Een rijk van niks

De Republiek zette de wereld niet op z'n kop, de wereld veranderde Nederland

De auteurs durven open eindjes te benoemen, zoals het raadsel waarom zo weinig Nederlanders emigreerden naar verre oorden

Via schilderijen, prenten en geschriften kan in talrijke musea en bibliotheken Nieuw-Holland tot leven worden geroepen. Dat is te danken aan Johan Maurits van Nassau-Siegen, die tussen 1636 en 1644 gouverneur-generaal was van de Nederlandse kolonie in het tegenwoordige Brazilië. Hij leek nog wat te kunnen maken van een onderneming die uiteindelijk tot mislukken gedoemd was. Maar Johan Maurits had nog een andere grote verdienste: hij haalde volop schilders, tekenaars en wetenschappers naar zich toe, waardoor Nieuw-Holland het best gedocumenteerde gebied in de Nieuwe Wereld van die dagen is.

In Zuid-Amerika zelf beklijfde minder van de tijdelijke Hollandse aanwezigheid. Op cultureel vlak was de invloed van de wereld op Nederland in zeventiende en achttiende eeuw sowieso groter dan de invloed van Nederland op de wereld. Verre oorden drongen door tot in de boekenkasten van de welgestelden, via landkaarten en globes die hun plekje veroverden in huiskamers, via schilderijen en door middel van exotische invloeden in tuinen en parken.

Andersom moest de impact wel minder zijn. Al aan het begin van hun boek 'Rijk aan de rand van de wereld' stellen Piet Emmer en Jos Gommans zich de vraag of er wel ooit sprake is geweest van een Nederlands koloniaal rijk. Bestond er een rijk? Had het koloniale trekken? En was het wel Nederlands?

Om met het antwoord op de laatste vraag te beginnen: beperkt. De Verenigde Oostindische Compagnie, een tijd lang de grootste onderneming van de wereld met tienduizenden medewerkers, kon alleen maar draaien dankzij de forse inbreng van buitenlanders. Van het relatief liberale en tolerante klimaat van de Republiek bleef elders in de wereld weinig over, stellen Emmer en Gommans, historici aan de Universiteit Leiden. De sterk hiërarchische bestuursvorm van de vestigingen overzee leek nog het meest op een scheepsraad met de kapitein als schipper naast God. Ook niet per se Nederlands.

Van koloniaal opereren, laat staan een rijk kon je nauwelijks spreken. De auteurs hebben het dan ook over een parelsnoer van posten langs de randen van de continenten, die je evengoed een handelsdiaspora als een staat kunt noemen. Slechts op een paar plaatsen streek iets méér dan een handjevol Nederlanders neer. Maar in het algemeen waren die nog minder te porren voor permanente vestiging dan voor dienst nemen bij de VOC.

Het Nederlandse beleid had alle kenmerken van realpolitik. Afrika was bijvoorbeeld ongeschikt voor plantages vanwege de 'onrustige inborst der Negernatiën'. De Republiek liet het bij wat forten langs de kust, want "de plaatselijke ligging en luchtgesteldheid dezer bezittingen, gevoegd bij de zedelijkheid en aangenomen denkwijze der inboorlingen zijn evenzovele hinderpalen tot kolonisatie".

De VOC hoefde in Azië volgens Emmer en Gommans slechts "in te pluggen in een bestaand, uiterst ontwikkeld en goed geïntegreerd handelssysteem". Slechts op een paar plaatsen (Java, Molukken, Taiwan, Ceylon) veranderden economieën drastisch door Nederlandse inbreng. Het succes van de Hollanders werd daarmee voor het overgrote deel bepaald door het vermogen om zich steeds weer aan te passen aan plaatselijke omstandigheden en die zo goed mogelijk te benutten. Globalisering met gevoel voor de lokale cultuur.

Waar de Republiek zelf een nieuwe werkelijkheid moest scheppen, liep deze tegen de eigen beperkingen aan. De West-Indische Compagnie, onder meer actief in Nieuw-Holland, Noord-Amerika (New York), het Caribisch gebied en Afrika, liep uit op een fiasco.

In 'Zover de wereld strekt' (het vorig jaar verschenen deel in de reeks over de geschiedenis van Nederland overzee, over de periode vanaf 1800) besteedde auteur Wim van der Doel veel aandacht aan de nogal Nederlandse neiging om imperialisme te overgieten met een morele saus van verheffing.

Dat streven is niet of nauwelijks terug te vinden bij Emmer en Gommans. Tussen 1600 en 1800 concentreerde Nederland zich eerst en vooral op het eigen gewin.

"Jesus Christ is good, but trade is better", zou een van de eerste Engelse gouverneurs op Jamaica over de Hollanders hebben opgemerkt. Maar die fixatie op handel was in die tijd evengoed bij de Britten te vinden. Het kan ook iets met het protestantisme te maken hebben. Voor wie gelooft in predestinatie heeft het bekeren en daarmee redden van heidenen minder zin. Anders dan de volop missie bedrijvende katholieke Portugezen en Spanjaarden gingen Britten en Nederlanders in den vreemde niet op in een smeltkroes, maar bleven ze apart wonen.

Het intellectualistische, op bijbelstudie gebaseerde Hollandse protestantisme viel ook lastiger te slijten dan het wat simpeler uit te leggen katholicisme. En dat geloof had ordes met eigen financiën. Zending uit Nederland drukte op de kassen van de compagnieën.

Piet Emmer verwierf al eerder naam door tegenover hardnekkige aannames feiten en cijfers te zetten. Zijn relativering van het Nederlandse aandeel in de slavenhandel bezorgde hem niet alleen vrienden. Ook met Gommans maakt hij nuchter de balans op. De twee durven de vraag te stellen of alle inspanningen ver van huis wel zo profijtelijk waren als altijd is voorgesteld. Ze legden een aanzienlijk beslag op menskracht en kapitaal. De VOC dempte in de achttiende eeuw de relatieve achteruitgang van de economie, maar wellicht zouden de bakens zonder de compagnie al eerder verzet zijn.

'Rijk aan de rand van de wereld' biedt meer verrassende inzichten. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat de jonge Republiek zich in de eerste confrontatie niet alleen laat leiden door oprechte verwondering maar ook open de dialoog aangaat met andere culturen. Naast goederen vonden ideeën hun weg naar de delta aan de Noordzee. De schrijvers voeren de lezer ook langs plaatsen die je niet direct met Nederlandse geschiedenis associeert, zoals Jemen, Perzië, Bengalen en Siam.

Emmer en Gommans deden hun huiswerk en overzien de materie. Toch hebben ze het lef om open eindjes te benoemen. Het blijft ook hun een raadsel waarom zo weinig Nederlanders emigreerden. In verre oorden lagen volop kansen op een beter leven. Een soldatenbestaan bij de compagnieën had veel minder te bieden (slechts één op de tien keerde levend terug). Toch was daar geen gebrek aan werkwilligen.

Piet Emmer & Jos Gommans: Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800. Bert Bakker, Amsterdam; 542 blz. € 29,95

De Groninger portret- en stillevenschilder Albert Eckhout geldt als een van de eerste Europeanen die de bewoners van de Nieuwe Wereld vastlegden. In 1636 reisde hij naar Nieuw-Holland, in het huidige Brazilië, op uitnodiging van gouverneur Johan Maurits van Nassau-Siegen. Daar schilderde hij portretten van mulatten, indianen en slaven.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden