Een ramp, geen misdaad

Iedereen mag zelf bepalen wanneer hij wil sterven, vindt filosoof en suïcideconsulent Ton Vink. Ethici vragen zich af of iemand die suïcidaal is dat wel kán bepalen. En is je eigen leven beëindigen echt de ultieme vorm van autonomie? „In morele zin zijn we anders gaan denken over zelfdoding.”

Nog een paar dagen, dan weet filosoof Ton Vink of hij de cel in moet. De rechter in Amsterdam zal maandag uitspreken of Vink in zijn werk als suïcideconsulent hulp heeft verleend bij zelfdoding. Daartoe zijn alleen artsen bevoegd, en dan uitsluitend als zij zich houden aan de regels van de euthanasiewet.

Dat die wet er is, is maar goed ook, vindt ethicus Henri Wijsbek, verbonden aan de faculteit wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. „Alleen een arts kan beoordelen of iemand ’ondraaglijk en uitzichtloos’ lijdt en dus een goede reden heeft om dood te willen”, zegt hij. „Het is belangrijk om dat niet aan anderen toe te vertrouwen. En een leek kan niet beoordelen of er misschien middelen bestaan voor de patiënt, of een therapie, zodat iemand helemaal niet hoeft te sterven.”

Wat mag een suïcideconsulent dan wel? „Informeren, maar niet instrueren”, zegt docent neurologie en publicist (van onder meer een boek over euthanasie) Hans van Dam. „Daartussen bestaat een beslissend verschil. Het eerste mag wel, het tweede niet. Een antwoord op vragen als ’hoeveel pillen heb ik nodig?’ en ’welke methoden van zelf sterven zijn er?’, mag je gewoon geven. Dat is vrije informatie die ook te vinden is in de boekhandel en op internet.”

Maar zodra de hulpverlener ook regisseur van het sterven wordt, overschrijdt hij een grens, zegt Van Dam. „Ik steek de Rubicon over op het moment dat ik zeg ’je moet nu de pillen innemen en nu de plastic zak over je hoofd trekken’. Bij het verstrekken van algemene informatie is het belangrijk dat de cliënt zelf bepaalt wat hij ermee doet. Zelf de regie houden, dat is cruciaal.”

Is er geen sprake van een hellend vlak als behalve artsen ook leken informatie over zelfdoding geven? Van Dam: „Nee het is omgekeerd. Het echt hellende vlak is als hulp onzichtbaar blijft en lijden ook. Hoe zichtbaarder het lijden en de hulp, des te meer we tegen het hellend vlak opklimmen. Doen we dat niet, dan gaat de hulp ondergronds, want de vraag naar zelf sterven blijft bestaan.”

Belangrijker dan de zaak tegen hem, zei Vink gisteren in Trouw, vindt hij de discussie over zelfdoding. „Mensen worden ouder, zijn langer zelfstandig. De vraag naar goede informatie over levensbeëindiging zal alleen maar toenemen. Daar maak ik mij sterk voor, binnen de grenzen van de wet.”

Vink krijgt op dat punt bijval van Frits de Lange, hoogleraar ethiek aan de protestantse theologische universiteit, vestiging Kampen. Ook hij vindt de zaak tegen de filosoof van belang voor de maatschappelijke discussie over zelfdoding. „De generatie die zelfbeschikking hoog in het vaandel heeft, wordt steeds ouder. En vermoedelijk zullen er alleen maar méér suïcideconsulenten komen. Dat vraagt om een morele discussie. Die moeten niet alleen artsen voeren, ook al bezitten zij nu eenmaal nog het sleuteltje van de medicijnkast. Nee, dit gaat de hele samenleving aan.”

Zelfbeschikking. Het is een groot woord, en Vink hecht er sterk aan. „Het leven is van de mens zelf, en niet van God”, vindt hij. „Uiteindelijk bepaalt niemand anders dan jijzelf wat goed voor je is. Iedereen mag over zijn eigen leven beschikken, maar wel helder en zorgvuldig.”

Inderdaad, zegt Hans van Dam. „De mens heeft het recht om te beslissen over zijn leven. Leven is een recht. Niemand kan mij verplichten om te leven. Maar omgekeerd kan ik niemand verplichten mij te laten sterven. Zelfbeschikking betekent alleen maar dat mensen niet mogen ingrijpen in mijn beslissingen.”

„Christenen vinden dat God beslist over het leven”, zegt Frits de Lange. „Maar vanuit religieus oogpunt is zelfdoding niet per definitie moreel verwerpelijk. Voor christenen is het leven een geschenk van God, maar dat geschenk kun je op zeker moment terug willen geven. In het uiterste, alleruiterste geval doe je dat zelf. Maar wanneer dat is? Je kunt wel vinden dat je klaar bent met het leven, maar je mag jezelf wel drie keer bedenken of het leven ook klaar is met jou.”

De vraag is of iemand die zich met een doodswens tot de suïcideconsulent wendt wel in staat is om over zijn eigen leven te beslissen. Bij Linus Vanlaere, onderzoeker aan het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht van de Katholieke Universiteit Leuven, roept het fenomeen van de suïcideconsulent als ’hulpverlener’ die zelfdoding ’begeleidt’, bedenkingen op. Vanlaere promoveerde op zorgethiek met toepassing op zelfdoding bij ouderen. Net als bij jongeren is ook bij suïcidale ouderen vaak sprake van wanhoop, stelde hij vast. „Beweren dat zelfdoding dan de ultieme autonomie is, zoals Ton Vink doet, is dan misschien iets te kort door de bocht.”

Vanlaere citeert Gerrit Manenschijn (gereformeerd emeritus hoogleraar ethiek in Kampen), die stelde dat bij suïcidale mensen ’hun autonomie is ineengeschrompeld tot de tragische mogelijkheid om het tijdstip van hun dood iets naar voren te schuiven’. Terwijl je iemands autonomie volgens Vanlaere juist benadrukt door hem te helpen om weer andere keuzemogelijkheden te zien.

Dat het juridisch niet verboden is jezelf dood te maken, wil volgens Henri Wijsbek niet zeggen dat een besluit tot suïcide nooit bekritiseerbaar is. „In sommige gevallen kan het een verkeerde beslissing zijn, waarvan je denkt: dat had hij niet moeten doen. Mensen weten niet altijd zelf wat het beste voor hen is. Soms vergissen ze zich daar gruwelijk in.”

De Lange vindt het wel ’een daad van medemenselijkheid’ om iemand terzijde te staan die een doodswens heeft en om hulp vraagt. „Maar de relatie tussen een zelfdodingsconsulent en zijn cliënt is tricky. Vink zegt dat een hulpverlener geen katalysator van de zelfdoding moet worden, maar volgens mij is het onmogelijk om dat niet te worden. Er wordt een afspraak met de dood gemaakt. Als je in zee gaat met iemand die dood wil, word je hoe dan ook in dat complot betrokken. Hoe transparant je dat ook weet te maken, hoe goed je ook notuleert.”

Tegelijk, zegt De Lange, staat het haaks op medemenselijkheid om iemand te bevestigen in zijn keuze voor de dood. „De consulent mag aan het sterfbed van zijn cliënt zitten, maar niets doen. Hij moet op zijn handen zitten, terwijl hij die juist om de schouders van een stervende zou willen slaan.”

Volgens Vanlaere is de meerderheid van de mensen met suïcideplannen depressief. „Zij zijn niet gebaat bij een bevestiging van hun plannen. Wél bij zorg om zich als een eigen zelf te handhaven. Zelfdoding mag geen taboe zijn. Maar de zorg voor suïcidale mensen moet allereerst gericht zijn op veerkracht: daadwerkelijke hulp om zich positief te blijven ontwikkelen.”

Als dát is waar de suïcideconsulent voor zorgt, dan ziet Vanlaere voor zo iemand wel een taak weggelegd. Maar even goed zou een priester of predikant die rol kunnen vervullen. „Immers, religie en spiritualiteit helpen om om te gaan met existentiële leegte, wanhoop, verdriet, woede of schuld.”

Voor Hans van Dam staat vast dat mensen het recht hebben om met wie dan ook te praten. „Ik maak zelf uit met wie ik over de dood praat. Ik moet niet gedwongen worden daar met een dokter over te spreken. En andersom moeten artsen dat gesprek niet exclusief naar zich toetrekken.”

Wel is er volgens Van Dam een probleem met het ’gebrek aan transparantie’ in de werkwijze van een suïcideconsulent. „Het probleem met de suïcideconsulent is volgens Van Dam het gebrek aan transparantie van diens werkwijze. „Artsen kennen een beroepscode, richtlijnen”, zegt hij. „Daarop zijn ze aanspreekbaar. Terwijl iedereen zich suïcideconsulent kan noemen.” Suïcideconsulenten zouden daarom controle op hun werkzaamheden moeten willen. „Dan krijgen ze de status die ze verdienen.”

Overigens, zegt Van Dam, vindt hij de term ’suïcideconsulent’ een naar woord. „Het suggereert dat zelfdoding al vaststaat. ’Steun bij doodsverlangen’ is misschien zuiverder. De hulpverlener gaat met zijn cliënt in gesprek over dat verlangen.”

Volgens Vink benadrukt hij in de gesprekken met zijn cliënten de ’zorgvuldigheid in de afweging en uitvoering’ van hun zelfgekozen dood.

Linus Vanlaere vindt dat ’een enge opvatting’. „Het is een heel koud en afstandelijk kader. Het wijkt volkomen af van de warme verbondenheid en het vertrouwen die een hulpverleningsrelatie kenmerken.”

Vanlaere: „Vink vertaalt ’autonomie’ met ’ik doe wat ik wil zolang niemand daar last van heeft’. Maar juist die opvatting kan bijdragen aan de wanhoop van suïcidale mensen. Autonomie gekenmerkt als ’onafhankelijkheid’ functioneert meer en meer als een norm in onze samenleving. Dit betekent dat mensen die de fysieke of mentale capaciteiten dreigen te verliezen om een autonoom leven te leiden, zichzelf zien als ’minder mens’ en een ’last’ – alweer een druppel in de overvolle emmer van suïcidale mensen.”

Vanlaere vraagt zich af of Vink dat beseft. „Ik heb het gevoel dat hij juist benadrukt dat de norm is dat je het heft in eigen handen móet nemen, omdat je anders faalt. Terwijl hij als consulent juist suïcidale mensen afstand van zo'n norm zou moeten laten nemen.”

Het bestaan van de suïcideconsulent duidt er volgens Frits de Lange op dat we moreel anders zijn gaan denken over zelfdoding, anders dan Thomas van Aquino, die in de dertiende eeuw stelde dat suïcide een misdaad is tegen de menselijke natuur, tegen de samenleving en tegen God. „Wij vinden het geen misdaad meer”, zegt De Lange. „Maar ik sluit me graag aan bij Kuitert, die vond dat het wél een ramp is.”

Ten slotte heeft De Lange moeite met de luchtigheid waarmee Vink over zelfdoding spreekt. „Ik kan daar niet inkomen. Vink zegt dat hij humor mist in het maatschappelijke debat over suïcide. Maar daarover valt helemaal niets te lachen. Om de dooie dood niet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden