Een rouwende muis in Bourgondië

Op vakantie weet je soms niet wat je overkomt. Een netelige situatie, een wonderbaarlijke gebeurtenis, ze maken vaak een onuitwisbare indruk en leveren kruidige verhalen op. Vandaag aflevering 3. In de natuur is het gewone tamelijk buitengewoon

Als Edward Krabbendam in dat plaatsje in Bourgondië rondwandelt kan ook hij zijn ogen eerst niet geloven. Een muisje dat een dodenwake houdt? “Het zit daar op de weg, trillend en bevend, naast een dode soortgenoot. Geen veldmuisjes, het zijn twee heel bijzondere diertjes, blauw en bruin gevlekt. Verkeer komt daar praktisch niet, volgens mij was dat muisje niet doodgereden.”

Omdat het geen gewone muizen zijn, komt hij tot de conclusie dat iemand waarschijnlijk genoeg gekregen heeft van z'n huisdieren en ze van twee-, driehoog uit het raam gesmeten heeft. “Het ene is ongelukkig terechtgekomen, het andere heeft de smak overleefd. Misschien zat het daar helemaal niet te rouwen om zijn dode kameraadje, maar was het compleet confuus van de val en zat het daarom zo te trillen. Ik heb nog geprobeerd of het ergens op reageerde door mijn schoen met een plof vlak naast hem te planten, maar geen beweging. Nog nooit heb ik zoiets gezien.”

'Nooit' moet wel met een korreltje zout genomen worden. Want de muizengeschiedenis speelde zich een jaar of zeven geleden in Bourgondië af, maar vlakbij huis, in Goes, staat Krabbendam ook meer dan eens met zijn ogen te knipperen. Zoals bij de vijver in het park, waar hij een reiger ontwaart met in zijn snavel richting hemel een paar spartelende pootjes. Een kikker kan het niet zijn, dat ziet hij direct, omdat het om maar twee pootjes gaat. Dichterbij gekomen is alles duidelijk, ook het gesnater in de vijver: een moedereend voert met een hoop kabaal vergeefse aanvallen uit op de reiger, maar die laat het kleintje dat hij net uit de sliert gele kuikens gepikt heeft, niet meer los. “Ik wist even niet wat ik zag, die snavel met die trappelende pootjes eruit. Blijkbaar zijn reigers niet zo kieskeurig, ik geloof dat ze ook muizen en ratten eten.”

Hoewel hij economie gestudeerd heeft, zou Edward Krabbendam ook als bioloog geen gek figuur slaan. Vrijwel dagelijks wandelt of fietst hij in zijn buurt, onderdehand het gedrag van dieren bestuderend. “Het gewone is tamelijk buitengewoon”, constateert hij. “Je moet er alleen de tijd voor nemen. Je kunt wel altijd ver weg gaan, maar dan mis je veel in je eigen omgeving.”

Zo loopt hij op een koude winterdag, als het al weken hard vriest, langs de vijver in datzelfde park. Er is een wak opengehouden en veel watervogels doen zich tegoed aan het brood dat ze daar toegeworpen wordt. Aan de kant staat een hongerige reiger die bij gebrek aan beter een stuk brood uit het water vist. Niet goed gekozen, want het is een keihard stuk stokbrood dat het dier onmogelijk weg kan krijgen. Tot zijn verbazing ziet Krabbendam hoe de vogel het brood een paar keer in het water doopt om het zacht te maken en het dan pas opeet. “Was het een eend geweest, dan had ik het kunnen begrijpen, maar een reiger eet nooit brood. En dan heeft hij ook nog het benul om het eerst te weken! Dieren zijn vaak verbluffend knap en slim.”

Niet dat Krabbendam nooit buiten de landsgrenzen komt. Jaren geleden reist hij door Zambia en wonderlijk genoeg, ook daar loopt hij bijna letterlijk tegen muizen op. Samen met zijn vrouw, zuster en zwager is hij bij de Victoria watervallen en wil vandaar, met z'n vieren in een kleine auto gepropt, 800 kilometer naar het noorden. “We wilden dat in één dag doen, gekkenwerk natuurlijk, want de weg was bijna overal éénbaans en als er een tegenligger op je afkwam moest je als een haas zorgen opzij te gaan. We kregen nog pech onderweg ook, de verlichting viel uit, het was al avond en we moesten van de weg af. We sloegen een paadje in, middenin de rimboe. Er was geen maan, het was intussen pikkedonker en de hutjes die we hier en daar meenden te ontwaren, bleken bosjes.”

Een ideale plek om te overnachten, vinden ze, en ze slaan er hun tent op. Omdat het wel erg stil is, besluit zijn zwager als een soort waakhond voor de tent te slapen. Om zes uur in de ochtend worden ze wakker van de felle zon, schuiven het tentzeil open en staan oog in oog met een stel Zambianen die het hele gedoe geïnteresseerd bekijken. “De grap is dat wij dachten mijlenver van de bewoonde wereld te zijn, terwijl we bij wijze van spreken op de stoep van een nederzetting stonden. Vlakbij hing aan een hek een hele rij muizen te drogen. Misschien hingen ze daar om boze geesten af te weren, maar ik denk dat ze om op te eten waren. De mensen zijn daar zo arm dat ze per dag niet meer dan wat maïsmeel en een visje te eten hebben.”

Eerder zijn ze een dag of vijf met een georganiseerde safaritocht door een nationaal wildpark meegeweest. Daar komen ze wel wat grotere dieren dan muizen tegen: “Ons groepje reed in een Landrover, zo'n open jeep waarin je gewoon op een bank in de open lucht zit. Daar haperde steeds wat aan, en zelfs sloeg de motor af terwijl een neushoorn op twintig meter afstand strak naar ons stond te kijken. De chauffeur probeerde te starten, maar de jeep deed niks. Gelukkig draaide het beest zich op een gegeven moment om en liep weg. Ik ben toen wel even bang geweest en heb me er vaak even van vergewist of onze gids die ochtend zijn geweer niet vergeten had. Kort tevoren had ik een foto gezien van een neushoorn die precies zo'n Landrover te pakken had genomen. De hele auto lag ondersteboven.”

Nog zo'n angstig moment doet zich voor als ze een kudde olifanten bijna tegen het logge lijf lopen. “Om te overnachten trokken we die paar dagen van hut naar hut. 's Nachts hoorde je allerlei geluiden. Ik vertrouwde er maar op dat alles goed ging zolang er Zambianen bij waren. Maar toen die kudde olifanten ons ontdekte, erg onrustig werd en onze richting uit kwam, werd het toch wel erg spannend. Net op tijd keerden de olifanten om. Je moet er niet aan denken wa er gebeurd zou zijn als ze doorgezet hadden. Met één gids en één geweer kun je natuurlijk niet veel uitrichten. Tegenwoordig zullen ze wel beter uitgerust zijn. Wij waren daar een jaar of twintig geleden en de Zambianen gingen toen pas voor de tweede keer met toeristen op safari. Maar het waren wel echte jagers, die gidsen.”

Misschien heeft Krabbendam zijn liefde voor de natuur wel van zijn vader geërfd, denkt hij. “Die hield ook veel van dieren. Hij kweekte kanaries en thuis hadden we een Turkse tortel, erg gezellig.” Zelf heeft hij sinds de dood van zijn poes geen dieren meer in huis. “Die was er door ouderdom zo slecht aan toe dat we hem naar de dierenarts brachten voor een prik. Maar het was er erg druk en we namen hem maar weer mee naar huis. De volgende dag ging het weer een beetje, maar kort daarna is hij op een avond doodgegaan. Ik denk dat de mensen dat meestal aan de dierenarts overlaten. Niet omdat het beter is voor het dier, maar voor henzelf. Ze kunnen het niet aanzien als het lijdt en doodgaat. Aan onze poes hebben we nooit gemerkt dat hij pijn had. Tot het laatst heeft 'ie nog liggen knorren en spinnen op de bank. Dat was Gijs. Zestien was ie.”

Het verhaal van die zwaan wil hij ook nog even kwijt. Van zwanen is bekend dat ze alleen blijven als de partner dood is en ook dit exemplaar treft Edward Krabbendam alleen aan in het park. “Op een dag is er ineens een witte gans bij hem en die twee trekken een hele tijd met elkaar op. Ze zwemmen samen, grazen samen in tuintjes en als er mensen met een hond in de buurt komen, verdedigt de zwaan de gans met z'n vleugels wijd. Ik wist echt niet wat ik zag. Op een dag is de gans alleen. De zwaan komt niet terug. Wat er gebeurd is, geen idee. Misschien vonden mensen hem te agressief worden en hebben ze hem door de gemeente laten weghalen, misschien heeft hij er zelf genoeg van gekregen en gewoon aju gezegd, je weet het allemaal niet.”

Zwanen mogen dan monogaam zijn, muizen en duiven zijn dat zeker niet. En toch bleef dat Bourgondische muisje zijn partner trouw tot in de dood, net als de postduif die Krabbendam op de Zeelandbrug zag. Die zat te waken naast een aangereden, vermoedelijk al dode soortgenoot. Automobilisten weken uit voor de overlevende duif, tot een bestuurder niet meer kon uitwijken.

Eén keer hoefde hij zijn huis niet eens uit om iets opmerkelijks te zien. Hij stond voor het raam en zag ineens een roofvogel (“een sperwer of een valk”) in glijvlucht passeren en in muizenrijke bosjes duiken. Een roofvogel tussen woonhuizen, dat had hij nog nooit gezien. En zo dicht bij huis, maar dat verwondert hem eigenlijk niet. “Zoals Godfried Bomans al zei: Al heb je de hele wereld afgereisd om bijzondere mensen en dingen te zien, dan kun je thuis tot de ontdekking komen dat de buurman ook best een aardige kerel is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden