Een stervend veulen in de hoofdrol

De Oostvaardersplassen zijn het minst toegankelijke én het meest besproken reservaat van Nederland. Wandelaars moeten aan de randen toezien hoe de wildernis haar tol eist, vooral als de grazers het einde van de winter niet halen. De grootste natuurfilm ooit in Nederland gemaakt, geeft het publiek eindelijk toegang tot het hele verhaal.

De lucht is helderblauw, maar er giert een frisse wind. Het is een graad of vijftien. De velden kleuren van bruin naar groen. Lente in de Oostvaardersplassen. De honderden konikpaarden grazen het jonge gras af, een enkeling richt zich op en slaakt een hinnik. De zeearend maakt zijn rondjes boven het moeras. Klasjes van ganzenpullen schuiven vanuit het water achter hun moeders richting het eerste groen, maar schieten weer net zo snel de sloot in als de vos zich aandient.

Ruben Smit, ecoloog en natuurfotograaf, leeft zo'n beetje in deze wildernis. Jarenlang legde hij in duizenden foto's de taferelen vast. Soms in hitte, dan weer in storm, maar ook tijdens zware vorst. Afgelopen twee jaar kwam hij er bijna dagelijks, en fílmde dit keer het leven in de Oostvaardersplassen, en de dood. De bij elkaar zo'n 1040 draai- en montagedagen moeten Nederlands grootste natuurfilm ooit opleveren die volgende week in meer dan honderd theaters in première gaat: 'De Nieuwe Wildernis'. Twintig uur wachten leverden soms een halve minuut draaitijd op.

Smit en zijn team gebruikten daarbij de modernste technieken: met radiografisch bestuurbare helikopters volgden ze de galopperende kuddes, met speciale onderwatercamera's het opkomen van miljoenen watervlooien, en de geluidskwaliteit is zodanig dat het lijkt alsof de burlende herten zo via de klapdeuren de bioscoop in komen rennen. Gelukkig kun je ze niet ruiken: herten plassen in die periode altijd bewust over hun eigen poten om met die geur de vrouwtjes te verleiden.

Op deze meidag is zo'n 95 procent van het materiaal gedraaid, Smit vult 'de gaatjes' in het script. Script? "Jazeker", zegt hij terwijl hij met zijn Volkswagenbusje over een bochtig zandweggetje hobbelt. "Door mijn jarenlange verblijf hier weet ik waar de verhalen liggen. Op basis daarvan heb ik net als bij een film over mensen een heus script geschreven. We gaan dus niet op de bonnefooi de natuur in om te filmen wat we tegenkomen, maar zijn op zoek naar de scènes waarvan we weten dat ze bestaan. Als je slechts volgt, ben je altijd te laat."

Smit bepaalde zelfs van te voren uit welke diergroepen de 'personages' in de film moesten worden gekozen, en selecteerde zo'n tien verhaallijnen, waarvan er uiteindelijke vier zijn uitgewerkt: de konikpaarden kregen een rol, de ijsvogelfamilie, de aalscholver-kolonie en het vossengezin. Vervolgens ging hij als directeur van een heus castingbureau het natuurgebied door en selecteerde herkenbare 'acteurs': een vos met een opvallende witte staart en een bijna zwart veulen dat tussen de grijze koniks uit de toon valt.

"Diersoorten kennen ook karaktereigenschappen die je als scriptschrijver kunt verwerken. Paarden hebben iets menselijks, ganzen iets doms, vossen zijn dieven. Daarmee kun je spanning creëren tussen personages, zonder ze overigens menselijke trekken toe te kennen." De dieren hebben in de film dan ook geen namen. Het mag geen Bambi-film worden. Smit verzekert ook dat zijn collega's in de montage niet twee gebeurtenissen tot één scène hebben samengesmolten, er geen close-ups in dierentuinen gedraaid zijn, en geen camera's aan dieren zijn bevestigd. Behalve dan die ene keer toen een vos er met een cameraatje in zijn bek vandoor ging, maar dat was geen opzet. Smit: "In alles zijn we als Bert Haanstra Beobachters gebleven. Op afstand."

Neemt niet weg dat het handig is dat Smit wéét hoe de vossen lopen, om even een uitdrukking te verbasteren. Voor een scène over zo'n dief die op ganzenjacht gaat, kon hij een cameraatje bevestigen op een omgevallen boomstam, omdat hij wíst dat de vos op zijn strooptocht hier overheen zou springen. En ja hoor, in de film is precies dat shot te zien.

Maar soms zit het ook tegen, ondanks alle kennis en voorbereiding. "Ik had heel graag een paar zeearenden met jonkies in de film gehad. Die vogel is toch het icoon van het gebied. Maanden heb ik gebouwd aan een toren met een spiegelruit, zodat ze me niet zouden zien. Maar toen brak de boom af waarin het nest zat en verhuisden de twee naar een boom twee kilometer verderop." Einde verhaal. Hetzelfde geldt voor de enorme aantallen zilverreigers en lepelaars. De Oostvaardersplassen vormen de enige plek in Noordwest-Europa waar zulke grote kolonies voorkomen, maar omdat ze zich midden in de rietmoerassen ophouden, zijn ze niet te filmen.

Smit vertelt dat hij nog is opgegroeid met de wandkaarten van M.A. Koekkoek in de klas, met 'In sloot en plas' en 'Op de heide'. De film moet wat hem betreft voor de opkomende generaties net zo'n inspiratiebron worden. De speelfilm toont inderdaad een voor Nederlandse begrippen ongekende Wildernis, terwijl de Oostvaardersplassen toch echt in de Flevopolder liggen, op een halfuurtje snelweg van Amsterdam. Het bijvoeglijk naamwoord 'Nieuwe' refereert voorzichtig aan het feit dat dit gebied nog niet zo heel lang geleden door mensen is gecreëerd. Het ziet er dan wel uit als een Afrikaanse savanne, maar is omringd en doorsneden met dijken, kent kunstmatige waterstanden en de vlakte wordt niet omgeven door bergruggen met mist rond de toppen, maar door een Heras-hekwerk. Wat weer niet wil zeggen dat er in dit terrein geen natuurlijke of dynamische processen kunnen plaatsvinden. Integendeel: de film laat die juist zien.

De commentaarstem in de film vertelt dat dit gebied bij de ontwikkeling van de nieuwe polders is 'vergeten', en zich daardoor als enorme ruigte heeft kunnen ontwikkelen. Maar niets is minder waar, vertelt Frans Vera, die zich jarenlang als ecoloog met de ontwikkeling van de Oostvaardersplassen heeft beziggehouden. De Oostvaardersplassen zijn in het geniep aangelegd, en moesten juist voor iedereen verborgen blijven. De Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP), wilde geen bemoeienis van buiten. Kijk maar naar de kaart uit 1974, zegt Vera terwijl hij de Topografische Atlas uit 1987 op zijn bureau toont. "Begin jaren zeventig waren de plassen al ontwikkeld, maar op papier is nog sprake van een wit vlak verdeeld door stippellijntjes die de toekomstige landbouwkavels voorstellen."

Maar wat voor doel had die verborgen natuur? Vera: "We hebben het hier over de laagste locatie uit de Flevopolder, het putje waarin bij de droogval van de polder water bleef staan. Vanuit vliegtuigjes is rietzaad over de toen nog natte kleipolder uitgestrooid. Die rietstengels werkten als pompjes en droogden de polder verder uit. Rond het water in het laagste deel ontstonden enorme rietvelden en zo kon een enorm moeras ontstaan. Dat was al vóór het droogvallen van de polder bestemd als industrieterrein, als overloop voor de industrie bij Amsterdam." Maar de hoofdstad bleek helemaal geen behoefte te hebben aan die uitbreiding. "De directeur van de RIJP besloot daarop het moeras tot tijdelijk natuurgebied te bestemmen. Dat kon hij ook, want die hoge ambtenaar was toen eenvoudigweg de baas van de polders. Dat was nog voor de tijd dat landdrost Han Lammers de provincie in wording ging besturen." Maar, zegt Vera, en nu komt het: de dienst IJsselmeerpolders had een verborgen agenda. "Die wilde in die tijd ook graag het Markermeer droogleggen, maar natuur- en milieuorganisaties waren daar fel op tegen. Door in de Flevopolder in stilte een enorm natuurgebied aan te leggen, wilde de dienst aantonen dat drooglegging ook góed voor natuur kan zijn."

Van de Markerwaard is het nooit gekomen, maar het moeras kon uitgroeien tot een gebied van maar liefst 3600 hectare, waarin het wemelde van de vogels. In het jonge riet nestelden karekieten en baardmannetjes, terwijl de bruine kiekendief zijn rondes boven het gebied maakte.

In 1970 vestigde onaangekondigd de grauwe gans zich in de Oostvaardersplassen, die nu bijna een plaag is, maar toentertijd in ons land zo goed als uitgestorven. Frans Vera noemt de gans inmiddels de sluitsteensoort voor dit natuurgebied, refererend aan de sluitsteen in een boog. Als deze soort verdwijnt, stort het hele ecosysteem in elkaar. "Duizenden grauwe ganzen komen hier om te ruien. In deze periode kunnen ze niet vliegen en zoeken daarom de bescherming van het riet."

Maar er gebeurde destijds nóg iets: de ganzen begraasden het moeras, waardoor dit gevarieerder werd en mogelijkheden bood aan andere soorten. Er kwamen grote zilverreigers op af, en lepelaars. Frans Vera schreef er in 1979 een artikel over en voorspelde toen al dat het gebied groot genoeg was om de zeearend zich te laten vestigen. Die arriveerde uiteindelijk in 2006 en zou niet meer weggaan.

Frans Vera kwam als jonge ecoloog in 1979 met de Oostvaardersplassen in aanraking via bioloog Ernst Poorter die voor het eerst in een rapport de rijkdom van dit onbekende gebied beschreef. Vera belde hem eens op: wordt dit gebied eigenlijk wel beschermd? Op geen enkele manier, was het antwoord. Net als de zeearend zou Vera nooit meer weggaan. Hij maakte zich sterk voor het verleggen van het tracé van de spoorlijn die nu langs het natuurgebied loopt, in plaats van er doorheen. En hij bepleitte het ontstaan van grote graslanden, grenzend aan het moeras, waar al die ruiende ganzen voor en na de rui konden samenkomen. De 'natte' Oostvaardersplassen werden begin jaren tachtig daarom uitgebreid met een droge randzone van nog eens 2400 hectare.

Dat droge deel zou vooral het beeld van de Oostvaardersplassen gaan bepalen. Want de graslanden moeten kort gehouden worden door grazers, vond Vera, net zoals de oerrunderen in zijn optiek vroeger het landschap ophielden. De komst van de grazers leidde niet alleen tot de spectaculaire beelden van rennende kuddes die in 'De Nieuwe Wildernis' te zien zijn, maar ook tot commotie bij het publiek en politici over het ogenschijnlijke lijden van deze dieren als zij door voedseltekort de winter niet halen. In de natuur is dit een terugkerend gegeven, maar moeilijk te verteren voor een burger die vanaf het fietspad aan de Knardijk naar dit in zijn ogen hele grote hertenkamp kijkt. Er is geen natuurgebied in Nederland waarover méér Kamervragen zijn gesteld.

Bioloog Perry Cornelissen van Rijkswaterstaat heeft dertig jaar lang de aantallen grazers in de Oostvaardersplassen bijgehouden, en constateert dat de jaren van enorme groei voorbij zijn. Zijn conclusie is eigenlijk dat het slecht gaat met de populatie, al hoeft dat niet desastreus voor het gebied te zijn, integendeel. Na tientallen jaren van kaalvraat ontstaan er door de afname van het aantal grazers weer mogelijkheden voor nieuwe flora. De doornige meidoorn kan bijvoorbeeld weer terugkomen.

"In 1983 zijn 34 heckrunderen en 18 konikpaarden uitgezet", zegt Cornelissen. "In 1992 kwamen daar nog eens 52 edelherten bij." Inmiddels zijn de kuddes uitgegroeid tot zo'n 4300 exemplaren, een enorm aantal dat op een relatief gering oppervlak voor enorme dichtheden zorgt. Dat is mogelijk door de rijke zeeklei, die voor veel eetbare vegetatie zorgt. Toch haalt doorgaans een kwart van de dieren de lente niet. In een natuurlijke selectie worden de zwakken door de winter verzwolgen. Het zwartje veulentje bijvoorbeeld dat Ruben Smit zo nauwkeurig heeft gecast, wordt al zwak geboren, eet te weinig in de zomer, en heeft daardoor onvoldoende vetreserves om het einde van de film te halen. Zijn kadaver wordt met sneeuw bedekt.

Volgens Cornelissen is er na dertig jaar van observatie iets opmerkelijks aan de hand met de kuddes. In de afgelopen winterperiode stierf een recordaantal dieren. "Ruim een derde van de grazers legden het loodje, en dat kwam niet alleen door de strenge winter met late sneeuw, de conditie van de dieren neemt over de gehele linie duidelijk af." Dat kan te maken hebben met het grote aantal ganzen dat juist in de lente van het gras eet. De soorten hebben elkaar nodig, maar zijn op voedselgebeid ook concurrenten van elkaar.

"Tot nu toe zag de ontwikkeling van de grazers er uit als een omgekeerde piramide. Maar nu zie ik eerder een kerstboom voor me, waarin hele generaties ontbreken. Vooral de jonge dieren zijn zwak en sterven, terwijl de vergrijsde kudde in conditie afneemt." Ook vermoedt Cornelissen verzwakking door inteelt. "De afname lijkt een ramp, maar is het niet. Ook die curves zijn natuurlijk. In de Tanzaniaanse Serengeti zie je bijvoorbeeld dezelfde grilligheden in de populatie van de wildebeesten. Met de teruggang van het aantal grazers krijgt de vegetatie in het gebied weer alle kans."

Juist de dood van individuele dieren, in het zicht van het publiek, heeft de afgelopen jaren tot publiek debat geleid. De vaststelling van Frans Vera dat de draagkracht van een gebied wordt bepaald door het aantal dieren dat de winter overleeft, staat als een huis, maar geeft geen antwoord op de vraag van een wandelaar waarom dat éne hongerige hertje niet wat extra hooi krijgt.

Ruben Smit heeft er de afgelopen jaren met zijn neus bovenop gestaan. "Ik filmde de geboorte van een veulen, maar dat kon niet uit het vlies komen. Het moederdier liep al weg, en op het nippertje lukte het 't veulentje toch om door te breken. Maar ik heb ook meegemaakt dat het bleef liggen. Je handen jeuken op zo'n moment, maar ik heb nooit ingrepen." De dood van een dier heeft een reden, daar is Smit nu wel achter. De natuur is volgens hem een kwestie van 'timing'. "Sommige aalscholvers hebben al in maart eieren gelegd, en zien hun jongen omkomen van de kou. Dood op het nest. Anderen broedden laat, en hebben nu gezonde kuikens. Het had ook andersom kunnen zijn. Je hebt succes of niet. Dat bepaalt het verschil tussen leven en dood. Er zit niks tussen."

Daarnaast is de dood van de een gekoppeld aan het leven van de ander. Smit filmde joekels van karpers die na een onweersbui de ondiepe kreken intrekken om te paaien, maar die spartelend aan hun einde komen als het water weer zakt. "Een bijna episch drama. Ze zullen straks door de rovers worden verorberd. Het zelfde geldt voor het kuiken en de vos. De muis en de buizerd. Het hert en de duizenden vliegjes en torren. Laat het gebeuren, wil Smit maar zeggen. Binnenkort in uw theater.

De Nieuwe Wildernis in cijfers
Zeshonderd draaidagen in het veld. In de lucht, onder de grond, op en onder water, twintig filmhutten. Meer dan 350 uur beeldmateriaal. Tijdens de opnamen in de wintermaanden 2011 - 2012 werden in de Oostvaardersplassen de laagste temperaturen ooit gemeten (-25 graden Celsius). Te zien in meer dan honderd bioscopen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden