Review

Een Russische god op een essenhouten troon

Zijn dood was een media-hype. Dagenlang volgde de wereldpers het wel en wee van de stervende tweeentachtigjarige. Het huis van de stationschef in Astapova werd omstuwd door journalisten en filmploegen. Iedereen die de doodzieke Tolstoj kwam bezoeken, werd bestormd. Hoe gaat het met hem? Wie is er bij hem? Is zijn vrouw al bij zijn ziekbed geweest?

Nee, zijn vrouw was niet bij zijn ziekbed geweest. De familieraad had besloten haar niet toe te laten. Zij was immers de reden waarom hij op de vlucht sloeg. De oude asceet voelde zich al heel lang benauwd onder de bemoeizucht van zijn bekrompen, geestloze vrouw. Op een avond werd het hem te veel. Met een paar getrouwen verliet hij bij nacht en ontij het landgoed Jasnaja Polja en stapte hij op de trein. In de propvolle derde klasse, te midden van het gewone volk dat hem zo lief was, werd hij onwel. De stationschef van Astapova nam hem in zijn huis op.

Zie je die man daar, dat is een hoge vertegenwoordiger van de kerk. Wordt ook niet toegelaten. Is zeker gekomen in de hoop dat Tolstoj zich op zijn sterfbed met de kerk zal verzoenen. Dan kennen ze die koppige oude man niet! Tien jaar geleden door de synode uit de kerk gezet. Zijn gram neemt hij mee in zijn graf.

Het is volbracht. Zojuist, op de ochtend van de zevende november 1910, om vijf over zes, hebben de artsen bij graaf Lev Nikolajevitsj Tolstoj de dood geconstateerd. Heeft hij zwaar geleden? Wie waren er bij hem? Wat waren zijn laatste woorden? Daarover mag en wil ik u geen mededelingen doen. Het enige wat ik u wil verklappen, is dat hij naast zijn sterfbed twee boeken had liggen: de 'Essays' van Montaigne en 'De gebroeders Karamazov' van Dostojevski. Dat is pikant genoeg. Montaigne oké. De ethisch bevlogen verheerlijker van het leven ligt in de lijn van Tolstoj. Maar Dostojevski? De volmaakte tegenpool van Tolstoj?

George Steiner heeft daar een interessante theorie over. De reactionaire cultuurcriticus schreef in zijn jonge jaren een opmerkelijk boeiend boek met de titel 'Tolstoj of Dostojevski' (1956). Aan het slot van dat boek gaat hij uitgebreid in op het verhaal 'De grootinquisiteur', onderdeel van 'De gebroeders Karamazov'. In dat verhaal keert Christus terug op aarde maar wordt hij door de Spaanse grootinquisiteur in het gevang geworpen. Dan poneert Steiner een boude stelling. Het verhaal van de grootinquisiteur valt te “beschouwen als een denkbeeldige ontmoeting tussen Tolstoj en Dostojevski”, met Tolstoj in de rol van inquisiteur en Dostojevski in de rol van Christus.

Wat de grootinquisiteur wil is het koninkrijk Gods op aarde vestigen, een koninkrijk van de vrede. Zo'n koninkrijk vereist rust en orde, geloof en gezag. Dat veelt geen ordeverstoorders. Christus is zo'n ordeverstoorder, want die predikt vrijheid en zaait twijfel. Maar het volk heeft de zekerheid van het kerkelijk gezag nodig om zijn menselijkheid te kunnen ontplooien. Dezelfde menselijkheid die Christus ooit voorleefde maar die nu onder de hoede van de kerk valt.

“De grootinquisiteur”, betoogt Steiner, “zet zijn zaak uiteen in termen die met recht en rede als tolstojaans kunnen worden aangeduid. In zijn metafysica is geen behoefte aan een 'daarginds', een 'hiernamaals'. Ze blijft binnen de materiële en seculiere wereld. De grootinquisiteur is 'menselijker' dan Christus, zowel in de zin van onvolmaaktheid als van humaniteit. Hij wordt meer door een verlangen naar rede en orde en sociale rust bezield dan Christus.”

De vergelijking is aanvechtbaar, zeer aanvechtbaar zelfs als men bedenkt dat de inquisiteur geweld niet schuwt, terwijl Tolstoj de grote prediker van geweldloosheid is. Maar als Steiner wijst op de autocratische en paternalistische trekken van de grootinquisiteur en op diens ascetisme en fundamentele eenzaamheid, zijn de overeenkomsten met Tolstoj onmiskenbaar. En wie denkt bij Dostojevski's typering van de grootinquisiteur als “die vervloekte oude man die zo koppig van de mensheid houdt” niet onmiddellijk aan Tolstoj?

Het sterkste onderdeel van Steiners redenering is dat Tolstoj, net als de grootinquisiteur, geloof en rede probeert te verenigen. De laatste dertig jaar van zijn leven heeft Tolstoj zich toegelegd op het dusdanig herschrijven van het evangelie en het dusdanig herinterpreteren van de theologie dat rede en geloof in elkaars verlengde kwamen te liggen. Een onderneming waarvoor de aanzet én de rechtvaardiging zijn te vinden in een geschrift uit 1881, 'Biecht' geheten.

'Biecht' (of 'Mijn biecht', zoals de Nederlandse uitgever verkoos op de kaft te zetten) komt voort uit een diepe persoonlijke crisis. Tolstoj had in de tijd dat hij het schreef al wereldfaam verworven met zijn monumentale epos 'Oorlog en vrede' en zijn grandioze zedenschets 'Anna Karenina'. Hij had een mondain leven geleid, had kapitalen vergokt en had in kringen van officieren en vorsten, schrijvers en kunstenaars verkeerd. Maar hij had ook, op zijn grafelijke landgoed Jasnaja Polja, scholen gesticht en hervormingen doorgevoerd. En hij was getrouwd en had een dozijn kinderen op de wereld gezet, aan de opvoeding waarvan hij zich met waarlijk tirannieke inzet wijdde. Ineens ontging hem echter de zin van dit al. Een midlife-crisis van megaformaat nam bezit van hem.

'Biecht' begint met een pijnlijk nauwgezet zelfonderzoek. Tolstoj beschrijft hoe hij de toppen van roem en geluk, van welvaart en welbevinden bereikte. “En juist in deze omstandigheden kwam ik tot de slotsom dat ik niet in staat was te leven, en moest ik, omdat ik bang was voor de dood, alle mogelijke spitsvondigheden tegen mezelf gebruiken om mijzelf niet van het leven te beroven.”

Tolstoj voert een aantal van die spitsvondigheden op. Hij vertelt hoe hij te rade ging bij de diepste denkers uit de wereldgeschiedenis, bij Socrates en Schopenhauer, Salomo en Boeddha, op zoek naar een argument dat hem van zelfmoord kon weerhouden. De lessen waren eenduidig. “Ik kon mezelf geen zand in de ogen strooien. Alles is ijdelheid. Gelukkig is hij die niet is geboren, de dood is beter dan het leven; wij moeten onszelf van het leven losmaken.”

Het is allemaal prachtig verwoord. 'Biecht' heeft een indringende, meeslepende toon, de redeneringen zijn van een onontkoombare logica. Toch doet de nietsontziende oprechtheid die Tolstoj suggereert, onecht aan. De suïcidale doem die over het betoog ligt, is van bordkarton. Het verhaal, dat voel je haast in elke regel, is de zoektocht van iemand die het antwoord al weet maar de spanning er voor de lezer nog even in wil houden.

Het konijn uit de hoge hoed laat niet lang op zich wachten. “Rationele kennis, in de persoon van geleerden en wijzen, verwerpt de zin van het leven, maar de volksmassa's, de gehele mensheid, ziet deze zin in irrationele kennis. Deze irrationele kennis is het geloof.”

En dan niet het geloof van de kerk, want dat is met cynisme gemengd, en ook niet het geloof van Tolstojs gelijken, de 'rijken en geleerden', want voor hen is geloof slechts een luxe-artikel. Nee, het gaat Tolstoj om het geloof van de gewone mensen, de boeren en arbeiders, “de miljarden mensen van vroeger en nu, die hun leven scheppen en hun eigen leven en dat van ons op hun schouders torsen”.

“Ik was nu”, vervolgt Tolstoj, “bereid elk geloof aan te nemen, met als enige voorwaarde dat het van mij niet de volledige ontkenning van het verstand eiste, wat een leugen zou zijn.” Dat viel niet mee. Het geloof bleek vol te zitten met zaken die niet met het verstand te rijmen vielen: “Mysteriën, kerkdiensten, vasten, de aanbidding van relikwieën en ikonen”. Tolstoj stelt vast dat er een schone taak voor hem is weggelegd. “Wat in de leer waarheid is, daar twijfel ik niet aan; maar ik twijfel ook niet aan wat leugen is, en ik moet zowel waarheid als leugen vinden en van elkaar scheiden. En daar ben ik dus aan begonnen.”

Want 'Biecht' was door Tolstoj bedoeld als inleiding op een omvangrijk theologisch project, een project dat tot doel had geloof en verstand met elkaar te verzoenen. Van dat project zou het echter niet komen, althans niet in de vorm die hem oorspronkelijk voor ogen stond. Het kwam er in versnipperde vorm, in pamfletten en verhandelingen, in leerboekjes en stichtelijke vertellingen. Daarbij werd hem voortdurend de voet dwarsgezet door de censors van kerk en staat.

'Biecht' zelf was meteen al het eerste slachtoffer: de oplage werd in beslag genomen en Tolstoj zag zich genoodzaakt het in het buitenland uit te geven. Pas in 1906, vijfentwintig jaar na dato, mocht het in Rusland verschijnen. Maar toen was Tolstoj inmiddels uitgegroeid tot iemand over wie een gezaghebbend journalist destijds schreef: “Wij hebben twee tsaren: Nikolaas II en Lev Tolstoj. En Tolstoj is de machtigste, Nikolaas kan niets tegen hem beginnen.”

Heeft Steiner dan toch gelijk? Kleeft er aan Tolstoj iets onmiskenbaar autocratisch en despotisch? Staat hij dichter bij de grootmogols van kerk en staat dan zijn kritiek op hen doet denken? Het beeld wordt bevestigd door de schrijver Maxim Gorki, die vaak met Tolstoj verkeerde en een van de mooiste portretten van hem schreef die er bestaan.

Gorki merkt de despoot in Tolstoj op: “Hij schepte er genoegen in de mensen te dwingen, gewoon te dwingen, om te lezen, te wandelen, vegetarisch te leven, de boer lief te hebben en te geloven in de onfeilbaarheid van de rationeel-religieuze hypothesen van Lev Tolstoj.”

Een grootinquisiteur, een tsaar: de grootheden waarmee men Tolstoj vergelijkt, kunnen kennelijk niet imposant en almachtig genoeg zijn. Maar het kan nóg imposanter. Gorki, toch bepaald niet onkritisch over Tolstoj, ziet in hem een God, “zo'n Russische god, die zetelt op een essenhouten troon onder een gouden linde”. Hij eindigt zijn portret met de herinnering aan een dispuut tussen hen, waarin hij de mengeling van bewondering en ergernis die Tolstoj niet alleen bij hem maar bij velen oproept, haarscherp laat uitkomen:

“Onverwacht, als gaf hij mij een slag midden in mijn gezicht, vroeg hij aan mij: 'Waarom gelooft u niet in God?' ”

“Ik heb geen geloof, Lev Nikolajevitsj.”

“Dat is niet waar. U bent van nature gelovig en zonder God kunt u niet. U bent als gelovig mens geboren en het heeft geen zin zichzelf geweld aan te doen.” Ik zweeg. Hij zat, met zijn benen onder zich getrokken op de divan; een triomfantelijk lachje speelde door zijn baard. Hij maakte een dreigend gebaar en zei: “Zwijgen helpt u ook niet veel verder, echt niet!

En ik, die niet in God geloof, keek hem aan en dacht: deze man is Godgelijk!''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden