Een Rietveld bij Ikea

Een tentoonstelling met de mooiste, best verkochte en meest gekopieerde meubels van de twintigste eeuw. Met de ontwerpen van Rietveld, maar ook het 'democratisch design' van Ikea. 'Ideaal!Wonen' belicht het 'slagveld' tussen droom en realiteit, tussen origineel en massaproduct.

De 'Klippan', de meest verkochte bank van Ikea, staat pontificaal in de Stallen van het Centraal Museum in Utrecht, net als het simpele houten krukje van hetzelfde woonwarenhuis, dat eveneens tot de standaarduitrusting behoort van een doorsnee huishouden. Helemaal een feest van herkenning wordt het als de bezoeker op een plateautje de simpele witte plastic tuinstoel van Hartman ontwaart, waarvan er wereldwijd al meer dan 500 miljoen zijn verkocht sinds het ding in 1975 op de markt werd gebracht.

Waarom staat mijn goedkope tuinstoel van dertien-in-een-dozijn in een museum? Ida van Zijl kan zich voorstellen dat veel bezoekers en zeker degenen die zelden of nooit in een museum komen, steil achterover zullen slaan van verbazing. ,,Ik ga er maar even vanuit dat ze het aan de ene kant prachtig vinden dat hun tuinstoel of Ikea-bankje bijzonder genoeg is om in een museum neer te zetten. Maar aan de andere kant hoop ik wel dat ze na afloop ook snappen waarom ik die keuze heb gemaakt.'

Ida van Zijl, die de expositie 'Ideaal!Wonen' bedacht en samenstelde, wilde van meet af aan een laagdrempelige tentoonstelling maken. Om de expositie over wooncultuur in de twintigste eeuw bij een zo groot mogelijk publiek onder de aandacht te brengen, ligt de catalogus gewoon bij alle kiosken in Nederland en wel als bijlage bij het oktober-nummer van Elle Wonen. Verder zijn in alle filialen van Ikea, dat een groot aantal toegangskaarten heeft afgenomen voor zijn klanten, posters opgehangen. Sponsoring van tentoonstellingen is inmiddels de gewoonste zaak van de wereld. Maar dit gaat toch wel erg ver? Van Zijl kan zich voorstellen dat bezoekers zich afvragen wat de invloed is geweest van de sponsors (behalve Ikea en Elle Wonen zijn dat de Bijenkorf, Auping, Pastoe en ABN AMRO) op de expositie. Maar het idee en de uitwerking waren er eerst, benadrukt ze. ,,Pas daarna ben ik gaan rondkijken wat er te regelen viel. Dat geldt ook voor de catalogus. Die hebben wíj samengesteld en dus niet de redactie van Elle.'

Dat de expositie zó toegankelijk zou worden, is eigenlijk vanzelf gegroeid. Het uitgangspunt was wel heel museaal, vertelt Van Zijl. Het idee om 'iets' te doen met wonen en wooncultuur komt voort uit de eigen Rietveld-collectie. Dat de Utrechtse architect en meubelmaker Gerrit Rietveld (1888-1964) een belangrijke rol zou moeten spelen in een expositie over 'ideaal wonen', sprak voor zich. Rietveld ontwierp vanuit een sterke maatschappelijke overtuiging. Eén van zijn uitgangspunten was: 'massaproductie om deze aan iedereen ten goede te laten komen'. Hij wilde dat zijn ontwerpen gemakkelijk en goedkoop te proceduren waren, zodat ze qua prijs en vormgeving voor een groot publiek toegankelijk zouden zijn. In de praktijk had hij weinig succes met dit streven, omdat de industrie nog niet in staat was zijn ontwerpen uit te voeren en het publiek niet bereid was ze te accepteren. Zijn ideeën zijn pas veel later door anderen in de praktijk gebracht.

Rietveld geloofde heilig in zijn idealen en liet geen gelegenheid voorbij gaan om ze te presenteren. Zo richtte hij in 1958 op de wereldtentoonstelling in Brussel een flat in die moest laten zien hoe essentieel industriële vormgeving is voor een moderne en comfortabele leefomgeving. Hij had zelf een paar meubels ontworpen en voor de rest stonden er allemaal producten van Nederlands fabrikaat: bedden van Auping, kasten van Bruynzeel, stoelen van Pastoe, linoleum van Krommenie, bestek van Gero, lampen en tafels van Gispen en glaswerk van Leerdam. De flat van negen bij negen meter had een halletje, een natte cel met keukentje, wc en badkamer, twee slaapkamers en een woonkamer met eet- en werkgedeelte. Rietveld noemde zijn ontwerp 'de radicale flat', omdat alles wat er stond, functioneel was. De gekleurde banen in de vloerbedekking en wandbekleding vormden de enige decoratie. Met deze flat liet Rietveld zien dat zijn ideaal werkelijkheid kon worden. De ruimte was functioneel en transparant.

Bij de voorbereiding van de woonexpositie kreeg Van Zijl het ontwerp voor de 'radicale flat' weer eens onder ogen. ,,Ik realiseerde me toen pas hoe ongelooflijk het eigenlijk is dat wat Rietveld en zijn tijdgenoten als radicaal lanceerden, veertig jaar later alles is behalve dat. Wij zouden zijn flat nu eerder saai noemen en rechtlijnig.'

Die constatering bracht Van Zijl op het idee om van de tentoonstelling over wooncultuur in de twintigste eeuw geen chronologisch museaal verhaal te maken, maar de lijn door te trekken van de pioniers en vernieuwers naar de navolgers, die er wel in slaagden de ontwerpen te vertalen naar een groot publiek. Want vernieuwingen in het design mogen beginnen bij de ontwerpers die hun eigen idealen nastreven. Uiteindelijk zijn het de fabrikanten en verkopers geweest die ervoor hebben gezorgd dat de avant-gardemeubelen toegankelijk werden voor een groot publiek. Van Zijl: ,,Ik wil laten zien wat het verband is tussen beroemde ontwerpers als Rietveld, Gispen en Mies van der Rohe en Ikea, Jan des Bouvrie, Bruynzeel en Droog Design. Wat bindt het gebogen houten krukje van Ikea met de stoel van gebogen berkenhout, die de Fin Alvar Aalto ontwierp als alternatief voor het in zijn ogen kille buismeubilair?' Kortom, een expositie die om met directeur Sjarel Ex van het museum te spreken, het 'slagveld' laat zien tussen droom en realiteit, tussen origineel en massaproduct.

De wandeling door de Stallen van het Centraal Museum voert langs de belangrijkste idealisten en realisten van de twintigste eeuwse vormgeving: van de pioniers van de jaren twintig, via de volksopvoeders van de jaren vijftig en hippies in de jaren zestig, naar het individualisme en consumentisme van nu. Als houvast kunnen de bezoekers zich oriënteren op elf 'iconen', die Van Zijl steevast op een plateautje heeft neergezet. In deze iconen komt het gedachtegoed van een bepaalde periode of van een groep toonaangevende ontwerpers het best tot uitdrukking. Om de iconen heen zijn op lagere podia de 'geestverwanten' uit dezelfde tijd of van latere datum gegroepeerd. Dit zijn producten van ontwerpers en fabrikanten die vergelijkbare idealen koesterden of geïnspireerd werden door de nieuwe vormgeving. Nog een niveau lager, dat wil zeggen op de vloer zelf, staan meubelen waarin het publiek ook mag gaan zitten.

Uiteraard heeft de overbekende rood-blauwe lattenleunstoel van Gerrit Rietveld uit 1923, een prominente plaats gekregen als icoon van De Stijl met haar strakke, rechthoekige vormgeving en primaire kleuren. De leunstoel wordt omringd door de volgende variaties: een slaapkamerkast (1924) van Sybold van Ravesteyn, een bijzettafeltje (1927) van Jo Uiterwaal, een armstoel (1925) van Jan Wils en een buffet (1930) van Henk Wouda. Het zitmeubel is in dit geval dezelfde roodblauwe stoel, maar dan in de uitvoering van Cassina.

Een eindje verderop staat de plastic opblaasstoel van de Hema uit 2000. Samen met de zitzak is de opblaasbare stoel het voorbeeld van de rage in meubelen die meer als speelgoed dan als degelijk interieurelement waren bedoeld. Vier Italiaanse ontwerpers zetten in 1967 de toon voor deze trend met hun fauteuil 'Blow', die hier de functie van icoon vervult. De opblaasstoel werd als een vrijetijdsartikel gepresenteerd: goedkoop, makkelijk mee te nemen en op te bergen. Een van de variaties is de opblaasbare lamp 'Rosie' uit 1996 van Droog Design.

Een andere icoon is de gebogen stoel 'Paimio' van Alvar Aalto uit 1931, met als afgeleide het krukje 'Frosta' van Ikea uit de jaren '70. Een eye-opener is het om de simpele witte tuinstoel van Hartman uit 1975 als icoon gepresenteerd te zien. Maar Van Zijl vindt dat het plastic meubel deze kwalificatie verdient, omdat het in veel opzichten het meest geslaagde massaproduct is. Uiteraard ontbreekt ook de kubusbank van Jan des Bouvrie uit 1969 niet. De bank is een goede representant van de stroming die eind jaren zestig haar intrede deed. De moralistische toon verdween toen uit de woonadviezen en de consument werd op z'n esthetisch onderscheidingsvermogen aangesproken. Geometrische vormen, veel lege ruimte en een heldere indeling met een enkel accent waren kenmerkend voor een modern interieur. Des Bouvrie introduceerde ook de kleur wit. Oorspronkelijk werd de kubusbank in andere kleuren geleverd, maar als 'de witte bank' is dit zitmeubel een begrip geworden. De zitkuil, het stalen buismeubel, de draadstoel, stellingkasten, ruimteverdelers en andere 'toppers': ze komen allemaal voor 't voetlicht op deze expositie.

Van Zijl wilde niet eindigen met het 'nu', maar ook een blik werpen in de toekomst. Willen we meer technologie in onze huizen of juist terug naar de natuur. Steeds meer bedrijven ontwikkelen computergestuurde interieurs en apparaten. De koelkast maakt een boodschappenlijst, het tafelkleed houdt de borden warm. Deze 'smart technology' wordt in Smart Alice, een ander onderdeel van de tentoonstelling, afgezet tegen de hang naar duurzaamheid en recycling. In Smart Alice, aan de overkant van het Centraal Museum, is een sprookjesachtige tentoonstelling ingericht met onder meer het 'bed in business' van Hella Jongerius met aan het voeteneinde beeldschermen, en de autarkische keuken van Buro Schie 2.0 die water zuivert via een plantenbak en eten warmhoudt in een hooikist.

Omdat de thema's van 'Ideaal!Wonen' nergens zo actueel zijn als in Vinex-locaties, heeft de expositie ook een 'dependance' in de nieuwbouwwijk Leidsche Rijn aan de westkant van Utrecht. In een opblaasbaar Rietveld-paviljoen kunnen bewoners terecht voor EHBI: Eerste Hulp Bij Inrichting. Ida van Zijl: ,,Deze expositie staat heel dichtbij de mensen. Daarom wilden we niet alleen een kunsthistorisch verhaal brengen, maar mensen ook heel direct laten zien wat de ideeën zijn achter vormgeving. Maar we hopen natuurlijk ook met dit paviljoen de nieuwe bewoners van Leidsche Rijn zo nieuwsgierig te maken, dat ze allemaal naar het Centraal Museum komen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden