Een 'reeks van vaagheden' in Koks Den Uyl-lezing

De auteur is hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

HANS RIGHART

Natuurlijk geldt Roel van Duijn in de even pragmatische als cynische jaren negentig als een dwaas, een naïeve utopist, een soort Cro Magnon-mens uit de prehistorische jaren zestig. Maar men kan het ook anders zien: hier is een nog altijd praktizerend politicus, trouw gebleven aan zijn beginselen en zichzelf deel wetend van een politiek-filosofische traditie. En wie kan er anno 1995 nog zo iemand noemen?

Wim Kok misschien? “We laten niemand los!”, riep de voormalige FNV-voorzitter tijdens zijn Den Uyl-lezing op 11 december. Dat zweemde even naar zijn oude vakbondspathos. Maar wie zijn rede nog eens naleest, komt al snel tot de ontdekking dat het hier in feite gaat om een Kok-variant op Lubbers' 'samen onderweg'-retoriek. Het enige verschil is dat Lubbers zijn lastig te doorgronden proza tenminste zelf bedacht of althans de typisch lubberiaanse metafysica er zelf in weefde. Kok daarentegen praatte in zijn rede vooral anderen na.

“Ik zeg het Paul Kalma na”, aldus Kok - daarmee overigens de harde kritiek die de WBS-directeur onlangs aan het paarse kabinet adresseerde, negerend - “de werkelijke vernieuwing van de PvdA begint met het definitieve afscheid van de socialistische ideologie.” Alleen dan kan de PvdA zich concentreren op de inhoud van de huidige maatschappelijke problemen. Hoe? En alweer moest Kok assistentie inroepen, dit keer van Helmut Schmidt (al had het gezien het citaat net zo goed van die andere Helmut kunnen zijn): de vernieuwing moet bestaan uit “talloze concrete, begrijpelijke en heldere afzonderlijke initiatieven”.

Wie zich vervolgens afvraagt hoe al die vernieuwing zich verhoudt tot de nijpende problemen van alledag, komt bij Kok bedrogen uit. Wat volgt is een reeks van vaagheden zonder enige samenhangende visie. Milieu en economie moeten als “elkaar wederzijds stimulerende en uitdagende invalshoeken” beschouwd worden. Zonder een spoor van zelfkritiek noemde Kok als voorbeelden van zo'n aanpak de aanleg van de Betuwelijn en de uitbreiding van Schiphol. Hij bepleitte een “versnelling in de mobiliteitsinfrastructuur, die hoge stedelijkheid combineert met een vitale groenstructuur”. En ook “een weerbare kennisinfrastructuur” - wat dat ook moge zijn - zou in komende jaren soelaas moeten bieden voor de vervuiling, overbevolking en dichtslibbing van ons land. Het zullen de komende tien jaar “drukke tijden” worden voor de politiek, verwacht Kok.

Koks Den Uyl-lezing is typerend voor het heersend klimaat in de Nederlandse politiek. Inderdaad, de ideologische schuttersputjes zijn dichtgegooid, maar het slagveld is akelig leeg geworden. Alle grote partijen bevinden zich nu in het centrum of doen naarstige pogingen daar te geraken. Iedereen is pragmatisch geworden, iedereen is tegenwoordig van D66, behalve het CDA, maar die partij is geketend aan het treurige lot van haar gekwelde leider Enneüs Heerma. Onder zijn zwakke leiderschap en met de lafbekken in de rug zal het CDA de Nieuwe Wegen en Vaste Paden voorlopig niet betreden.

D66 moet zoals gebruikelijk zijn regeringsdeelname weer bekopen met een gebrek aan herkenbaarheid. De postmaterialistische tijdgeest, waarvan de Democraten ooit bij uitstek de exponenten waren, vervluchtigt nu eenmaal zodra een verbinding met de macht wordt aangegaan. Nu D66 zichzelf gedegradeerd heeft tot een dunne traît d'union tussen PvdA en VVD verliest ook zijn postmaterialistische agenda - burgerschap, democratisering, milieu en emancipatie - aan zeggingskracht. En wanneer iedereen pragmatisch is geworden, waarin onderscheidt D66 zich dan nog?

Na de kiezers zijn nu ook de partijen gaan zweven. De VVD is wellicht nog het meest verankerd op de links-rechts-as, maar van een links vooruitstrevend alternatief is allang geen sprake meer. Ook GroenLinks, steeds meer gepersonifieerd in de handige debater Paul Rosenmöller, heeft zich bekeerd tot de filosofie van het politieke pragmatisme en onttrekt zich daarmee aan ieder ideologisch ijkpunt.

Het pijnlijkst bleek dat tijdens de alweer bijna vergeten kandidatuur van oud-premier Lubbers voor het secretaris-generaalschap van de Navo. Een goede zaak voor Nederland, oordeelde Rosenmöller, en menig GroenLinksstemmer zal zich daarop verbijsterd achter de oren hebben gekrabd. Lubbers, was die niet ooit de personificatie van een rechts no nonsense-beleid? De Navo, was dat niet ooit dé exponent van het zo verfoeide militair-industrieel complex? En het nationaal belang? Is dat ook niet een tikje problematische thematiek in de links-ecologische denktraditie?

Een debat over de grondslagen van een ecologische politiek is des te meer noodzakelijk, omdat aan de vooravond van de 21ste eeuw de agenda niet langer door verdelingsvraagstukken beheerst wordt, maar door problemen van ecologische aard: overbevolking, vervuiling, mobiliteitswaanzin, klimaatverandering en consumptieverslaving.

Een louter pragmatische benadering van al deze problemen gaat niet alleen voorbij aan hun onderlinge samenhang, maar mijdt ook fundamentele en morele vragen. Ik noem er een paar: welke relatie bestaat er tussen enerzijds het industrieel kapitalisme met zijn heilige groeidogma en aan de andere kant de dreigende onbewoonbaarheid van onze aarde? Wat is de functie en betekenis van het begrip 'natuur' en onze plaats daarin? Hoe komen we tot de inrichting van een economisch systeem waarin duurzaamheid en kleinschaligheid bevorderd worden in plaats van verspilling en vervuiling? Hoe mobiliseren we de consument - na de arbeidersbeweging misschien de belangrijkste pressiegroep in de toekomst - voor het milieu? En welke rol ligt er voor de overheid in een ecologische politiek? Veronderstelt een radicaal milieubeleid niet een sterke staat of moet juist aangeknoopt worden bij oudere anarchistisch-socialistische noties van een decentrale kleinschaligheid?

Al deze problemen vragen meer om visie, wetenschappelijke verdieping en morele bezinning - zo men wil om ideologie - dan om de pragmatische, maar veelal ineffectieve piecemeal engineering-aanpak die nu van links tot rechts gepredikt wordt. Het begrip ideologie is in onze post-moderne tijd bijna een vloek geworden. Wanneer Wim Kok zegt zich te 'bevrijden' van de socialistische ideologie, dan lijkt het alsof hij zich ontdoet van een beknellend geestelijk harnas, een links dogmatisme dat gemakkelijk geassocieerd wordt met de dwingelandij van de voormalige Oostblokdictaturen. Ideologie staat in deze visie dus voor intellectuele stilstand, voor geestelijke onvrijheid.

Dat beeld is echter niet alleen eenzijdig negatief, maar ook onhistorisch. Het negeert immers de samengebalde denkkracht en intellectuele rijkdom van al diegenen die zich vóór ons gekweld hebben met de vraag hoe een rechtvaardige, vrije en gelukkige samenleving eruit behoort te zien. Wie zich die vraag wil stellen, moet beschikken over durf, radicalisme, onafhankelijkheid, historisch inzicht en de werkelijkheidsverachting die de ware utopist kenmerkt.

Misschien is het wachten op een groene Marx. Tot die tijd houd ik het maar op Roel van Duijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden