Een stukje Schubert, een regel Vestdijk

Zou de wijdverbreide en troostende gedachte der reïncarnatie mogelijkerwijs teruggaan op ons besef van onze vroegste jaren? Op mij heeft de herinnering aan baby- en peutertijd altijd de indruk gemaakt van een 'vorig bestaan'.

Beweeglijk en kleurrijk moet het toentertijd geweest zijn, vol avontuur en nieuwe gedachten, maar inmiddels zo dood als een verre voorvader. Zo nu en dan lijken we een glimp van dat voor-bewuste leven op te vangen, als een polletje dat is meegeslopen het huidige volwassen bestaan in, een glimpje uit een verzonken melkwegstelsel. Niets is zo raadselachtig als de zekerheid dat we er die vroegste jaren geweest zijn en de gelijktijdige onmogelijkheid om er volledig, of zelfs maar ten dele weer in door te dringen.

Ik kijk naar mijn dochtertjes en zie dat ze ermee bezig zijn, met het verzamelen van al die vergetelijke herinneringen. Vrijwel niets van hun huidige bezigheden zal ze bijblijven, daarom kijk ik er maar goed naar, als een getuige voor later. Maar van hun echte binnenkant zie ik natuurlijk weinig, ik kan ze straks hoogstens wat vervalste herinneringen aanbieden.

Uit mijn eigen allerprilste begin staat mij vanzelfsprekend niets bij. Of toch iets? Een vleugje. Een vaag soort angst die ik met mijn geboorteplaats Hilversum verbind en die in de loop der jaren is ingevuld met het begrip 'stoomwals'; reed er ooit zo'n ding denderend door de Burgemeester van Helleberg Hubarlaan? En ik maar huilen? Wie zal het zeggen.

Beslist uit de volgende standplaats van mijn vader, Hoogeveen, heugt mij (ja, dat is de uitdrukking, 'heugt mij', alsof het gebeurde zich buiten mij gewoon heeft voortgezet en zich zo nu en dan míj herinnert) een meisje in de tuin aan een ketting, ze at zand en kiezelstenen. Heette ze misschien Ansje? Ik droomde weleens dat ik haar pestte en sloeg. Mijn eerste haat?

Maar het meest prominent uit de oerblubber van mijn bestaan is de herinnering aan een stelletje knikkers, of misschien waren het een soort dopjes uit een spel. Glanzend (men zou tegenwoordig zeggen metallic, maar dat woord past hier op een of andere manier niet) paars, groen en geel. Kleine, ronde balletjes van een niet te beschrijven kleur, zo precies en onherhaalbaar herinnerd. Ik heb die balletjes en die kleuren later nooit meer gezien, maar hun aanwezigheid is nog altijd in mij. En ook hier weer is de herinnering synesthetisch, ik weet zeker dat het bij mijn grootouders in Arnhem is geweest, in de slagschaduw van hun ouderwetse, gigantische meubelen, ik ruik de Agio-tip van mijn grootvader, de donkerte van de achterkamer, de franje van het tapijt dat hun kleinkinderen om strijd altijd wilden kammen. Maar het spel met de knikkers is voorgoed verdwenen, of liever gezegd, het heeft zich gesublimeerd in mijn herinnering.

ZO MOET HET OOK MET MIJN EERSTE liefde, de eerste hartstocht zijn geweest. Ze was al een tijdje in de maak, lijkt het bij nader inzien. De hoge zwarte piano die bij mijn opa en oma in Arnhem had gestaan en waarop we 'Boer daar ligt een kip in 't water, boer' pingelden, kwam op een gegeven dag bij ons thuis te staan. Voor de biografen: Haarlem, Kopsstraat 18. Mijn moeder speelde erop. Er vielen in huis nieuwe, nooit eerder door mij gehoorde namen. De mooiste daarvan zoemde een tijdlang door mijn hoofd: Wolfgang Amadeus Mozart. Verbond ik het met muziek? Ach, niet meer dan je de naam Djamoelidin Abdoesjaparov muzikaal kunt noemen. Van Mozart zelf wist ik niets, zeker niet dat hij op mijn leeftijd al sonates en pianoconcertjes had geschreven, terwijl ik nog over straat stepte. Het was een naam die ik voor me uit zong op weg naar school. En weer verbindt zich van alles met dat moment. De bocht in de weg in Overveen, waar ik langs moest om van huis naar de Tetterodeschool te komen, de man die daar altijd zijn twee Afghaanse windhonden uitliet, het viaduct voor de Verspronckweg. Zo nu en dan rijd ik er weer eens langs, in mijn eropvolgende leven, en realiseer me dat ik daar voor het eerst 'Mozart' tot me liet doordringen. Maar alleen de klanken van zijn naam.

En toen gebeurde het. Of gebeurde? Het kan niet maar één moment geweest zijn. Mijn moeder zal het tientallen malen gespeeld hebben, het was een stuk waar ze geen fouten in maakte en dat toch prachtig en 'echt' klonk. Iets treurigs had het, iets waarvan je huilen moest en dat toch troostte. Geen flauw idee had ik van wie het was. Het stond in een album waaruit mijn moeder meer stukken speelde, maar dit ene was toch steeds weer het mooiste. Heb ik haar gevraagd wat het was? Ik weet het niet meer, maar van een zeker ogenblik af weet ik dat het mij om de zesde Moment Musical van Schubert ging, die in as, opus 94 nummer 6. Kalm en ernstig, droevig, zonder zich te haasten, met hier en daar iets aanzwellende hartstocht die dan weer afneemt en tenslotte het allermooiste en ontroerendste: berusting.

Nu, vijfendertig jaar later, zoveel virtuositeit en modernisme later, raakt dat zesde Moment Musical me nog altijd als een onontkoombare emotie, vochtige ogen, kalmerende handen. Want ik speel het allang zelf, 't is een van de makkelijker Schubert-stukken, iets om op school-muziek-concoursen indruk mee te maken, iedereen kent het wel. Vandaar ook dat het bij ons thuis klonk, in die wereld van Mendelsohn's Lieder ohne Worte en Grieg's Lyrische Stücke. Een intieme, warme wereld met stevige vleugjes Biedermeijer. 'Ach,' zei een moeder van een vriendje waar ik later veel Chopin speelde eens tegen mij, 'het gaat wel over hoor, over een paar jaar speel je Schubert weer.'

WAT IS HET GEHEIM VAN SCHUBERT'S zesde Moment Musical, mijn eerste 'echte' muziek, nadien nooit meer overtroffen? De toonsoort misschien.? In 'as' (hoe treffend voor de magische kinderwereld), vier mollen (het kan allemaal haast niet symbolischer),? Vier van die bekende veertien Impromptus en Moment Musicaux staan in As, vier andere in het verwante f-klein. Melancholieke toonsoorten. De aanduiding 'Allegretto' boven het eerste deel neem ik eerlijk gezegd altijd met een korreltje zout, klinkt me wat te luchthartig.

Toen ik het die eerste keren hoorde wist ik daar allemaal nog niks van, maar nu zou ik zeggen dat het de melodische kwaliteiten van het stuk zijn, met veel Weens erin, maar vooral ook de prachtige modulaties, overgangen van de ene toonsoort naar de andere, zoals die ene enharmonische overgang die van E-groot terugleidt naar As. Iets tussen glimlachen en tranen in, schrijft een tekstschrijver op een van mijn platen. Tja, ik ben de enige niet.

Wat ik tijdens deze initiatie ook direct leerde was de waarheid van een van Schuberts uitspraken over muziek, die voor mij altijd geldend zou blijven: 'Bestaat er dan vrolijke muziek? Ik ken ze niet.' De beroemde musicoloog Alfred Einstein dacht dat Schubert met die uitspraak wees op de immanente droefheid van muziek, en Schuberts biograaf Hans Fröhlich merkt op dat muziek als uitdrukking van een metafysische tragiek bij Schubert dan toch sterk van persoonlijkheid en eigen verdriet is doortrokken.

Wat wist ik daar allemaal die eerste keer van? Toch geloof ik dat Schuberts muzikale moment mij voor het eerst het besef van iets tragisch bijbracht, iets dat op het bestaan drukte en dat tegelijkertijd in de muziek werd opgeroepen en opgelost. Was ik verliefd op het stuk? Ongetwijfeld. Ik kreeg er niet genoeg van het te horen. De schrijver Stendhal heeft ten aanzien van de liefde over 'kristallisatie' geschreven. Hij had het over de liefde voor een vrouw, maar aspecten ervan gaan ook op voor liefde in het algemeen. Zo kristalliseerde mijn liefde voor de zesde Moment Musical zich naar de andere stukken in het album, de Impromptu's en Moment Musicaux die niet zo mooi waren, meer begeleiders, vooraankondigers, chapperonnes. De parelende vierde Impromptu uit opus 90, de onevenwichtige laatste uit opus 142. Allemaal iets lelijker broertjes en zusjes, maar met sommige trekken van mijn geliefde.

Later leerde ik dat het stuk in het begin van het jaar 1825 was geschreven, Schubert had nog dik drie jaar te gaan, hij had zijn venerische ziekte al onder de leden. 'Plaintes d'un troubadour' heet het in de eerste versie. Wat een verschrikkelijke, ontluisterende kitschtitel! De tranen van een troubadour. Hij bedoelde natuurlijk zijn eigen tranen, maar aan zoveel egoïsme was de romantiek nog niet toe. 'Moment Musical' klinkt zoveel echter en intiemer. 't Was even een schok, die sentimentele naam voor zoiets verhevens.

EEN NOG GROTERE SCHOK WAS het toen ik het stuk tijdens mijn eigen pianolessen voorgeschoteld kreeg. Ik kwam erachter dat mijn moeder het nooit helemaal ten einde had gespeeld. In plaats van zoals het hoort het hele eerste deel te herhalen was ze steeds na het trio opgehouden. Mijn mooie berusting aan het eind was het einde helemaal niet! Alles begon weer van voren af aan. Ik was kwaad, voelde me bedrogen, vroeg mijn moeder waarom ze het nooit uitgespeeld had. Ze antwoordde dat ze het gewoonweg te lang vond om al die herhalingen ook nog eens te spelen. Jarenlang heeft dit als een soort heiligschennis in mijn persoonlijke muziekbeleving te boek gestaan. Maar in mijn hart profiteerde ik er juist van. Door de ontdekking van het herhaalde eerste deel won het stuk er bij. Het leek of het tragisch besef er nog groter door werd.

Wat vinden anderen ervan? Ach, het is natuurlijk een volstrekt kapotgespeeld stukje. 'Innig en breder van opzet', noemt Caspar Höweler de hele zwik Impromptus en Moments Musicaux, 'een bron van onuitputtelijk intiem geluk'. 'Tedere miniaturen' meldt de schrijver van het Schubert-lemma in de encyclopedie 'Die Musik in Geschichte und Gegenwart'. 'De harmonisatie is niet zeer rijk en de pianistische techniek blijft beperkt,' zanikt de vaderlandse Algemene Muziek Encyclopedie. Er klinkt, vind ik (maar ik ben een verstokt en achterdochtig liefhebber), steeds ongemerkt iets denigrerends in. Een klein, lief stukje, iets voor huiskamergebruik. Laat ik maar liever niet luisteren naar al die laster.

Na de muziek de literatuur. Daarvoor moet je beslist ouder zijn. Niet toevallig heb je wel angstaanjagend vroegrijpe muzikale wonderkinderen die de peuterschool nauwelijks ontgroeid zijn, maar schrijvers beginnen op hun vroegst in de puberteit.

Ik was hard bezig mij aan de jongensboeken te ontworstelen. Biggles, Fulco de minstreel, Hein Haksteeg, al die positieve helden begonnen hun invloed op mij langzamerhand te verliezen. Ergens in die tijd moet ik het boek 'Alleen tegen alles' van An van der Loeff-Basenau gelezen hebben, over een puber die zich onbegrepen en alleengelaten voelt, zich wil verdrinken maar het tenslotte niet doet. Zó staat het mij althans bij. Of wordt hij misschien op het laatst uit het water gered?

Niet veel later kwam op een middag mijn moeder van een van haar talloze tochten naar de Haarlemse openbare bibliotheek thuis met een boek, waarvan ik de schrijver niet kende. 'Het glinsterend pantser' heette het. S. Vestdijk. Ik las het want ik las in die dagen nu eenmaal alles. De hoofdpersoon bleek over mijzelf te gaan, hij heette Victor Slingelandt, een muzikale jongen met een ernstig huidprobleem, psoriasis. Van dat laatste word je overigens pas in het laatste hoofdstuk, op de laatste pagina's, op de hoogte gebracht en het verklaart opeens alles: zijn geheimzinnige, dwarse gedrag tegenover meisjes, zijn afstandelijkheid, zijn mysterie. Gefundenes Fressen voor pukkelige pubers.

Het is misschien niet de beste Vestdijk (maar dan toch wel een van de betere), en misschien kan bijvoorbeeld Ivoren wachters evengoed als initiatie in de literatuur dienstdoen, al is de eigenwijze hoofdpersoon me daar iets te gymnasiaal en te weinig mysterieus. Maar 'Het glinsterend pantser' werd mijn eerste literaire liefde, omdat het niet alleen hoge literatuur vertegenwoordigt maar ook nog altijd een spannend jongensboek was, mij toevallig aangeleverd door de wereld der volwassenen. En daar zit 'm wat mij betreft ook een van de eigenschappen van eerste echte liefdes in, dat je als bij toeval iets inhaleert van de tragiek van het bestaan, van het menselijk tekort, van het volwassenzijn. Iets waar kinderliedjes en jeugdboeken met al hun goede bedoelingen toch niet aan toekomen.

'HET GLINSTEREND PANTSER' is niet alleen een van mijn dierbaarste romans gebleven, zij het lang niet zoveel herlezen als Schubert herspeeld, het bevat volgens mij ook een van de mooiste, indrukwekkendste passages uit het werk van Vestdijk. En dat nog wel op de beste plaats voor een subliem moment, aan het einde, als niets meer het kan komen bederven, geen herhaling, geen vervolg, geen uitleg.

Als Victor Slingelandt zonder een woord te zeggen zijn geheim, de onthutsende huidziekte heeft laten zien aan zijn vriend de schrijver, merkt die laatste deze slotzinnen op, die in mijn geheugen gebeiteld staan als de knikkers uit mijn eerste jaren: 'Ja, in de jeugd zijn de dingen het ergste, daar duren zij het langst, tot heel veel later toe, als ze niet verminderd zullen zijn in zwaarte en verdriet en schaamte en medelijden, en dat wist hij ook wel, mijn jeugdvriend, mijn vriend.'

Zonder veel moeite kun je daarin ook een prachtige definitie van eerste liefdes lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden