Een recensie is dit niet

Ik bezocht een concert van een lief bandje uit Brooklyn, New York. En daar gaat m'n recensie al. Wat een zwaar vak is dat toch, dat van criticus of recensent. Om in enkele luttele uren een oordeel te vellen over het maanden- of jarenlange werk van anderen, hun levenswerk misschien wel. Die luttele uren die het kostte om een kritiek te schrijven, kunnen voor de lezer nog verkort worden tot een oogopslag: die hoeft alleen nog maar het aantal ballen of sterren te zien om te weten of een boek, een film, een tentoonstelling, een voorstelling of een concert de moeite waard is.

'Lief' is geen recensentenwoord. Lief is onzakelijk. Er ligt natuurlijk een enorme discrepantie tussen schepper, criticus en publiek in de geïnvesteerde moeite en energie, maar alles verloopt volgens overeengekomen lijnen. De kunstenaar schept iets waar niemand om vraagt (al bijna een definitie van kunst) en levert zijn creatie uit aan kritiek en publiek.

De criticus, grootgebruiker van cultuurgoederen, keurt en weegt het gebodene; hij dankt zijn positie aan zijn ervaring en inzicht en het publiek heeft hem met enig gezag bekleed. Eenmaal losgelaten behoort het geschapene eigenlijk al niet meer toe aan de schepper; het moet zijn eigen weg in de wereld gaan. Een criticus kan daarom zeggen dat de persoon van de kunstenaar hem niet aangaat. Hij weegt alleen zijn schepping. Zijn kritiek is zakelijk.

Maar voor die rigide scheiding tussen mens en ding ben ik veel te weekhartig. Hoe ik ook mijn best doe, ik zie overal de mens. Hier, in dit geval, dat bandje. Twee zangeressen met gelijke stemmen, gelijke jurken, gelijke kapsels, die unisono zingen, als met één stem, volmaakt synchroon. En drie jongens, drums en gitaren. Ze speelden in een tijdelijk paviljoen in de stad, een paviljoen met een dak van glas, je zou er tomaten in kunnen kweken.

Het was er warm en lawaaiierig, maar dat leek de bandleden niet te deren, ze speelden vurig en met passie, de vrouwen zongen, de mannen zetten er hun geluidswal om heen.

In de rijen voor hen, op maar een paar meter afstand van het lage podium, was het publiek met zichzelf in gesprek, de muziek ogenschijnlijk een bijzaak. Het stond nog net niet met de rug naar de artiesten toe. De band speelde onverdroten voort met die sprankelende girl group sound en krachtige en felle beats and drums eronder. Tussen de songs door zeiden ze af en toe iets liefs in de microfoon, dat ze voor de tweede keer in de stad waren, en het hier zo fijn vonden, of we ze na afloop misschien nog wilden ontmoeten daar in de hoek van dit glass-house, waar ze hun cd zouden verkopen, of een lp of een tshirt.

Lief. En toen zongen ze Go Home, dat prachtige smartelijke lied, waarvan ze overmorgen negentig seconden mogen laten klinken in 'De Wereld Draait Door', met dat schrijnende refrein: I don't need you anymore, go home, go home! Het leek gericht aan sommigen in het publiek, maar dat was het niet.

Want aan het einde kwamen ze tussen ons in staan, en zongen, nauwelijks versterkt rond een jarenvijftig microfoon, twee nummers, in een stil, ook al lief geworden publiek.

Lucius heette de band. De New York Times prees ze. Ze gingen de wereld veroveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden