Een storm waait uit het paradijs

In september 1940 stierf de Duits-Joodse essayist Walter Benjamin onder nooit opge hel derde omstan digheden. Benjamin schreef tegelijk radicaal en melancholisch, polemisch en poëtisch, materialistisch en mystiek. De Vlaamse filosoof Lieven de Cauter ziet deze dubbel zinnigheid als het hart van Benjamins denken, de motor die zijn teksten aandrijft en spannend maakt. Illustratief hiervoor waren zijn raadsel achtig mooie en niet voor publicatie bedoelde stellingen 'Over het begrip van de geschiedenis'. Een poging tot duiding.

door Lieven de Cauter

Walter Benjamin was een schrijver-filosoof met communistische sympathieën en mystieke neigingen. Hij werd in 1892 geboren in Berlijn in een gegoede burgerfamilie van geassimileerde Joden. Zijn vader was antiquair. Benjamins eigen antiquarische interesses, zijn verzamelwoede (hij verzamelde bibliofiele uitgaven, kinderboeken en speeltuigen) en zijn bespiegelingen over de figuur van de verzamelaar zullen wel te maken hebben met dit hoogburgerlijke, kunstzinnige milieu waarin hij opgroeide. Over zijn kinderjaren schreef hij later een boek met herinneringen en proustiaans-filosofische observaties, 'Berliner Kindheit um Neunzehnhundert' (in het Nederlands verschenen als 'Berlijnse jeugd'). Zijn hele oeuvre is een soort 'archeologie van de moderniteit', een zoektocht naar de waarheden die de dingen die verouderen ons te vertellen hebben.

Hij debuteerde in tijdschriften rond de Jugendbewegung, over poëzie, erotiek en de ontvoogding van de studenten. Op 24-jarige leeftijd, in 1916, schreef hij zijn eerste sleuteltekst: 'over de taal in het algemeen en over de taal der mensen', waarin zijn mystieke taalfilosofie gestalte krijgt (die, zoals we zullen zien, ook zijn geschiedenisfilosofie tekent). Na een afgewezen Habilitationsschrift, het Duitse equivalent van een proefschrift, over de oorsprong van het Duitse barokke treurspel ('Ursprung des deutschen Trauerspiels', 1927), dat nochtans een belangrijk stuk esthetische theorie over de vroege moderniteit bevat, trachtte hij zo goed en zo kwaad als dat ging van zijn pen te leven terwijl hij steeds onderweg was. Romantische Reiselust en melancholische rusteloosheid waren hem niet vreemd.

Zijn boek Einbahnstrasse en vooral Moskauer Tagebuch getuigen van zijn wending omstreeks 1927 tot een utopisch, avant-gardistisch communisme. Hij schrijft in die jaren een groot aantal markante essays onder meer over het surrealisme. Vanaf 1933 wordt zijn toch al precaire bestaan bemoeilijkt door de machtsgreep van de nazi's. Nu is zijn reizen geen romantische rusteloosheid meer, maar ballingschap, die hij hoofdzakelijk te Parijs doorbrengt, waar hij jarenlang werkte aan wat zijn tweede hoofdwerk moest worden: 'Das Passagenwerk'. Het is het zwaartepunt van zijn koortsachtige schrijverij als essayist, literator, radiomaker, briefschrijver, lezinggever. Hij kon overleven via een stipendium van het Institut fur Sozialforschung (de latere Frankfurter Schule) dat intussen naar New York was uitgeweken.

Hij schreef zijn leven lang teksten die nu eens radicaal dan weer melancholisch waren, nu eens polemisch dan weer poëtisch, nu eens materialistisch dan weer mystiek, maar meestal bevatten ze dat alles tegelijk. Deze quasi - gelijktijdigheid van extremen in zijn werk, de conceptuele spanningen tussen theologie en materialisme, de contradicties tussen zijn esthetisch cultuurpessimisme en zijn hoopvol politiek messianisme, hebben hele generaties Benjamin-commentatoren hoofdbrekens bezorgd en eindeloze gespreksstof. Ook zijn vrienden (Adorno, Brecht, Scholem) en zelfs - en misschien vooral - hijzelf hebben met dit 'Janushoofd' geworsteld. Maar juist deze dubbelzinnigheid, deze 'dialectiek in stilstand' tussen onverzoenbare tegenspraken, vormt het hart van Benjamins denken, de motor die zijn teksten aandrijft en spannend maakt.

'Over het begrip van de geschiedenis' is een van Benjamins laatste teksten (1939). Deze geschiedfilosofische stellingen worden algemeen beschouwd als zijn filosofisch testament. Het is de geschiedenistheorie achter het 'Passagenwerk', dat inderdaad een soort filosofische geschiedschrijving van de negentiende eeuw behelst en dus een soort van kentheorie, een theoretische fundering behoefde. De meeste van zijn sleutelteksten waren niet alleen geschreven in een literair, maar vrij geconstrueerd en alleen al daardoor ontoegankelijk proza, maar ze waren ook letterlijk esoterisch, in de zin van bestemd voor ingewijden, niet bestemd voor publicatie. Het is een bevreemdende vaststelling dat de belangrijkste van zijn teksten nooit bedoeld geweest zijn voor publicatie, wat meteen ook aanduidt dat Benjamin een voor zijn tijdgenoten verborgen 'leer' hanteerde. Ook 'Over het begrip van de geschiedenis' is een raadselachtige tekst.

In stelling 1 voert Benjamin het beeld van een achttiende-eeuwse automaat ten tonele, de schaakautomaat van Wolfgang von Kempelen, een soort van kermisattractie die hij omwerkt tot allegorie. In deze schaakautomaat, die onoverwinnelijk heette te zijn, zat een dwerg verborgen die meesterschaker was en die door een systeem van spiegels aan het oog onttrokken werd. Het was met andere woorden geen echte automaat, maar een trucage. Benjamin vergelijkt het historisch materialisme (gezien als een voortzetting van de marxistische traditie) met de schaakautomaat en de gebochelde dwerg is voor hem de theologie die zich niet meer kan vertonen omdat ze lelijk geworden is. Wanneer het historisch materialisme de theologie in dienst neemt, meent Benjamin, dan wordt het onoverwinnelijk. Men zou heel boud kunnen interpreteren: Benjamins historisch materialisme is onoverwinnelijk omdat het 'getrukeerd' is.

Deze allegorie stelt heel Benjamins materialistische geschiedenisopvatting - en in feite zijn hele oeuvre - in het teken van een theologie die erin verborgen zit. Volgens hem kan de materialistische geschiedenisopvatting alleen maar 'juist' zijn als ze ook theologisch is. Dat nu trachten de volgende stellingen te tonen. Heel kort vooraf samengevat: de geschiedenis is niet begrijpelijk als toevallige samenloop van omstandigheden, maar legt de nakomelingen de ethisch-religieuze plicht op van het gedenken. Het gedenken van het naamloze leed en het redden van het roemloze geluk.

In stelling 3 schrijft Benjamin dat 'niets van wat ooit gebeurd is voor de geschiedenis als verloren mag worden beschouwd'. Pas de verloste mensheid zal de aanspraken van het verleden kunnen vervullen en zo ook alles in het verleden zijn juiste 'plaats' geven. Alleen wanneer de verlossing zal zijn ingetreden, kan de mensheid haar verleden voor de geest halen als op de jongste dag, het laatste oordeel, in een soort van allesomvattend proza. Deze idee gaat terug op de joodse mystieke theologie: de 'thora van de verlossing'. Volgens een kabbalistische traditie die te vinden is in de 'Raja Mehenna', een laat boek uit de Zohar, zal de thora (wat wij de boeken van Mozes of de Pentateuch noemen) in de verlossing plots in zijn volle draagwijdte worden onthuld. Eindelijk zal duidelijk worden dat hij altijd al alle zin en onzin van het universum en de geschiedenis bevatte, zonder dat de stervelingen het konden ontcijferen uit de tekst.

De geschiedenis kan volgens Benjamin pas werkelijk begrepen worden als ze als een heilige tekst wordt opgevat: ze kan alleen worden begrepen vanuit en als dit allesomvattend proza. Het is een soort grensidee: ook als de verlossing nooit komt - wat Benjamin zeer goed wist, maar misschien niet wilde toegeven - is elk heden de jongste dag en telkens opnieuw het laatste oordeel over het verleden. Daarom moet de geschiedschrijver vooral oog hebben voor het nietige, het vergetene, het marginale, want vooral dat moet gered worden, al was het maar van de vergetelheid.

Stelling 4 Benjamin geeft de 'vulgair-marxistische' opvatting dat alleen de economische processen in de geschiedenis van belang zijn - en dat cultuur alleen maar buit is in handen van de heersende klasse, de overwinnaars zoals hij ze noemt - een andere wending. De cultuuruitingen zijn ook instrumenten in de klassenstrijd maar dan, zo lijkt zijn formulering te suggereren, vooral met terugwerkende kracht: 'tot ver terug in het verleden'. De cultuuruitingen, 'de fijne en spirituele dingen', zullen door hun kritisch potentieel steeds de geschiedenis en ook de overwinningen van de heersende klasse ter discussie stellen.

Dan verspringt de tekst en vervolgt met de beeldspraak van de zonnebloemen. Het verleden richt zich door een heliotropische beweging naar de zon die in de geschiedenis aan het opgaan is. Dat wil zeggen: de dingen uit het verleden (vooral de cultuurproducten) richten zich naar een onzichtbare kracht die werkzaam is in de geschiedenis. Het communisme, het messianisme, de Verlichting of de hoop op geluk uit de vorige stellingen? Wellicht dat allemaal samen? Ondanks zijn pessimisme en zijn kritiek op het vooruitgangsdenken, lijkt Benjamin vast te houden aan de hoop die in het Verlichtingsdenken aan het werk was: dat het de roeping is van de mensheid uit de onmondigheid te treden, zich te emanciperen en in theorie en praktijk te werken aan een waarlijk rechtvaardig wereldsysteem. De metafoor van de zon ligt dichtbij de metafoor die in de term Verlichting aan het werk is: die van het licht dat opgaat in de geschiedenis door de duisternis van onwetendheid en bijgeloof te verbreken.

In deze eerste thesen stelt Benjamin de geschiedenis in het teken van een onvervreemdbare hoop: de hoop op geluk, de hoop op restitutie in een alomvattend proza, de hoop dat de cultuur niet alleen tot in de eeuwigheid weerstand zal bieden tegen onderdrukking (vaak als list, vertrouwen, humor, moed, of gewoon onverzettelijkheid) maar daarbovenop ook een verlichtende tendens in zich draagt en de heliotropische beweging markeert die de zon volgt die in de geschiedenis aan het opgaan is. Dat de cultuur ook een emancipatorische (heliotropische) kant heeft, is een hele troost, want in de volgende stellingen wordt ze op een verpletterende manier als buit ten tonele gevoerd.

Stelling 9 De treurnis en de ergernis, de machteloze verontwaardiging, de echte weemoed die degene overvalt die de loop van de geschiedenis overdenkt als een keten van verschrikkingen, worden voor Benjamin belichaamd door een engel, de beschermengel van de geschiedenis. Het aquarel van Klee dat als uitgangspunt voor deze allegorische figuur dient, was sinds de vroege jaren twintig in Benjamins bezit. Het was zoiets als zijn persoonlijk huisaltaar, fetisjobject en beschermengel. In de vroege jaren twintig trachtte hij een tijdschrift op te richten dat evenals het aquarel Angelus Novus zou heten - Klee's titel was voor Benjamin wellicht even belangrijk als het aquarel zelf. Hij heeft de prent in de jaren dertig in veiligheid gebracht bij zijn vriend Scholem in Jeruzalem.

Men kan de hypothese opperen dat het beeld hem slechts vaag voor ogen stond toen hij deze stelling neerschreef, want als men de kinderlijke afbeelding ziet, heeft men moeite om er de tragische engel van de geschiedenis in te herkennen. Benjamins engel wordt achterwaarts in de toekomst gedreven met open vleugels door een storm die uit het paradijs waait. Hij ziet de catastrofe met opengesperde ogen aan. Hij zou de geschiedenis willen redden maar de orkaan van de vooruitgang maakt het hem onmogelijk. Deze engel lijkt wel een machteloze Messias: hij zou de doden willen wekken en de chaos tot een geheel samenvoegen. De historicus van benjaminiaanse snit, is een afspiegeling van zijn beschermengel: ook hij keert de toekomst de rug toe om het onnoemelijke leed van de geschiedenis te gedenken. Men kan moeilijk ontkennen dat de vooruitgang een storm is: de versnelling die de moderniteit heeft gemarkeerd, is zonder meer stormachtig. Men kan betwijfelen dat de vooruitgang als zodanig catastrofaal is, maar dat zij vaak cata strofale gevolgen heeft, is een vervelende maar levensbelangrijke wetenschap.

Benjamin zou een zware tas met manuscripten bij zich gehad hebben toen hij op de vlucht voor de nazi's, erg moeizaam - hij was hartpatiënt - de Pyreneeën overstak; een tas die hij naar verluidt hoger schatte dan zijn eigen veiligheid of overleven. Wat er in die tas zat zullen we wellicht nooit weten, want ze zou intussen allang moeten zijn opgedoken. Misschien een laatste versie van het Passagenwerk? Aangekomen in Port Bou werd de groep Joodse migranten de toegang tot (het intussen franquistische) Spanje geweigerd. Ze werden verzocht 's anderendaags terug te keren. In zijn hotelkamer zou Benjamin zich met een dosis morfine, die hij de laatste jaren steeds bij zich had, in de nacht van 14 september 1940 het leven hebben benomen. Volgens een andere, recentere versie, zou hij met een hartinfarct opgenomen zijn in een lokaal ziekenhuis onder de naam Benjamin Walter. Wat er ook van zij: we weten niet waar hij is begraven. Wellicht rust hij anoniem binnen de muren van het kerkhof in Port Bou. Intussen is in dat grensstadje een monument voor hem opgericht, een afdalende trap door een tunnel die uitgeeft op de zee.

Benjamin, die vreesde dat hij zijn erfenis niet heelhuids zou kunnen redden voor het nageslacht, heeft met zijn werk zoals het bezegeld is door de stellingen over het begrip geschiedenis waarlijk bijgedragen tot het denken van de overlevering. De ethisch-politieke plicht om de geschiedenis te gedenken, de roeping om haar om te woelen en te 'redden' voor de vergetelheid en zo ook het heden en de toekomst te redden, is actueler dan ooit.

Misschien is dit een ijdele hoop: men kan de toekomst niet met het verleden onttoveren of althans weinig of niets verijdelen. Misschien, en dat is de diepe treurnis die over de hoopvolle passages van de thesen heen klinkt, misschien is alleen het verleden te redden door het te gedenken, maar ook dat is een plicht. Misschien is de toekomst reddeloos (door de storm van de vooruitgang die ons in de toekomst drijft en catastrofaal is). 'Het begrip van de geschiedenis' betekent niet alleen 'het begrip geschiedenis' maar ook het begrijpen van de geschiedenis, en zelfs het begrijpelijk maken van de geschiedenis. Zonder (gods)plan vervalt de geschiedenis tot een hoop feiten. Benjamin, die nochtans de laatste versie van zo'n godsplan, het vooruitgangsgeloof, verwierp, moest vasthouden aan een verborgen theologie. De geschiedenis kon voor hem enkel begrijpelijk worden gemaakt vanuit een filosofisch 'verdunde' idee van verlossing. Hij is wellicht de laatste telg van de geschiedfilosofische traditie.

Benjamins geschiedenisopvatting heeft niet alleen een theologische, maar ook een ethische dimensie. Het verleden bestaat als iets dat gerecon strueerd kan worden, niet zoals het werkelijk geweest is, maar zoals het herinnerd wordt. En dit herinneren verandert en verrijkt het verleden. Dit is wat Benjamin het gedenken, das Eingedenken, noemt. Dat is de theologische, dat wil zeggen messianistische, achtergrond en uiteindelijke grond van zijn vele bespiegelingen over de structuur van de herinnering. Wat hem fascineerde aan Proust was dat hij niet alleen zijn eigen verloren kindertijd van de vergetelheid redde, maar de sensibiliteit van een heel tijdperk; hoe hij door het genadeloze beeld van de burgerklasse heen het beeld van het paradijs liet schemeren.

Misschien is de dwerg van Benjamins schaakautomaat inderdaad lelijk en gebocheld geworden: de theologie is voor ons bij voorbaat verdacht. 'God is dood' schreef Nietzsche en Benjamin wist dat hij gelijk had. In de aankondiging van zijn tijdschrift Angelus Novus schreef hij in niet mis te verstane bewoordingen dat 'over religie eigenlijk alleen vrije geesten zouden mogen schrijven' - vrije geesten is de nietzscheaanse term voor atheïsten. Dit moet men voor ogen houden om te vermijden dat men Benjamin recupereert voor kerkelijke doeleinden. Maar wat men ook kan denken over Benjamins gebochelde theologie, ik denk dat we Benjamin ten minste daarin gelijk moeten geven: omgaan met geschiedenis is niet alleen een taak voor de wetenschap, maar ook een ethisch-religieuze plicht.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden