EEN SPIRITUELE ONDERSTROOM IN DE BLOEMSTRAAT

De tweehonderd kostbaarste boeken en handschriften uit de bibliotheek van de Amsterdamse fabrikant van wegwerpbestek Joost Ruben Ritman zijn - zo bleek begin van deze maand - in juni op last van de ING-bank overgebracht naar het veilinghuis Christie's in Londen. Inmiddels is de Raad voor het Cultuurbeheer wakker geschud en is een advies inzake de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van de Ritman-collectie in de maak. P. L. Schoonheim is al klaar met zijn advies. Dr. P. L. Schoonheim is verbonden aan de Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg.

P. L. SCHOONHEIM

De verzameling-Ritman weerspiegelt op een originele manier een wereld van Europese spiritualiteit. Een bepaalde samenhang van geloofsmomenten, die lange tijd verloren leek gegaan, wordt hier weer zichtbaar in een complete boekerij. Naast en onder de officiele godsdiensten loopt een geheime onderstroom van spiritualiteit. Hij verbindt de gnosis met de middeleeuwse Katharen, maar heeft ook mystici van alle tijden geinspireerd en een grondslag gelegd voor stromingen als de Rozenkruisers en de theosofen. Eminente verzamelaars die zich door zo'n perspectief laten inspireren, zijn zeldzaam.

Evenzeer heeft deze onderstroom talloze individuen geinspireerd tot een innig geloofsleven. Albert de Grote, Tauler, Eckehart, Johannes van het Kruis, Theresia van Avila, de jonge Luther, Goethe, Jacob Boehme - zij allen werden gedreven door de gnostieke geest. In onze tijd is de belangstelling ervoor weer opgeleefd, ook in wetenschappelijke kring. De bibliotheek heeft van zich doen horen met een tentoonstelling over alchemie. Ze heeft ook origineel onderzoek op dit gebied gestimuleerd en betaald.

Velen hebben de betekenis van de gnosis voor hun geloofsleven ontdekt. In bevindelijke kring spreekt men wel van 'kennisse' als men een innig, mystiek religieus leven bedoelt. Zelfs in de predestinatie-leer zijn gnostieke elementen aan te wijzen. Een gnosticus was een ingewijde, een uitverkorene. Men leest nog auteurs als Aegidius Francken en Abraham a St. Clara, zoals in oud-katholieke kring twintig jaar geleden nog Thomas' Navolginge werd gelezen. In die kringen is dus sprake van behoud van de traditie.

Het religieuze landschap van de voorchristelijke Oudheid werd bepaald door een groot aantal stromingen tegelijkertijd. Bij de Grieken waren de mysteriegodsdiensten heel karakteristiek. De mysterien waren meestal verbonden met allerlei festivals; het leven werd door religie gedomineerd: ook de sport was sterk aan de cultus gebonden. Van het volksgeloof, dat omvangrijk moet zijn geweest, is in de literatuur vrijwel geen neerslag te vinden.

Bij de Romeinen domineerde de staatsgodsdienst met zijn keizercultus, maar daarnaast bestond een volkscultuur, die zich uitte in allerlei vormen van vroomheid, waarin zich ook oosterse invloeden - van de Mithras- en de Isis-cultus - deden gelden. Voor de Romeinen was, evenals voor de Grieken, de natuur bezield. Elk huis had zijn god, elke beek haar stroomgod, elke wegkruising op z'n minst een geest. Vreemd genoeg is juist in de onderstroom van een aantal hedendaagse richtingen iets bewaard gebleven van die spirituele tradities.

Met de ondergang van het Romeinse rijk zijn niet alle manifestaties ervan verloren gegaan. Zo namen de pausen, die wereldlijk heerser en hoofd van de cultus werden, keizerlijke tradities over. Veel van de oude volksculturen werd door christenen geassimileerd. Het heeft er om gespannen wie van de twee het zou winnen: de Mithras-religie of het christendom.

Naast de overgang van heidens naar christelijk geloof bleef de joodse traditie integraal overeind: de torah, bestaande uit de mondelinge en geschreven overlevering rondom tenach (zeg: het Oude Testament), bleef ononderbroken bestaan. De tekst als drager van de overlevering hebben jodendom en christendom, beide boekculturen bij uitstek, gemeen.

De gnosis zoals wij die in het westen kennen, gaat terug op het hellenisme (na 333, het jaar waarin Alexander de Grote stierf). Gnosis is kennen van de waarheid door een terugkeer van de mens uit onwetendheid. De oergnosis berust op een dualistische leer - waarin gepersonifieerde boze en goede krachten strijd leveren - die resulteert in een wereldbeeld dat wonderwel aansluit op het christelijke. Er omheen ontstond een rijke mythologie, waarin zich elementen mengden uit Egypte, het Midden-Oosten en uit christelijke tradities.

De geheimen van de gnosis bestonden grotendeels uit spirituele en filosofische, vaak speculatieve stelsels, die door de gelovigen niet altijd begrepen zullen zijn. In het neoplatonisme raakte de gnosis vermengd met Egyptische invloeden. Zo werd het Corpus Hermeticum - een compilatie van gnostieke teksten - toegeschreven aan Hermes Trismegistus, de laat-Griekse vorm van de Egyptische god Thoth. Deze teksten worden gewoonlijk gedateerd tussen de zesde en de negende eeuw, maar hun oorsprong gaat terug tot de derde, misschien zelfs de tweede eeuw. Het corpus is onlangs uitgegeven door geleerden van internationale faam, gesponsord door Ritman, die zo een belangrijke cultuurbron toegankelijk hielp maken voor een breed publiek.

Kerkvaders - Justinus en Irenaeus in de tweede eeuw, Hippolytus, Clemens van Alexandrie en Tertullianus in de derde, en Johannes Chrysostomus nog aan het eind van de vierde - hebben de gnostici langdurig bestreden. Zo ontstond een uitvoerige apologetische literatuur, die steeds tegen Valentinus (tweede eeuw) en diens opvolgers was gericht.

Van het begin af heeft de gnosis dus buiten de officiele leer van de kerk gestaan. De kerk zag een gevaar in een beweging die zich, door sterk de nadruk te leggen op persoonlijke beleving, aan haar controle onttrok. Nog altijd zijn de kerken waakzaam, maar nu leken en gemeenteleden mondiger zijn geworden, is ook daar ruimte ontstaan voor de gnosis, naast andere uitingen van vroomheid. Door de sterke vermaatschappelijking van de kerk is bij vele gelovigen de neiging om zich naar binnen te keren, gegroeid. Wel heeft de gnosis in onze tijd veel van haar mysterieuze karakter verloren; het onderwerp wordt besproken met de openheid die kenmerkend is voor onze cultuur.

Na de vijfde eeuw horen we lange tijd niets van de gnosis in West-Europa. De traditie loopt voort in Byzantium en bij de Arabieren. In de late Middeleeuwen herleeft de gnostieke leer in onder andere de hoofse lyriek van de Provence, de Graal-beweging en het werk van Dante. In onze streken zijn de Broeders des Gemenen Levens erdoor beinvloed, maar hun beweging is monastiek, zuiver katholiek, en vooral gericht op mystiek.

De Katharen van Montsegur, zo vaak afgeschilderd als ketters, waren in wezen de 'zuiveren', die vasthielden aan het manicheisme, een dualistische leer van goed en kwaad. Weliswaar kwamen de bewoners van Montsegur door toedoen van de Inquisitie aan hun eind, maar dat gold niet voor hun ideeen, want ze maakten deel uit van een netwerk dat zich over vrijwel heel Europa uitstrekte. Haars ondanks droeg de kerk, door de vervolgingen van en de processen tegen de Katharen, er zelf toe bij dat hun geheime leer meer bekendheid kreeg.

Ook in de muziek manifesteerde zich de gnostiek. Het grote voorbeeld is uiteraard Bach. Publikaties van Van der Linde en Clement hebben daarvoor de laatste tijd opnieuw belangstelling gewekt. Na Bach vertoont ook het protestantse kerklied nog sporen van de gnostiek. In hoeveel kerken is en wordt niet gezongen 'Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont?'.

Op bijna geen gebied is de gnostieke onderstroom zo sterk en breed als in de alchemie. Geworteld in het hellenisme, is ze vooral tot bloei gekomen in de Middeleeuwen van het westen. De alchemie in het laboratorium waar naar goud wordt gezocht, laat zich niet scheiden van de alchemie als levenshouding. Het zoeken naar de kwintessens, de quinta essentia, loopt parallel aan het zoeken naar de hoogste waarheid. In de westerse alchemie schuilen ook heidense elementen: het zoeken van de geest in de stof is immers vijandig aan het geopenbaarde heil van de Schepper. Pantheisme en het geloof in een transcendente God gaan in de westerse alchemie hand in hand. Ook in de graal-legende zijn er sporen van te vinden: ten slotte mag alleen hij de graal bezitten die volkomen rein is.

Tot de groten behoort Paracelsus, zelf een belangrijk vernieuwer - ontdekker van enkele stoffen die nog steeds gebruikt worden, en grondlegger van de iatrochemie. Tal van filosofen, theologen en artsen - van Albert de Grote tot Newton - hebben zich op alchemistisch gebied bewogen of zijn erdoor beinvloed. Carl Gustav Jung zag in het symbool van de alchemistische steen een aanwijzing van de godservaring. Volgens Jung kan iedereen in zijn leven daaraan deel krijgen. De weg erheen beschreef hij als het rusteloos zoeken naar de steen. Er zijn in zijn werk meer van deze originele passages waarin hij alchemistische symbolen gebruikt in zijn benadering van de godsdienst. Het zou overigens een misverstand zijn te menen dat de wereld van de alchemie voorgoed geschiedenis is geworden; nog steeds zijn er alchemisten werkzaam, onder andere in Noord-Afrika.

De alchemistische literatuur is niet alleen zeer uitgebreid, maar ook moeilijk toegankelijk. Nergens is ze zo compleet bijeengebracht als in de Bibliotheca Philosophica Hermetica. Er zijn verzamelwerken: het Theatricum Chymicum (1622), dat 209 titels bevat, de Splendor Solis, het Rosarium Philosophorum Artis Auriferae (de Kunst van het goud maken). Waardevol zijn verder de emblemataboeken met zinnebeeldige voorstellingen, meestal in de vorm van gravures, voorzien van belerende onderschriften. Beroemd is Michael Maiers Atalanta Fugiens (1618), waarvan het oude bronnenmateriaal goed toegankelijk is gemaakt door dr. H. M. E. de Jong (1969).

Van de Rozenkruisers, wier oorsprong in het duister ligt, heeft Charles Gilly, bibliothecaris van de Bibliotheca Philosophica Hermetica, uit bibliotheken en archieven in oost en west, tal van geschriften en gegevens aan het licht gebracht. Een publikatie is binnenkort te verwachten. De eerste geschriften van de beweging zijn de - anonieme - Fama Fraternitatis (1614) en de Confessio Fraternitatis (1614). Een derde geschrift, de Chymische Hochzeit, staat op naam van Christian Rosenkreutz.

Bij de Rozenkruisers, die inspiratie vonden in de christelijke gnosis, vinden we een hoog ontwikkelde vorm van mystiek geestelijk leven. In zekere zin vormen ze een eindpunt in de ontwikkeling van eerder genoemde richtingen. De beweging is ook in feitelijk opzicht uitgekristalliseerd: in dogmatische zin, met een eigen stichter, een duidelijke organisatie - Rozenkruisers staan in het telefoonboek, alchemisten niet - en een nauw omschreven symboliek (de Roos en het Kruis). Kenmerkend zijn ook hun vrijheidsliefde en tolerantie. Ritman, zelf Rozenkruiser, heeft deze eigenschappen tastbaar gemaakt in de bijzondere werksfeer die in de bibliotheek heerst.

Dat de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam is gevestigd, komt overeen met de historische reputatie van de stad als centrum van wijsheid en kennis. Spinoza en Descartes vonden er een toevlucht. Een andere filosoof, Comenius, woonde er veertien jaar, tot aan zijn dood in 1670. Deze geestelijke voorman, die blijkens zijn onlangs heruitgegeven Via Lucis (De Weg van het Licht) niets minder beoogde dan een hervorming van de hele mensheid, heeft waarschijnlijk contacten onderhouden met de kring van de Rozenkruisers. In dit verhaal is hij het eindpunt van de onderstroom, die doorloopt tot heden toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden