Een stem om serieus te nemen

Interview | De Argentijnse countertenor Franco Fagioli is een fenomeen. Als geen ander kan hij met zijn unieke en krachtige stem de verloren wereld van de castraten oproepen. 'Ik denk dat we de castraten te hoog hebben opgehemeld.'

PETER VAN DER LINT

De stem van de countertenor was een min of meer toevallige ontdekking voor hem. In San Miguel de Tucumán, de stad in het noordwesten van Argentinië waar Franco Fagioli werd geboren, zong hij als sopraan in het kinderkoor. Hij was muzikaal en mocht vaak de solo's zingen. Toen hij na de baard in de keel in een tenor veranderde, besloot hij om piano te gaan studeren. Allemaal in Tucumán. Daar ook stapte hij ooit een cd-winkel binnen om het Stabat Mater van Pergolesi te kopen. Hij was koorrepetitor geworden, de pianist die het koor tijdens repetities begeleidt. Men ging er het beroemde stuk van Pergolesi uitvoeren en Fagioli wilde het vooraf beter leren kennen. Op de bewuste cd zong Emma Kirkby de sopraanpartij. En toen hoorde Fagioli die andere stem, die van de alt. Maar die alt was geen vrouw, maar een countertenor, James Bowman. En ineens viel het kwartje. Zelf had Fagioli zijn hoge stem altijd gecultiveerd, maar meer als grap, meer als het nadoen van een operasopraan. En nu zong daar ineens iemand heel serieus met zo'n soort stem.

"Je kon er dus je beroep van maken", lacht Fagioli bij de herinnering die zijn leven veranderde. "Dat, wat ik altijd als grap deed, dat was een heus stemtype, iets dat je kon ontwikkelen, trainen - een stem waarmee je serieus genomen kon worden. Maar wie zou mij daarbij kunnen helpen in Tucumán, waar op de universiteit alleen maar traditionele zangers les gaven? Ik weet nu dat je eigenlijk geen gespecialiseerde leraren nodig hebt. Een goede leraar is genoeg, want de technieken van het belcanto zijn voor alle zangers hetzelfde. Ik kwam bij een Amerikaanse sopraan terecht die in Tucumán les gaf. Zij zei heel eerlijk dat ze nog nooit een countertenor als leerling gehad had, maar dat ze het wilde proberen.

"Ik besloot dus om mijn hoge stem te gaan ontwikkelen, maar eigenlijk wilde ik helemaal geen countertenor worden. In het begin luisterde ik helemaal niet naar andere counters, maar juist naar mezzosopranen. Ik was gek op Jennifer Larmore, Anne Sofie von Otter, Cecilia Bartoli en Marilyn Horne. Ik wilde zingen zoals zij dat deden. In zekere zin was ik met mijn stem alweer, of nog steeds, vrouwen aan het imiteren, ja. En ik moet je bekennen - al zal dat uit mijn mond ietwat raar klinken - dat ik zelf nog steeds liever naar een mezzosopraan luister dan naar een countertenor.

"Toen ik later ging studeren aan het Teatro Colón in Buenos Aires kreeg ik daar een bariton als leraar, en die raadde me aan om de muziek van Rossini te gaan zingen. Rossini componeerde nog maar één rol echt voor een castraat, in zijn opera 'Aureliano in Palmira' aan het begin van zijn carrière. Castratie was in Italië inmiddels verboden, dus droogde het aanbod van goede zangers op. Maar Rossini en zijn tijdgenoten konden maar moeilijk het geluid van hun stemmen missen, en dus componeerden zij hun heldenrollen voor de stem die daar het dichtst bij in de buurt kwam: de mezzosopraan. Toen ik de muziek van Rossini begon te zingen, was ik verbijsterd. Door zijn muziek leerde ik dat het in de belcanto-school gaat om het zoeken naar een klankideaal. Voor mij ligt dat ideaal in de klank die mezzo's produceren."

Als om zijn betoog kracht bij te zetten, zoekt Fagioli in zijn telefoon naar een fragment van de Franse muziekliefhebber, schrijver en reiziger Charles de Brosses. Die trok in de achttiende eeuw door Italië en beschreef wat hij zag en hoorde.

Fagioli leest een fragment voor waarin De Brosses het over castraten heeft. "Hun timbre is helder en hoog, als dat van jongens, maar dan krachtiger. Ze zingen niet hoger dan vrouwen en hun stem is bijna altijd droog en bitter." Bij die laatste woorden trekt Fagioli met zijn wijsvinger een ooglid naar beneden als een teken van verstandhouding met zijn gesprekspartner. "Ik denk dat we de castraten te hoog opgehemeld hebben. Natuurlijk waren de stercastraten fenomenen in hun tijd, maar dat ze zongen als engelen, zoals je vaak leest, daar geloof ik niet in."

Eén keer slechts trad Franco Fagioli op in Nederland. In het Amsterdamse Concertgebouw was hij een van de vijf countertenoren die de opera 'Artaserse' van Leonardo Vinci uitvoerden. Fagioli was in die opera Arbace en stapte daarmee in de voetsporen van de grote castraat Carestini die de rol tijdens de première in 1730 in Rome had gezongen. Aan het eind van de eerste akte laat Vinci deze Arbace de aria 'Vo solcando un mar crudele' (Ik doorkruis een wrede zee). Werkelijk een prachtaria, door Vinci helemaal gemodelleerd op de stembanden van Carestini. Het succes dat Fagioli er in 2013 in Amsterdam mee behaalde, én overal elders in Europa waar hij de opera zong, was overweldigend. In Amsterdam werd hij - tot zijn eigen grote verrassing - als een heus idool toegejuicht. Is het zijn parade-aria?

"Ja, absoluut. Vanaf de eerste keer dat ik deze aria zong, in Nancy, was de publieke reactie enorm enthousiast. Waarom? Omdat deze aria een schoolvoorbeeld is van de creatieve energie die er in die historische periode vrijkwam rond Napels en Rome. Met invloeden van Spanje was de situatie daar heel rijk, zowel op economisch als humanistisch gebied. De stijl die daar door componisten als Porpora en Vinci werd ontwikkeld was vol passie, met een interessante balans tussen lyriek en heroïek. En er was een gezonde competitie tussen componisten, maar ook tussen zangers onderling. Componisten waren er voor de zangers en hun relatie was vaak heel symbiotisch. Componisten wisten precies waar de strotten van hun sterren toe in staat waren. Ze hadden ze immers zelf opgeleid."

Fagioli zong al met veel succes muziek die voor de vier superstercastraten in de achttiende eeuw geschreven werd: Farinelli, Carestini, Caffarelli en Senesino. Bij wie van die vier illustere voorgangers voelt hij zich het meeste thuis?

"Misschien is dat dan toch Carestini, voor wie Vinci mijn parade-aria oorspronkelijk schreef. En Händel componeerde de titelrol van zijn opera 'Ariodante' voor hem. Toen ik die rol voor het eerst deed, voelde dat als thuiskomen. Ik had een heel goed gevoel bij die noten. Caffarelli was moeilijk en gek. Hij kon werkelijk alles zingen: hoog, laag, snel, langzaam. Zijn leraar Porpora zei tegen hem: 'Ga en zing, ik kan je niets leren'. Mijn eerste solo-cd was gewijd aan muziek die speciaal voor Caffarelli gemaakt is. Dat was een behoorlijk uitdagend project. Farinelli zing ik ook graag, vooral omdat veel van diens muziek door Porpora is gecomponeerd, en Porpora was ook één van de meest invloedrijke zangleraren van zijn tijd. Via Farinelli's muziek leert Porpora mij vandaag de dag nog steeds."

undefined

Solo-cd

Franco Fagioli bracht onlangs zijn tweede solo-cd uit waarop hij aria's van componist en zangleraar Nicola Porpora zingt. Op een eerdere cd zingt hij aria's geschreven voor de castraat Caffarelli. Beide cd's kwamen uit bij Naïve. Bij Archiv verscheen de feestelijke serenade 'La concordia de 'pianeti' van Antonio Caldara waarop Fagioli de rol van Apollo zingt. Ook recent (bij Decca): de opera 'Siroe, Re di Persia' van Johann Adolf Hasse waarin Fagioli de rol van Medarse voor zijn rekening neemt. 'Artaserse' van Leonardo Vinci met Fagioli in zijn favoriete tol van Arbace is verschenen bij Erato.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden