse Groninger

Een donkere man die zingt in de taal van Groningse boeren. Niets wil hij weten van de vader die hij nooit kende, noch van het land van die vader. Als Arnold Veeman dan toch afreist naar Suriname, vindt hij opnieuw een thuis.

Smoorverliefd is hij op het Groninger land. Zo intens dat het hem soms aangrijpt als hij door het landschap rijdt. Die ene keer bijvoorbeeld, na de uitvoering van de historische musical 'Bommen Berend', waarvoor hij de muziek componeerde. ''Ineens werd het me te veel. Brullen. Ik moest die auto uit, ik wilde lopen, het gebied in. De kou kon me niet schelen.''

Arnold Veeman vertelt het in de woonkamer van zijn pleegmoeder in Grijpskerk. Met zijn negroïde trekken en kroeshaar ziet hij er allesbehalve Gronings uit. Toch is de 39-jarige componist en zanger een icoon van de provincie. Hij zingt in het Gronings, de omgeving brengt hem rust en ontroert hem tot tranen toe.

Hij haat het als mensen hem wegzetten als een rariteit, voorbijgaan aan zijn talent en slechts de grap zien: een neger die Gronings zingt. Maar hij snapt wel dat hij opvalt. Een donkere man zingt in de taal van boeren. Hoe is het zo gekomen?

De diepe liefde voor Groningen ontstaat in Veemans prille jeugd. Een dag voor haar bevalling wordt zijn moeder zestien jaar. Haar ouders zetten haar het huis uit, de relatie met de Surinaamse vader is voorbij. De jonge moeder trekt in bij een docent. Baby Arnold komt bij Egbert en Frouwkje van der Hoek terecht, vrienden van de docent. Zij wonen op een boerderij in Pieterzijl, hebben zeven kinderen en een groot hart; daar kan nog wel een baby bij.

Arnolds komst slaat in als een bom in het gehucht waar amper tweehonderd mensen wonen. Het is begin jaren zeventig, het is het platteland, iedereen is blank, een bruine baby hebben ze er nog nooit gezien. Egbert en Frouwkje krijgen de verjaardagsvisite in één klap stil door trots hun nieuwe gezinslid te presenteren. ''Eentje verloor zowat zijn kunstgebit", zal Egbert jaren later lachend vertellen.

Als Arnold twee is, gaat hij bij zijn moeder wonen. Daarna volgen meer woonplaatsen, met stiefvader, met moeder, met beiden. Maar elke zomervakantie en menig weekeinde keert Arnold terug naar Pieterzijl. ''Het leek of ik in een pleeggezin woonde en in de vakanties naar huis mocht, in plaats van andersom. Het was er een soort paradijs, al die vrijheid, ruimte, gezelligheid. Ik vond het vreselijk als ik terug moest. De treinreis was altijd huilen geblazen.''

Frouwkje's hart brak als ze de jongen zo ongelukkig zag. Om de lange treinreis draaglijker te maken, gaf ze hem een zak snoep mee. Op elk station mocht hij er eentje. Pleegmoeder Van der Hoek (87, haar man Egbert is overleden) glimlacht bij de herinnering.

Ze wendt zich tot Veeman die altijd contact heeft gehouden met de familie. ''Wij misten jou ook vreselijk. Als ik alles van tevoren had geweten, hadden we je meteen geadopteerd toen je bij ons kwam.''

Al snel blijkt de kleine Arnold gevoelig voor klanken. Vooral de geluiden op en om de boerderij maken indruk.

De dichtvallende deuren, de trekveren die zich spannen en ontspannen, de ritselende bladeren van de kastanjebomen langs de laan; de geluiden resoneren in zijn hoofd. ''Als ik ergens anders was, klonk het ook heel anders. Dat had ik snel door.''

Hij vraagt wel eens naar zijn biologische vader. Zijn moeder vertelt hem dat die Humphrey van Daal heet en dat hij uit Suriname komt. Het is geen leuke man, zegt ze, hij heeft losse handjes en een dito moraal.

Als Arnold zeven is, grijpen de militairen de macht in Suriname, het land is elke dag in het nieuws. De jongen ziet het aan en neemt een besluit. ''Mijn vader kwam uit een land waar vreselijke dingen gebeurden. Ik dacht: daar hoef ik dus nooit naartoe.''

De vele omzwervingen met zijn moeder vormen Veeman. Hij heeft moeite met mensen, met vertrouwen, met zich hechten. Tot hij zijn geliefde Madelon ontmoet met wie hij - elf jaar geleden - neerstrijkt in Kloosterburen. Voor het eerst is hij zo lang met iemand samen, en voor het eerst woont hij zo lang op dezelfde plek. In die tijd ontdekt hij de Groningse muziek.

Inmiddels is Arnold Veeman een gevierd componist en muzikant. Hij maakt filmmuziek, symfonische composities, ballades. Hij speelt contrabas, gitaar, drums, en speelt bijna alles zelf in bij opnames. Hij schrijft teksten en hij zingt. In het Gronings. Zo veranderde Jacques Brels wereldhit 'Ne me quitte pas' in 'Goa nait weg bie mie' en werd 'Mon cher petit' 'Mien lutje laif'. Gezongen met een sonore stem, soms fluisterend, on-Gronings spannend, zwoel.

In zijn Groningse liedjes spelen de geluiden van de boerderij een hoofdrol. Elk tremolo is een ode aan de kastanjebomen. ''Ik wilde de geluiden van de boerderij reconstrueren. Die boerderij was een van de weinige stabiele factoren in mijn leven. De geluiden omzetten in muziek is mijn manier om die herinneringen vast te houden.''

Een jaar of vier geleden begint Veeman te zoeken naar een nieuwe manier om zijn muziek verder uit te diepen. Tijdens deze zoektocht stuit hij steeds vaker op vragen over zijn muzikale achtergrond. Het is zijn vriendin Madelon die heel voorzichtig aan de oppervlakte begint te krabben. Moet hij niet eens op zoek naar zijn Surinaamse wortels?

Veeman vindt het interessant, maar is ook bang. ''Het kon twee kanten op. Ik dacht: of het is heel leuk en inspirerend, of ik kom allerlei mensen tegen op wie ik niet zit te wachten. Na alles wat ik over mijn vader had gehoord, was dat voor mij een reële optie.''

Dan begint ook Veemans pleegbroer - documentairemaker Piet Hein van der Hoek - over een zoektocht naar Arnolds muzikale roots. Hij ruikt een documentaire. Uiteindelijk zwicht de componist. ''Het wantrouwen dat ik tegen mensen heb, dat heeft Piet Hein niet. Na een tijdje dacht ik: oké, dit komt op mijn pad, het zal een reden hebben. Als Piet Hein wil doorzetten, dan hobbel ik wel mee. Maar ergens was ik ook bang dat ik me daar té thuis zou voelen. Dat ik niet meer terug zou willen naar Nederland.''

Eind september 2012 stappen de broers op het vliegtuig. ''Wow'', denkt Veeman als hij landt in Paramaribo. ''Mooi.'' Maar ook: "Thuis."

Tijdens de voorbereidingen in Nederland heeft hij al familieleden ontdekt: zo'n dertig maar liefst, onder wie een neef van zijn vader, twee halfbroertjes en een halfzusje. Zijn vader blijkt overleden. Ook in Suriname is er nog familie: een zus van zijn vader, neven, nichten. Een achternicht blijkt een succesvolle zangeres.

De gelijkenis met zijn tante is zacht gezegd opvallend. Ook zij is onder de indruk; zij wist niet dat ze nog een neef in Groningen had. ''Je hebt je vaders voeten'', is het eerste wat ze zegt. En daarna: ''Hij zou zo trots op je zijn.''

Tante Ilse laat hem brieven zien die Humphrey haar schreef. Voor het eerst krijgt Arnold een inkijkje in het hoofd van zijn vader. De herkenning ontroert hem. ''Zijn vader, mijn opa, was een moeilijke man. Mijn vader trok naar Nederland om het daar te maken, maar zijn Surinaamse manier werkte hier niet. Hij was continu bezig zichzelf te bewijzen, het lukte gewoon niet.''

Veeman groeide op met het idee dat zijn vader niet van zijn bestaan afwist. Maar als zijn tante hem een foto laat zien van een blond meisje met een bruine baby op de arm, weet hij genoeg. ''Of ik misschien wist wie dat was, vroeg ze."

"Ik herkende meteen mijn moeder en mezelf. Die foto lag al die tijd in mijn vaders laatje.''

De muzikaliteit blijkt een familietrekje, opa Van Daal was een talentvolle trompettist. Van tante Ilse krijgt hij de dikke map met bladmuziek die opa naliet. Een dierbaar souvenir.

Een andere bijzondere ontmoeting heeft Veeman met Patricia van Daal, zijn zingende achternicht. Ze zien elkaar in een karaokebar, zij zingt hem toe in het Sranan. Veeman veegt een paar tranen weg en neemt dan de microfoon over om 'Mien lutje laif' voor haar te zingen.

Ook de vele spontane ontmoetingen ontroeren. Suriname is een dorp, iedereen kent iedereen. In Totness, het dorp waar opa opgroeide, raken de bezoekers aan de praat met een oud vrouwtje. ''Zij bleek mijn opa te hebben gekend. Ze zat vol verhalen.''

De reis naar Suriname smaakt naar meer, veel meer. Een volgende keer wil Veeman ook de jungle in, daar was nu geen tijd voor. ''Volgens mij word ik daar helemaal gek; het oerwoud, de geluiden'', lacht hij. Is het toeval dat er net een conservatorium is geopend in Paramaribo? Veeman gelooft het niet. Hij denkt erover daar een paar maanden per jaar te gaan lesgeven.

''Niet voor mijn eigen egards, maar ik zie daar mogelijkheden. Via de muziek wil ik mensen vanuit hun eigen unieke klank laten samenspelen, ook daar, juíst daar. "Elke bevolkingsgroep heeft zijn eigen klanken, het lijkt me zo mooi die te kunnen verbinden.''

Surinamers kijken heel anders tegen muzikaliteit aan, merkte Veeman. Hij vroeg er aan iemand of hij muzikaal was. Nee, zei die. ''Maar hij trok wel een mangoblad van de boom en maakte daar muziek mee.

Mensen daar leven meer vanuit hun gevoel, en dat hoor je terug in de muziek. Voor Surinamers ben je pas muzikaal als je noten kunt lezen. Maar als je van niets iets kunt maken, dan ben je pas écht muzikaal.''

Hij grijnst als hij de verhalen vertelt. Pleegmoeder Van der Hoek kijkt hem vertederd aan. Nee, ze was niet bang dat hij niet meer terug zou komen, geen seconde. Hij kwam immers altijd terug.

Het kan benauwend zijn, zo'n blik familieleden dat ineens wordt opengetrokken. Maar zo voelt Veeman het allerminst. Sterker: hij begrijpt zichzelf nu beter, zegt hij, dat deel van hem dat zo'n hekel heeft aan kou, aan vaste patronen, aan dat alles 'vlugvlug' moet.

Tijdens de reis in Suriname maakt een lid van de filmploeg een opmerking over de armoede. Ze rijden langs simpele hutjes en naakte kindertjes op straat. Maar Veeman ziet geen armoede, hij ziet vrijheid. Een sprankje misschien, van de vrijheid die hij voelde op de boerderij in Pieterzijl.

''Ik begrijp nu veel beter waarom ik ben wie ik ben. En ik schaam me er niet meer voor. De reis heeft me veel zekerder gemaakt.''

Documentaire
De film 'Mijn broer Arnold' volgt Arnold Veeman in zijn zoektocht naar zijn muzikale wortels. Piet Hein van der Hoek maakte de film. Behalve documentairemaker, is hij ook de zoon van Egbert en Frouwkje en dus Arnolds pleegbroer. Piet Hein was negentien toen baby Arnold bij hen kwam wonen.

De documentaire gaat morgen, zondag 16 december, in première in het Groninger Forum te Groningen, om 13.45 uur. Na afloop is er een talkshow over de oorsprong van muziek, gepresenteerd door Cunera van Selm. Behalve Arnold Veeman zijn ook zijn zingende achternicht uit Suriname, Patricia van Daal, en de Groningse singer-songwriter Harrie Niehof te gast. Zij praten over de invloed van de Groningse en de Surinaamse taal, cultuur en omgeving op hun muziek. Ook treden ze alledrie op.

De film wordt op Eerste Kerstdag vertoond op de regionale zender TV Noord. Of de documentaire ook landelijk wordt uitgezonden, is nog niet bekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden