Een scherp oog voor het lijden van gewone mensen

Ze was, tot haar ontsteltenis, vooral bekend als vrouw van Ernest Hemingway. Martha Gellhorn versloeg de grote oorlogen uit de vorige eeuw. Een rusteloze vrouw die nergens kon aarden. Soms ongevoelig, blijkt uit haar brieven.

Julie Phillips

Martha Gellhorn: De ogen van miljoenen. Brieven 1930-1996. Geredigeerd door Caroline Moorehead. Uit het Engels vertaald door Christien Jonkheer. Meulenhoff, Amsterdam. ISBN 9789029079730 ; 635 blz. euro 29,90

Eenentwintigjarigen zijn vaak onuitstaanbaar. Toen Martha Gellhorn in 1930 haar provinciale jeugd in St. Louis achter zich liet en naar Parijs vertrok, had ze genoeg ambitie voor tien wereldbestormers. Ze was van plan de stem van haar generatie te worden en twijfel kwam niet in haar vocabulaire voor – toen niet, en later evenmin. Ze was een adrenalinejunk en schreef aan haar getrouwde minnaar dat ze zich nooit wilde settelen. „Ik wil liefde combineren met het gevecht, het streven naar volmaaktheid.”

Een paar jaar later zei ze trots tegen een vriendin: „Alleen een gek zou liever daadwerkelijk gevaarlijk schrijnend ongelukkig zijn dan zich te vervelen: en zo’n gek ben ik.”

Gellhorn (1908-1998) werd inderdaad een bekend schrijfster, maar niet helemaal op de manier die ze voor ogen had gehad. Haar leven lang schreef ze fictie, maar ze boekte er nooit echt succes mee. Biografe Caroline Moorehead schrijft in haar boek ’Gellhorn’ (2003) dat Martha niet de ’magie’ bezat om gebeurtenissen te herscheppen. De Franse schrijfster Colette wees haar erop dat ze niet genoeg geloofde in de verhalen die ze bedacht.

In plaats daarvan werd Gellhorn beroemd als oorlogscorrespondente. Haar verhalen van het front getuigen op een beheerste, invoelende manier van menselijk lijden. Ze schreef over de Spaanse Burgeroorlog, de Chinees-Japanse oorlog, de Russische inval in Finland en D-Day, toen ze aan boord glipte van een hospitaalschip om op het strand van Normandië te komen. In Dachau, april 1945, verloor ze definitief haar geloof in de maakbaarheid van de mens. (Het voelde, zo schreef ze jaren later, alsof er verf door haar ziel gemengd werd: „Er is toen zwart, echt door en door puur zwart aan toegevoegd, en ik heb nooit meer kunnen terugkeren naar die toestand van hoop of onschuld (*) die ik daarvoor bezat.”) Later versloeg ze ook de Vietnam-oorlog en het Eichmann-proces.

Ze hield van oorlog vanwege de camaraderie, de korte, intensieve vriendschappen die ze vormde onderweg. Ook na 1945 is ze nooit opgehouden met reizen. Ze woonde in Mexico en Rome, ze had een tijd lang een huis in Spanje en daarna een in Kenia. In de jaren zestig doorkruiste ze Afrika in haar eentje; ze schreef hierover in haar bestseller ‘Reizen met mijzelf en anderen’ (1978). Ze hoefde niet meer zo nodig in het middelpunt te staan van de literaire wereld. In Afrika voelde ze zich aangetrokken tot marginale figuren: kluizenaars en avonturiers die leefden aan de tafelranden van hun cultuur.

Al die tijd lag haar echte talent in het schrijven van brieven: expressieve, intelligente en zeer onderhoudende brieven over politiek, moederschap, Afrika en het leven in de twintigste eeuw. Dit is het werk dat haar ambitie, uiteindelijk, zij het onbedoeld, heeft ingelost. Ze is inderdaad een unieke getuige van haar tijd gebleken.

Veel brieven komen uit de frontlinie van de oorlog tussen de seksen. Liefde was voor Gellhorn net zoiets als oorlog of reizen: ze kon zich er vol energie op storten, met veel drama en lawaai, met hoge verwachtingen.

Dat liep meestal slecht af. Mannen waren interessanter dan vrouwen, ze betekenden „gezelschap, lachen, bewegen, het gevoel dat het leven voor je open lag als een weg waar je heel hard overheen kon rennen”. Ze wilden met haar naar bed, en zij deed dat, zei ze, uit beleefdheid. „Contact zochten ze trouwens niet echt, niet met wat ik was of wilde worden.”

Zodra wilden ze wilden dat zij een huiselijk leven ging leiden, was ze weg. „Ik heb niets aan een vent die niet zonder me kan”, schreef ze, nog voordat ze de bezitterige en overheersende Ernest Hemingway leerde kennen.

Hun verhouding begon in 1937 in Spanje; ze gingen uit elkaar in 1944, toen hij vond dat ze te veel tijd doorbracht aan het front en te weinig bij hem. Tot haar afgrijzen was ze jarenlang vooral bekend als een van de echtgenotes van de grote schrijver.

In 1949, op 41-jarige leeftijd, adopteerde ze een kind. Net als in haar relaties was ze eerst dolgelukkig en daarna ongeduldig en teleurgesteld. Sommige van de brieven aan haar zoon zijn onthutsend ongevoelig. Ze wekt de indruk geen idee te hebben wat er door anderen heen gaat, vooral niet door degenen die haar heel nabij zijn.

Gellhorn komt uit deze brieven naar voren als een lastig type, ze kan niet stilzitten, miskent haar eigen talent en durft niet echt naar zichzelf te kijken. Een van haar problemen is dat de literaire non-fictie, waarvoor ze in de wieg gelegd was, als genre nog niet bestond. Ze begon verscheidene keren aan haar memoires, maar, schreef ze aan een vriendin: „Als ik begin te denken, verstar ik. En als ik verstar schrijf ik als een dame uit een net, fatsoenlijk, intelligent en bezadigd milieu. En dat is toch geen schrijven?”

Was ze toch maar gaan denken. Dan had Gellhorn een groot schrijfster kunnen worden in plaats van gewoon een goede. Maar als document van de dromen en teleurstellingen van de vorige eeuw, zowel persoonlijk als politiek, zijn haar brieven op hun eigen manier onovertroffen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden