Een stuk bos, opengehakt

Smeer je in. Pas op voor de muggen. Zulke waarschuwingen kregen we daags voor we Sobibor zouden bezoeken.

Oorspronkelijk zou Barbara achter me aan reizen naar München, naar het proces tegen Ivan Demjanjuk. Dat was in december geweest. Hevige sneeuwval maakte toen dat haar trein niet kon vertrekken. Barbara verloor in het vernietigingskamp Sobibor haar grootouders van vaders zijde, en ze had in die dagen veel zelftwijfel overwonnen om in die rechtszaal de man te gaan zien, die ervan wordt verdacht tussen maart en september 1943 als kampbewaker, gewapend met zweep en bajonet, duizenden joden naar de gaskamer te hebben gedreven.

Maar Barbara haalde München niet. Nu reis ik met haar mee, naar Polen, naar Sobibor. Voor haar grootouders vanuit Westerbork een helse treinreis van 72 uur in een veewagon, voor ons een vlucht naar Warschau en een busrit naar dat zuidoostelijk deel van Polen, dat destijds – onder Duitse bezetting – het Generalgouvernement heette. Hier bouwden de nazi’s hun vernietigingskampen, hun moordmachines zonder weerga. Belzec, Sobibor, Treblinka. In die kampen verdwenen twee miljoen joden, slechts enkele tientallen overleefden, en nog in de oorlog werden de kampen opgeheven, door de nazi’s met de grond gelijk gemaakt, in een poging alle sporen uit te wissen.

Daarheen waren we dus op weg, naar een kamp zonder sporen, naar een bos, in een arme grensstreek.

De reis was georganiseerd door de Stichting Sobibor, die zich bekommert om nabestaanden van slachtoffers, maar vooral ook om het levend houden van de herinnering aan die doodsfabriek, waar ook ruim 34000 Nederlandse joden werden vergast – ja vrijwel spoorloos verdwenen.

Maar misschien zat het belangrijkste spoor in deze bus: de mensen die destijds als jonge kinderen werden verstopt, en zo aan het lot van hun ouders wisten te ontkomen – mensen als Barbara’s vader. Ook hij reist mee, met zijn tweede vrouw en Barbara’s broer. Haar vader is een man die zijn kinderen eigenlijk nooit heeft willen lastig vallen, of belasten, met het lot van zijn ouders; de oorlog kwam hooguit terloops ter sprake, totdat de dochter zolang aandrong dat hij toegaf, en daar zit hij dus, in die bus, met een zwaar hart en een beetje bang voor wat hij straks zal ondergaan – na al die jaren, na al dat diep weggestopte joods zijn – daar in dat kamp waar geen kamp meer is.

De bus rijdt door het land, langzaam, het regent, we zijn op weg naar Chelm, waar we nog zullen overnachten, de Poolse chauffeur heeft zacht muziek aan, U2, in de velden staan onleesbare reclameborden voor onbekende merken, in een druipend bos schiet een treurende Madonna voorbij in graniet, en her en der begraafplaatsen, Poolse, uitbundig met bloemen belegd, en je kan niet anders dan denken: zij wel.

Voor de doodgeslagenen, de geëxecuteerden, de vergasten van Sobibor is er geen graf. Er is alleen een open gehakte plek in het bos, waar zich de asputten bevonden, en waar Barbara straks zal staan, Barbara, die zo op haar grootmoeder lijkt.

Pas op voor de muggen, zeiden ze.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden