Review

Een seculiere orkaan blies De Tijd omver

Nic. Schrama: Dagblad De Tijd, 1845-1974. Uitgeverij: Valkhof Pers, Nijmegen. 668 pagina's. Prijs: 74,50 gulden.

Het avontuur mislukte totaal. Binnen drie jaar daalde de oplage met ruim 50.000. Een waarschuwend signaal voor iedere redactie die denkt de lezer hoogmoedig naar haar hand te kunnen zetten. Op zaterdag 31 augustus 1974 viel, temidden van woede en ontreddering, het doek voorgoed. Wat 129 jaar werd gezien als standaarddrager van het rooms- katholicisme in Nederland verdween in de sociale leegte die het seculariseringsproces had gecreëerd. “De explosie van de jaren zestig had een radicaal einde gemaakt aan elke uniformiteit; iedereen liep zijn eigen paadje.”

De woorden zijn van Nico Schrama, voormalig redactiechef en ex-marketing manager van het teloor gegane blad. Ze staan in de forse studie die hij heeft geschreven over de roemruchte geschiedenis van zijn oude krant: 'Dagblad De Tijd, 1845-1974'. Met als ondertitel het Dieu et mon droit, ontleend aan de Franse katholieke coryfee Montalembert, dat het blad vrijwel vanaf het begin als trots devies voerde.

Schrama noemt zijn boek 'rooms' en dat is het zeer zeker. Bisschoppen en pastoors springen haasje-over van pagina naar pagina. Ze vertegenwoordigen een tijdperk dat lichtjaren van ons verwijderd lijkt, maar in werkelijkheid amper vier decennia achter ons ligt. De seculiere orkaan die alles in tien jaar wegvaagde, blies ook De Tijd omver.

Het is Schrama's verdienste dit verleden weer tot leven te hebben gewekt. Want al verbergt hij zich wat vaak achter de bronnen, weet hij hoofd- en bijzaken niet altijd even goed van elkaar te onderscheiden, zou men af en toe de sociale context wat uitvoeriger belicht willen zien en zijn er niet veel leuke anekdotes te lezen, toch hebben tien jaar onderzoek een kloek, vakkundig boek opgeleverd dat als standaardwerk de vaderlandse persgeschiedenis in zal gaan.

Zelden is de ontwikkelingsgang van een blad zo minutieus in kaart gebracht, werden zoveel nieuwe feiten opgediept. Dat heeft ook zijn schaduwkanten. Het boek staat bol van de namen, jaartallen en balansen. Bijna uitdagend meldt Schrama: “Geen functionaris is aan mijn aandacht ontsnapt; geen voor- of tegenstander blijft de lezer bespaard”. Zo is het, en dat komt de leesbaarheid van het boek niet altijd ten goede. Evenmin als de wat archaïsche stijl die de auteur hanteert. Maar een boeiend overzicht blijft het, ruim geïllustreerd en van een fors notenapparaat voorzien.

De studie over het dagblad De Tijd, door Schrama benaderd vanuit het blikveld van de opvolgende hoofdredacties, geeft een adequaat beeld van de manier waarop de katholieke pers decennia lang ten nauwste verweven was met de zuil waaruit ze voortkwam. Tot diep in de jaren '50 had het blad nauwe, zelfs slaafse banden met kerk en r.-k. partijpolitiek.

De Tijd was niet zomaar een krant: “Er kan niet worden geschreven over situaties, instituten en gebeurtenissen, zoals de grondwetswijziging van 1848, het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, de schoolstrijd, het integralisme, de R.K. Staatspartij, het Rijke Roomsche Leven, de Gemeenschap, de pers in de Tweede Wereldoorlog, de Indonesische kwestie, de deconfessionalisering, De Maasbode, de Volkskrant, de Nederlandse dagbladpers, de KVP en de KRO zonder De Tijd erbij te betrekken.”

De zin is lang, maar geeft goed de unieke rol weer die het blad ruim een eeuw in het politieke, godsdienstige, culturele en sociale leven van ons verzuilde land heeft gespeeld. Schrama schetst helder de grote verdiensten van De Tijd voor de katholieke emancipatie in Nederland.

Overigens stond de krant, 17 juni 1845 door de priester Judocus Smits in 's-Hertogenbosch opgericht en ruim een jaar later naar Amsterdam overgebracht, doorgaans aan de behoudende kant. Meestal niet zo conservatief als grote concurrent De Maasbode, tenslotte in 1959 door De Tijd opgeslokt, maar toch in lijn met de burgerlijk-roomse opvattingen die het grootste deel van het katholieke establishment en de clergé er tijdenlang op nahielden. Dat uitte zich ondermeer in een, door Schrama summier vermelde, dubbelzinnigheid tegenover het fascisme in de jaren '30.

Hetzelfde geldt voor de broodheren Spaarnestad en opvolgster (1964) VNU, die gematigd progressieve Tijd-hoofdredacteuren als Schlichting, Kerstens, Derks, Cuppen en Van Run permanent bestookten met kritiek op de 'linkse' koers. Een haat-liefde verhouding, zo kan de 40-jarige, intensieve relatie tussen het blad en zijn financiers het best worden gekarakteriseerd. De kleingeestige weigering van VNU om Schrama's boek in eigen beheer uit te geven, is een veelzeggende echo uit een complex verleden.

Het lijkt een wonder dat een krant met zo weinig lezers (tot 1940 nooit meer dan 9000; na 1945 oplopend tot 30.000, een oplage die pas bij de fusie met De Maasbode in '59 tot 57.000 steeg en in 1971 even, kunstmatig, een top van 108.000 bereikte), die krap bemand was, regelmatig in geldnood verkeerde (onder meer omdat de r.-k. zakenwereld in zo'n klein blad niet wilde adverteren) en die meermalen met opheffing werd bedreigd, toch een eeuw lang hèt journal d'opinion van de katholieke gemeenschap was.

De verklaring ligt in het feit dat alle rooms-katholieke opiniemakers, zeker vóór 1940, De Tijd lazen en het blad als hun podium beschouwden. Prominente cultuurdragers en politici als Alberdingk Thijm, Schaepman, Ariëns, Van Eeden, Van der Meer de Walcheren, Moens, Helman, Kuyle, Van Duinkerken, Engelman, Van Domburg, Rogier en Fens schreven in De Tijd en drukten er hun stijlvol stempel op. Maar ook generaties geestelijken van behoudende snit en met een plechtstatige, a-journalistieke manier van schrijven. Het was deze laatste categorie die de krant zijn bijnaam 'pastoorskrant' bezorgde, wat stond voor langdradig, rechts, preuts en clericaal. Een negatief etiket dat het blad nooit meer helemaal is kwijtgeraakt.

De meest omstreden periode in de geschiedenis van De Tijd was ongetwijfeld die van 1940-'45. Manoeuvrerend tussen aanpassing en verzet is de krant tot het bittere einde uitgekomen. Tenslotte slechts als schamel pamflet, maar toch... Achteraf bezien leek het vaak een pro-Duits blad.

“Burgemeester in oorlogstijd”, noemt Schrama de energieke hoofdredacteur Schlichting die deels voor, deels achter de schermen het blad door de oorlogsjaren loodste. In nauw overleg met aartsbisschop De Jong. Toch zei deze eind 1944 dat men er over kon twisten of “zoo nu en dan toch niet al te veel aan den dwang van buitenaf is toegegeven”. De Tijd was geen 'waarlijk verzetsblad', zoals directeur Boerrigter in 1947 beweerde, maar het heeft evenmin gecollaboreerd.

De wens om na de oorlog direct weer over een landelijk katholiek kwaliteitsblad te kunnen beschikken vormde de hoofdreden waarom De Jong De Tijd aanspoorde niet te zwichten voor Duitse pesterijen en de krant te sluiten.

Soms was echter de manier waarop het blad zich aan de Duitse censuur probeerde te onttrekken zo subtiel dat zelfs trouwe abonnees (en dat waren er velen) het niet meer wisten. Wat te denken van de jubelende recensie over de grove antisemitische film Jud Suss uit 1940 of het positieve verhaal na de Duitse aanval op Rusland (juli '41)? Het naïeve gekoketteer met het fascisme van verslaggever Fred Thomas (door Schrama niet vermeld) was even kenmerkend voor het oorlogsverleden van De Tijd als de verzetsdaden van redactie-adviseur baron Van Lamsweerde.

Wie de laatste vier levensjaren van het dagblad De Tijd overziet - Schrama beschrijft ze bijna van dag tot dag - kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het einde al veel eerder werd ingeluid. Om precies te zijn op 30 juli 1952, de dag waarop W.A.M. van der Kallen samen met Van Lamsweerde de hoofdredactie overnam van mr. Jan Derks.

Derks was een inventieve man die van De Tijd een moderne krant had gemaakt. Evenals zijn voorgangers Schlichting (na '45 voor politieke vernieuwing) en Kerstens (tegen het Indonesië-beleid van de KVP) werd hij echter door de top van De Spaarnestad als 'te links' beschouwd. Aan Van der Kallen, een uitgesproken conservatief, de taak de koers van de krant weer naar rechts te trekken. Hij kweet zich grondig van zijn taak en zo miste het blad de boot die concurrent de Volkskrant, onder straffe leiding van Joop Lücker (later zes jaar hoofdredacteur van De Tijd), deed meedrijven naar nieuwe maatschappelijke wateren.

De Tijd bleef achter in dood tij. Terwijl de Volkskrant het in 1954 al opnam voor Rogiers 'In vrijheid herboren', een kritische studie over het emancipatieproces van de katholieken in Nederland die door het Vaticaan werd afgekeurd, en het snel groeiende blad alert inspeelde op de vernieuwingen onder paus Johannes XXIII, bleef De Tijd krampachtig reageren op de nieuwe artistieke, sociale en religieuze ontwikkelingen. Zo toonde de krant zich not amused toen bisschop Bekkers van Den Bosch in 1963 in Brandpunt zei dat geboorteregeling ('de pil') primair een zaak van de gehuwden zelf was. En baanbrekende stukken over geloof, ethiek en seksualiteit van Grossouw, Fortmann en Trimbos verschenen in de Volkskrant, niet in De Tijd.

Toen medio jaren zestig onder Lücker en vooral Ton Cuppen het hoofdredactionele roer omging en De Tijd de KVP onder vuur nam, Humanae vitae veroordeelde, Schillebeeckx en de nieuwe Nederlandse katechismus tegen Rome in bescherming nam en zich achter het pastoraal concilie schaarde, sloeg de achterban aan het muiten en zegde massaal het abonnement op. De gematigd linkse koersverlegging was te laat gekomen.

In een brief aan historicus L. Rogier schetste Cuppen (24 juli '67) het dilemma waarbinnen De Tijd gevangen zat: een forse oudere lezerskern die 'zich fel en dikwijls weinig deskundig' verzet tegen elke vorm van vernieuwing in kerk en maatschappij, tegenover de jongere generatie - 'vooral studenten en geestelijkheid, en met name de spraakmakende groep onder hen' - die grotendeels andere bladen leest. Toch was het de traditionele lezersgroep, op politiek en kerkelijk gebied gematigd conservatief, die in mei 1971 verhinderde dat 'hun' blad door VNU om zeep werd geholpen.

Maar toen de laatste hoofdredacteur van De Tijd, Herman van Run, en directeur Frank Sweens de steven niet alleen nog wat meer naar links wendden, maar zelfs het rooms- katholieke karakter van het blad ter discussie stelden ('we zijn een blad van algemeen christelijke signatuur') hield de meerderheid van de lezers het voor gezien. Te meer omdat het blad ook zijn regionale edities ophief en het nieuws wel heel erg naar de achtergrond drong. De doorspoeling van het abonneebestand werd een fiasco: 'oud'liep weg, zonder dat er voldoende 'nieuw' bijkwam.

En zo rolden in de nacht van 30 op 31 augustus 1974 de laatste exemplaren van het oude dagblad van de pers en werd bewaarheid wat als spreuk het grote redactielokaal van 't Kasteel had gesierd: 'Fugit irreparabile tempus - De Tijd vliedt onherstelbaar heen'. Ruim 20 jaar later snijdt die zin mij, als oud-redacteur, nog altijd door het hart.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden