Een Senegalese 'reus' die groots werkte en leefde

Als iemand een voorbeeld is van waarom je nooit 'nooit' moet zeggen, is het Ousmane Sow. De 81-jarige Senegalese beeldhouwer stierf afgelopen week als een Afrikaans icoon. Terwijl de carrière die hem wereldroem zou bezorgen pas op zijn vijftigste begon. Als kind van zeven scheen hij al wel op het strand van Dakar met stenen figuren te bouwen, maar het zou nog ruim veertig jaar duren voordat hij voor zijn passie kon kiezen. Toen zijn vader (een Eerste Wereldoorlog-veteraan onder de Fransen) stierf, vertrok zoon Sow in 1957 naar Frankrijk.

Met een handelsdiploma, maar zonder een cent leefde hij in Parijs in eerste instantie van aalmoezen en hand- en spandiensten totdat hij een advertentie zag voor een massagecursus. Via die weg werd hij verpleger om daarna fysiotherapie te studeren. Maar ook daarin was hij niet gemiddeld want hij kwam in de leer bij een Franse autoriteit in de alternatieve bewegingsleer.

Na de onafhankelijkheid van Senegal (1960) ging Sow terug naar zijn vaderland om daar zijn vak uit te oefenen. Daar kwam zijn liefde voor sculpturen terug. Zijn kantoor fungeerde ook als studio, waar hij bijvoorbeeeld buitenaardse figuren maakte. Het leidde in 1966 tot zijn eerste expositie op een internationaal festival in Dakar. Maar van fysiotherapie, door hem zijn 'vervangende beroep' genoemd, moest hij tot in de jaren tachtig blijven leven.

Het waren uiteindelijk de foto's van de omstreden Duitse cineast Leni Riefenstahl van de Nuba uit Zuid-Soedan die voor Sow's carrièreswitch zorgden. Ze inspireerden hem om tussen 1984 en 1987 te beginnen aan wat zijn handelsmerk zou worden: een serie beeldhouwwerken van gigantische, gespierde, mannelijke Nuba-worstelaars. Hij maakte ook sculpturen van de Oost-Afrikaanse Masai, de Zuid-Afrikaanse Zulu's en de West-Afrikaanse Peul. Stuk voor stuk groter dan levensgroot, krachtig en dynamisch. Hij verbeeldde ook vaak de strijd van oorspronkelijke volken tegen westerse overheersers, zoals de slag om Little Big Horn tussen de Sioux en de Cheyenne en het Amerikaanse leger.

Met zijn imposante figuren exposeerde Sow onder meer op Documenta in Kassel en het Whitney Museum in New York. Zijn installatie van de Nuba op de Pont des Arts in Parijs trok in 1999 zoveel bezoekers dat Franse media moesten waarschuwen voor ongelukken. Wat zijn werk volgens jury's van prestigieuze prijzen uniek maakte, was zijn techniek. Hij gebruikte geen modellen maar ging af op zijn kennis van het menselijk lichaam en zijn oog voor detail. Wegens gebrek aan geld in het begin van zijn carrière had hij bovendien geleerd met ongebruikelijk materiaal te werken zoals metaal, plastic, jute en rubber.

In 2008 ontving Sow de Prins Claus-prijs voor zijn "nieuwe invalshoeken op het lichaam die een uitdaging vormen voor de internationale wereld van de figuratieve kunst en voor zijn positieve invloed op de jongere generatie Afrikaanse kunstenaars". In december 2013 werd Sow als eerste Afrikaan verkozen tot lid van de prestigieuze Académie des Beaux-Arts.

Zijn fascinatie voor de strijd tegen overheersers zou heel goed kunnen komen omdat hij van moederszijde afstamde van Senegalese krijgsmannen uit het noordwestelijke Ndar, van waaruit de Fransen de regio koloniseerden. Hij had zelf veel weg van zijn kunstwerken; lang (1.90 meter), statig, breed enkarakteristiek. "Een reus is heengegaan", was dan ook veel te horen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden