Een stukje taalgebeuren

’Ik heb zoiets van’, ’Hoe sta jij daar in?’, ’Doorpakken’ of ’Ergens een plas over doen’. Het zijn de bekende taalergernissen, die gebundeld in boekjes soms ware verkoophits zijn. Maar doen we er niet allemaal aan mee?

’Mens, erger je niet!’ mag dan een populair gezelschapspel zijn, ’Mens, erger je wél!’ doet het ook goed. Zeker als het taalergernissen betreft. Wat is immers een leukere ergernis dan het afluisteren van een telefoongesprek in de trein, waarbij de beller voortdurend spreekt in besmettelijke modewoorden?

„Ja, joh. Ik ben nu eenmaal een mensenmens. Ik heb daar gewoon een klik mee. Het zit in mijn DNA. Als ik dat stukje van mezelf niet kwijt kan, gaat het zó triggeren. Chips, dat wil je écht niet weten.”

Op internet willen ze het wel graag weten. Het wemelt van de websites die ranglijsten publiceren met, in hun ogen, ergerlijk taalgebruik. Hele verkiezingen worden uitgeschreven om zo tot ’de grootste taalergernis van het jaar’ of ’de vaagste vaagtaal’ te komen.

De honger om van vaagtaal kond te doen, beperkt zich niet tot de online fora. Een boekhandel is geen boekhandel zonder dat hoekje met meestal cynisch beschreven taaltrends in handzaam formaat.

De eerste verkoophit in het genre was ’Turbotaal’ van Jan Kuitenbrouwer (1987) en de laatste is ’Taal is zeg maar echt mijn ding’ van cabaretière Paulien Cornelisse (2009).

„Maar vóór ’Turbotaal’ verschenen niet of nauwelijks boekjes over taalirritaties”, zegt taalhistoricus en journalist Ewoud Sanders. „Het is dus niet van alle tijden, zoals vaak wordt aangenomen. Hooguit is bekend dat de Nederlandse letterkundige Charivarius zich in de jaren dertig kritisch uitliet over modieus taalgebruik in De Groene Amsterdammer.”

Sanders vermoedt dat de aandacht voor populair woordgebruik een vlucht heeft genomen door onder meer reclamemakers. „’Goeiemoggel, ’Foutje, bedankt’: we kennen het allemaal en ze worden door iedereen overgenomen. Dat is in het begin nog leuk, maar het wordt al snel storend.”

Vaak zijn dat de momenten waarop zo’n boekje als dat van Kuitenbrouwer of Cornelisse een kans maakt om een bestseller te worden. Het lijkt, net als met de kookboeken van de dieetgoeroe’s, een kwestie van de juiste timing.

Een van de schrijvers die zijn boekje op het juiste moment uitbracht, is Ben van Balen. Hij verzamelde op zijn weblog zoveel woorden en uitdrukkingen die als irritant worden ervaren dat hij die bundelde in de boekjes ’Irritaal’ en ’Ik zeg: doen!’.

Van Balen: „Maar wat ik erover heb geschreven, is eerder ironisch bedoeld dan belerend of ter bestrijding. Ik heb niet de illusie dat ik irritant, modieus of vaag taalgebruik zou kunnen terugdringen.”

Irritaal duikt niet alleen op in de alledaagse spreektaal. In vergaderingen of in beleidsplannen op de werkvloer kunnen we er ook wat van. Denk maar eens aan die personeelsadvertentie met de tekst ’Van de kandidaat wordt verwacht dat hij of zij in staat is om over de grenzen van de eigen werksituatie heen te kijken’. Of die ene collega die iedere vergadering begint met het advies om toch vooral out of the box te denken.

Van Balen: „Ik denk dat ons taalgebruik sterk afhankelijk is van de sociale context. Op het werk zijn we wellicht eerder geneigd formelere taal en jargon te gebruiken dan onder vrienden. Daarnaast denk ik dat taalgebruik is verbonden aan leeftijd en sociaal-economische status.”

Ewoud Sanders merkt nog op dat uitgevers weliswaar honderden boekjes op de markt brengen over het onderwerp, maar dat ’de échte verkoophits op één hand zijn te tellen’.

En dat komt volgens de schrijver van de taalrubriek ’Woordhoek’ in NRC Handelsblad doordat ons taalgebruik er ongeveer tien jaar over doet om dusdanig te evolueren dat de tijd weer rijp is voor een boekje dat raak is.

In de tussentijd slijt de taal. Als voorbeeld van taalslijtage noemt Sanders het gebruik van jargon in de gezondheidszorg, waar men in de jaren negentig vaak sprak van ’een stukje’ (’een stukje genegenheid’, ’een stukje waardering’ en andere ’stukjes’).

„’Een stukje betrokkenheid’, daar kun je nu niet meer mee aan komen, dat klinkt inmiddels ronduit onbenullig. Er zitten gaten tussen de stopwoorden die over ons land waaien. Ze komen op, dan slijten ze en vervolgens komen er weer nieuwe uitdrukkingen waar we ons druk over kunnen maken.”

Maar als er zoveel mensen zijn die zich aan modieuze uitdrukkingen storen, moet er toch minstens een evenredig volksdeel zijn dat zich er aan ’vergrijpt’. Of zit hem de kneep in herkenning? Is het zoals de bezoekers van een voorstelling van Youp van ’t Hek, die graag bij hem zichzélf in de spiegel zien?

Sanders: „Dat denk ik zeker. Je neemt die woorden snel over, soms tot je eigen ergernis. Zelf doe ik het ook en vaak zijn het dan anderen die mij erop moeten wijzen.”

De tegenstanders van taalpuristen – mensen die zich op hun beurt weer storen aan de taalverdedigers – zijn veel minder actief op internet. Op Facebook ontdekken we pas na enig speurwerk het ’Front tegen het toenemende taalpurisme’, maar dat forumpje is op sterven na dood.

Op het populaire forum ’FOK!’ bestaat een topic (al zou een taalpurist wellicht zeggen: een gespreksthema) met de naam ’Taalpurisme= autisme’, maar ook daarop kwam geen stormvloed aan reacties van medestanders.

Ben van Balen kent ook geen clubs die strijden vóór modieus taalgebruik: „Hoewel dat een verfrissend tegenwicht zou kunnen bieden aan de talloze sites en blogs van taalpuristen.”

Wel meldt ene Kor op zijn blog onder het kopje ’Taal is zeg maar niet zo mijn ding meer’ dat klagen over taalgebruik alleen maar wordt gedaan door ’mensen die intelligent willen overkomen door een ander naar beneden te halen’.

Kor is Front End Developer van beroep, vermeldt zijn blog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden