Een schilderij moet op zichzelf de wereld door

Voor de kunstenaar is het atelier de plaats waar zich het maakproces afspeelt en niet zelden ook het denkproces dat er aan voorafgaat. Heeft die plaats invloed op beide processen en hoe spelen die zich af? Een serie gesprekken op de plek waar de kunst tot stand komt. Vandaag de zevende aflevering: Erik Prins in Bloemendaal.

CEES STRAUS

Erik Prins: “Tja, of je daar schilderend iets mee kunt doen. Ik ben er niet bewust mee bezig, maar het sluipt er in. Je werkt niet naar de natuur, dat zal ik nooit doen, maar ik ga wel allerlei zaken aan de natuur ontlenen. Het drama van zo'n zonsopgang, en ook de verstilling als de zon ondergaat boven de weilandnevels. Dat geeft kleur, associaties, ik merk dat het bruikbaar wordt in de fase waarin ik nu bezig ben.”

“Ik zit nu in een periode waarin ik meer abstractie toelaat en daardoor schilderkunstige oplossingen kan uitbuiten. Ik kan nu veel meer kleur dan vroeger toelaten. De kleur om de kleur, het licht om het licht en het pasteuze van de verf, dat heb ik gewonnen. Het schilderen wordt meer ontspannen, alsof je een haar uit de melk trekt, om een chassidische legende aan te halen.”

Het atelier is een pijpela-achtige ruimte, verbonden met een kleinere tuinkamer. Daar worden de kopers, de opdrachtgevers die hij steeds meer krijgt, ontvangen. Het schilderen speelt zich in afzondering af, ongestoord door zijn familie die zich hier niet waagt. Er is nauwelijks uitzicht; om de natuur te zien, moet hij echt de deur uit. Licht komt van boven, door een glazen kap valt net te veel zonlicht naar binnen. De intimiteit van de ruimte leidt er toe dat het werk intiemer wordt. “Ik merk dat ik nu kleinere formaten aan kan. Dat is overigens niet zo'n bijzondere ervaring hoor, elk atelier dat ik in het verleden heb gehad, en dat waren er zes in de afgelopen 15 jaar, maakt dat je werk anders wordt. Ik ben wel gevoeliger geworden voor het werken op een bepaald formaat. Dat bepaalt je uitgangspunten. Om een schilderij aanwezig te laten zijn, ligt het voor de hand om het groter te maken. In een groot atelier gebeurt dat gemakkelijker, maar het betekent ook dat je in een klein atelier makkelijker intimiteit kunt bereiken. Het kost me overigens veel moeite om die omslag te verwerken. Ik heb anders leren denken. Je kunt namelijk in een kleinere ruimte niet hetzelfde doen wat in een grote ruimte tot monumentaliteit leidt. Groot werken heeft niet zozeer met het formaat als wel met het gegeven 'monumentaliteit' te maken. Een groot schilderij is in een kleine ruimte gauw vol, dat is een vreemde ervaring.”

“Het feit dat ik hier geen uitzicht heb, vormt geen belemmering voor het schilderen. Ik wil dat die natuurbeleving door mijzelf wordt gefilterd. Schilderen is een marginaal gebeuren. Zijn grote beeldende betekenis heeft het verloren, onder invloed van alle visuele media. Daardoor wordt het schilderen in het algemeen steeds autonomer. Schilderen gaat steeds meer lijken op poëzie. Poëzie is ontstaan om een verhaal te kunnen onthouden en is op een gegeven moment in de marge van het bestaan gekomen, alleen voor de liefhebbers. Het gaat nu meer over ritme, klank en associatie. ”

“Dat de schilderkunst in de marge verkeert, betekent ook veel vrijheid. Een dichter houdt geen rekening met massaal succes, dat zal hij nooit krijgen. Als schilder is dat precies zo. Dat betekent dat je meer jezelf kunt zijn, er wordt minder over je schouder mee gekeken. De paradox is dat de uitdrukking van je werk daardoor beter wordt. Je komt immers dichter bij jezelf. Uiteindelijk heb je het alleen maar over jezelf. Als je kunt overbrengen wat je wilt, is een schilderij effectief.”

“Ik schilder nu organische vormen, afgeleid van de menselijke figuren waar ik lang mee bezig was. De menselijke figuur is je evenbeeld, dat maakt het gemakkelijker om het dichtbij huis te houden. Die organische vormen kunnen menselijk zijn, maar het kunnen ook bloemen zijn. Dat is een nieuw thema voor mij, ik heb bloemen altijd een heel gevaarlijk onderwerp gevonden. Het wordt heel gauw decoratief, dus inhoudsloos. De vorm is heel herkenbaar, het gaat het uitzicht belemmeren op wat je gaat doen. Dat voorkom je door het over het schilderen te hebben, ik kies er schilderkunstige middelen voor. Ik geef de bloemen bleekheid en schaduw mee, om te voorkomen dat het figuratief, anekdotisch wordt. Want als het anekdotisch is, dan wordt het leeg, dan ben je gelaagdheid kwijt, dan wordt het ééndimensionaal. Ook dat is analoog aan de poëzie: klank en associatie zijn belangrijker dan de betekenis van het woord op zich.”

Het ligt voor de hand dat hij het anekdotische element in zijn werk met drama wil bestrijden. Prins beaamt dat: “Ja, natuurlijk moet drama in je werk aanwezig zijn. Alle goede dingen hebben drama in zich. Maar of het essentiëel in mijn schilderkunst is? Ik wil geen distantie maar betrokkenheid, dus zit er voor mij drama in. Maar ik gebruik liever het woord passie. Mensen met passie, en het geeft niet waar die over gaat, zijn ook het interessants. Passie geeft een schilderij, net als aan mensen, gelaagdheid. Kunst kan intellectueel zijn, maar schilderkunst is emotioneel. Goethe noemde schilderkunst 'Tatdenken': aldoende denken. Schilderen is constant reageren op wat je doet. Dat veronderstelt gepassioneerde betrokkenheid.”

Vanuit die betrokkenheid heeft Prins gedurende een lange periode doeken over de dood gemaakt. “Dat was in de tijd dat mijn kinderen werden geboren. Ik ben me toen heel bewust geworden van mijn sterflijkheid. Ik ging thema's schilderen als zinkende kinderwagens, verkoolde stukken hout, smeulende kisten. Hoe boeiend het ook was om te doen, het kan je na verloop van tijd aardig in de weg zitten. Het is té bedacht om er mee bezig te blijven. Ik kan het nu meer in metaforische zin gebruiken. Het gaat over leven en dood, maar ook over seksualiteit, over kleur en vorm. Naarmate ik ouder ben geworden, is de kwaliteit van mijn leven, maar ook van mijn werk toegenomen. Leven en werk zijn complexer geworden en tegelijk minder ingewikkeld. Dat klinkt tegenstrijdig, maar ik heb meer overzicht gekregen.”

Om zijn theorieën meteen te relativeren: “In wezen zijn alle gedachten over schilderen onzin. De prachtigste inhouden en beste bedoelingen stellen niets voor als het schilderij geen fascinatie oproept, want dan werkt het niet. Een schilderij moet op zichzelf de wereld door. Meer is er niet. Op het atelier is het schilderij niks, het moet er uit, het moet publiek hebben. Nee, niet om te communiceren, maar om te kunnen bestaan. Besta ik door mijn schilderijen? Als kunstenaar wel, ja. Zoals ik als vader besta door mijn kinderen, zo besta ik als kunstenaar door mijn schilderijen. Als mens besta ik door al die rollen bij elkaar. Het schilderen is essentiëel, alles wat ik voor de rest doe is er van afgeleid. Het is wat ik doe en wat ik ben. En het mooie is, je hoeft nooit met pensioen!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden