Een renner rijdt niet om te winnen maar om niet te hoeven lossen

Op de zolder boven zijn spreekkamer in Utrecht, hangen zes racefietsen. Er zit een tijdritfiets bij, een gewone koersfiets, zijn eerste Gazelle en verder een ouwe fiets, een Vitus, waarop Sean Kelly tien jaar geleden enkele van zijn grootste triomfen vierde.

Trots laat Berend Nikkels het grote voorblad van Kelly zien. Maar liefst 56 tandwieltjes telt het ding. En dat in plaats van de gewone 53 of 54. Nikkels wijst en zegt: “Kijk, het blad is zo groot dat het frame op de plek waar het wiel erlangs draait helemaal is afgesleten.”

Helemaal gek van wielrennen is-ie. Zelf was hij een aardige amateur, reed bij de studenten nog met Maarten Ducrot, maar toen het er op aan kwam verkoos hij zijn studie medicijnen boven het fietsen. En nu heeft hij als huisarts de mooiste combinatie gevonden die maar mogelijk is: naast zijn part-time praktijk, die hij deelt met een collega, begeleidt hij al een paar jaar topsporters. “Ik maak trainingsschema's, doe inspanningstesten en wat keuringen en verder begeleid ik renners met fysiologische problemen, zoals astma. Daar ben ik in gespecialiseerd.” Opzien baarde Nikkels, toen hij in 1988 als assistent op de afdeling chirurgie van het Carolusziekenhuis in Den Bosch sprinter Matthieu Hermans na een zware val in de Ronde van Spanje binnen de kortste keren klaarstoomde voor de Tour. En daar is het niet bij gebleven. Andere sporters die Nikkels regelmatig ziet, zijn de marathonschaatsers Jos van Gaasbeek en Mario Hagen en verder de jonge prof van TVM, Jeroen Blijlevens. Nikkels: “Op hem moet je letten. Die gaat scoren. Let op: die gaat scoren.”

Vanwaar dat wielrennen? Nikkels hoeft er niet over na te denken. “Ik kom uit een sportnest. Mijn neef is Henk Lubberding. Fietsen en schaatsen zat ons bij ons thuis meteen al in het bloed. Net als Henk kom ik ook uit de Achterhoek. Uit Wilp, gemeente Voorst. Dat was altijd flinke competitie. Met Lubberding, tussen de Voorstenaren en de Wilpenaren. Op de fiets trapte Henk ons, mijn broer en ik, natuurlijk helemaal het apelazer, maar met schaatsen gingen wij hem dan weer voorbij.”

“Net als Henk, kom ik ook van de boerderij. Als je dan een beetje kan leren, word je dus dierenarts. Dat deed ik in België, later ben ik overgestapt op medicijnen. In die tijd heb ik ook moeten kiezen: verder gaan met wielrennen of arts worden. Het werd het laatste.”

“Toen ik negen jaar was ging ik met mijn vader kijken naar de Tour in Bordeaux. Het was 1969, 40 graden. Vijf uur van tevoren stonden we al bij de finish, vlak bij het water, dat weet ik nog goed. Het was de dag ook dat Zoetemelk anderhalve minuut op Merckx verloor. Een drama! Merckx zat in een kopgroep van drie. Hoe hij de laatste bocht doorkwam! Hij won de etappe en Zoetemelk kwam anderhalve minuut later binnen. Een gigantische klap was dat op een vlakke etappe. Het was de eerste tik die Merckx uitdeelde. 1969, de eerste keer dat-ie meedeed... Poulidor stond in het geel, geloof ik.”

“Na de koers trokken de agenten aan een van de dranghekken om de renners weg te laten gaan. En waar gebeurde dat? Precies! Pal voor mijn neus. We stonden op de eerste rij en daar kwam Merckx voorbij! Aanraken natuurlijk. Poulidor, noem maar op. En toen kwam Zoetemelk. En ik zag zo dat petje op zijn kop en dacht...” Lacht: “Ja klopt, Mars Flandria stond er op!”

“Nou, je begrijpt, sinds die tijd is de Tour voor mij iets magisch gebleven.”

“Als de Tour was, zaten wij vaak in de bongerd waar we bessen moesten plukken. Hele middagen zaten we daar. Met de transistor. En maar vreten en luisteren.”

En nu? Hoe beleeft Nikkels de Tour nu? “Vaak valt de Tour in mijn vakantie en ga ik wel een dagje naar Frankrijk toe. Maar als ik thuis ben, zie ik vrijwel alles op tv.”

En de praktijk dan? Nikkels, lachend: “Alle etappes 'live' zien, dat is onmogelijk. Maar als er een hele belangrijke etappe is, neemt mijn collega hem over. Althans, dan regel ik het zo, dat ik hier niet zit. Ik wil altijd op zijn minst één of twee bergetappes helemaal zien. Van die ritten die ik zelf ook uitentreuren ken. Met de Mont Ventoux erin of de Galibier. Daar ken ik elk steentje, elke graspol van. Of de Alpe d'Huez, elke bocht ken ik daar. Ja, dat zuigt gewoon. Dan plan ik gewoon geen patiënten. Of, zoals gezegd, dan neemt m'n collega het over.”

Op de vraag wat er nou aan is, aan dat gestamp op die pedalen, zegt Nikkels zonder nadenken 'om het zelf te doen'. “Twee jaar geleden heb ik de etappe nagefietst waarin Chiapucci alleen in het Italiaanse Sestrières aankwam en door alle kranten met de legendarisch Fausto Coppi vergeleken werd.”

“Gewoon, puur wetenschappelijk, om te kijken hoe dat is. Zo'n inspanning. Ik ben goed getraind, geen klimmer, wel gewend aan duurwerk. Vraag niet hoe ik het gehaald heb, maar gehaald heb ik het. Ik deed er twee uur langer over dan Chiapucci en had meer dan drie dagen nodig om bij te komen. Wat me nou zo fascineert, is het lichamelijk vermogen van die renners. Ik dacht, dit kan niet. Zeker niet als je bedenkt, dat die renners er voor die rit al minstens tien ritten hadden gereden en ze er nog evenveel moesten. Dat herstellingsvermogen van die lui grenst aan het onmogelijke. Geloof me, niemand, echt niemand die van een koekebakkersstadium zomaar het profstadium bereikt. Wat maakt talent? Pure snelheid, akkoord, maar vooral het vermogen om snel te herstellen. En dat lukt iemand alleen, als hij een geweldige hoeveelheid trainingsarbeid aan kan, zo'n 200 tot 250 km per dag.”

“Wat me verder zo fascineert in het wielrennen is het feit dat altijd de groep bepaalt hoe zwaar een rit is. De zwaarte van de sport wordt bepaald door de koerskarakteristiek. Je rijdt niet alleen om het hardst maar je rijdt in eerste instantie om niet te lossen. Als je lost, ben je weg. Dus een renner gaat tot in de dood door, niet om te winnen, maar om niet te lossen. Dat is het ergste dat er is. Daarom zie je een renner na een valpartij ook meteen naar zijn fiets grijpen. Al weet hij niet meer waar hij is, één ding weet hij wel: ik moet door. Hersenschudding of niet.”

“Het allermooiste moment uit de Tour dat ik ooit op tv gezien heb? Dat zijn er veel. Maar het mooiste vind ik het als jongens nadat zij eerder gelost zijn weer terug weten te komen. Van die renners die helemaal verrot zijn, maar die blijven gaan en dan uit schijnbaar verloren positie opeens weer aan de bel trekken. Een recent voorbeeld daarvan: Vorig jaar, Erik Breukink op de Galibier. Rominger was vooruit met Jascula, de Pool, en Mejia. En Indurain natuurlijk. Daarachter reed Erik in zijn eentje op driekwart minuut. Juist op het zwaarste deel van de Galibier, een paar kilometer onder de top waar het stijgingspercentage opeens weer naar twaalf procent vliegt, zette hij de aanval in. Hij kwam zo uit de achterhoede via de rotswand omhoog. Dan zit je op ongeveer 2000 meter. Fysiologisch gezien heel zwaar, want je komt ook kritisch te zitten met je zuurstof. Toen gebeurde het. Ik zag de ploegleider van Indurain met de wagen naar voren schieten tot bij Indurain, zo van 'smoes smoes smoes - Breukink komt eraan'. En wat denk je? Indurain neemt de kop van het groepje over en gaat sleuren... als een achterlijke. Hij wist: Breukink komt eraan, die heb ik er liever niet bij en berekende het zo dat hij op het laatste stuk minstens een minuut winst pakte. Dat was genoeg en daarna gunde hij Rominger de etappe. Werkelijk indrukwekkend! Net zo indrukwekkend als de poging van Breukink om nog bij te komen. Bijna had hij het ook gered. Maar de dag erna bleek ook dat hij teveel gegeven had. Daar blies Breukink zichzelf op.”

Dan, bijna fluisterend. En vol respect: “Maar nog even over Indurain. Mensen zeggen vaak: Indurain is saai, een machine zonder verhaal. Maar hieraan zie je hoe groots hij is. Wat hij doet, dat is zo knap. Echt, dat kun je je bijna niet voorstellen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden