Een psychoanalyse van vinyl

Het North Sea Jazz Festival, dit weekeinde in Rotterdam, stond altijd bekend als een conservatief festival, met veel veilige namen uit de mainstream. Dat lijkt nu voorzichtig te veranderen met artiesten als Phillip Jeck en Tobias Klein.

Philip Jeck was de veertig al ruimschoots gepasseerd, toen hij er voorzichtig achterkwam dat hij misschien wel een muzikant was. Lang daarvoor had hij wel eens een gitaar voor zichzelf gekocht, zoals zoveel tieners. Het zal 1968 geweest zijn, hij was een jaar of zestien. „Maar ja. Dan luisterde ik naar Jimi Hendrix, en het klonk alsof die man in zijn eentje een heel orkest uit zijn gitaar haalde. En vervolgens luisterde ik naar mezelf. Uit mijn gitaar kwam alleen maar een droge ’twang’, die op niemand veel indruk maakte.”

De gitaar werd weer terzijde geschoven. Philip Jeck had andere talenten, besloot hij, zoals tekenen. Hij schreef zich in voor de kunstacademie.

Jeck: „Ik kwam pas weer echt met muziek in aanraking toen ik eind jaren zeventig in New York belandde. Daar begon het dj-tijdperk. Er klonk veel hiphop, maar ik was vooral fan van mensen als Walter Gibbons en Larry Levan. Disco ja, en dat klinkt nu heel fout, maar er gebeurden toen ook prachtige dingen. Gibbons en Levan gingen veel verder dan de stampende vierkwartsmaat. Ze werkten samen met iemand als Arthur Russell, een avantgarde-cellist. Een discoplaat met een cello, dat was muziek die je de ogen opende. En ze waren jaren vooruit met het mixen van platen, lieten je zien hoe je van muziek nieuwe muziek kon maken.”

Dat is inderdaad wat Philip Jeck ook doet. Als weinig andere artiesten heeft hij van de platenspeler een autonoom instrument gemaakt. De platen die hij de afgelopen vijftien jaar uitbracht, zijn abstracte geluidsbouwwerken, die bijna volledig zijn opgebouwd uit flarden van andere muziek, die hij uit de krakende groeven van afgedankt tweedehands vinyl samplet.

Hoewel: de term sampelen wekt eigenlijk verkeerde associaties. Wie naar de muziek van Philip Jeck luistert, kan misschien horen dat die is opgebouwd uit eerdere elementen, maar het is niet zo dat Jeck ’geluidjes leent’. Nee, het klinkt eerder alsof hij, met al zijn effecten en bewerkingen, een soort psychoanalyse toepast op de stukken muziek die hij gebruikt, en daarmee een donkere, mysterieuze laag aanboort. Alsof de muziek haar onderbewustzijn prijsgeeft. En onder alle muziek blijkt dan eenzelfde soort onderbewustzijn schuil te gaan: een mysterieus universum van donkere, melancholische geluiden die met elkaar verknoopt zijn, en naadloos in elkaar overvloeien.

„Het gaat mij inderdaad niet om het geluid van de oorspronkelijke plaat”, zegt Jeck. „In iedere plaat zit wel een fragment dat ik kan gebruiken. Ik heb thuis twee aparte platenverzamelingen: een die ik met zorg behandel, om zelf naar te luisteren, en een andere, veel grotere, en willekeurigere, waar ik me op uitleef om muziek te maken.”

Hoe vooruitstrevend de disco-dj’s Gibbons en Levan destijds ook waren, ze hebben weinig te maken met de abstracte, beatloze geluidsbouwwerken die Philip Jeck nu maakt, en die zich soms wel veertig minuten uitspinnen. Hoe is hij daartoe gekomen? Jeck: „In de jaren tachtig belandde ik bij een aantal moderne theater- en dansgezelschappen. Daar heb ik jaren mee getoerd, als geluidsman. In die jaren is mijn stijl uitgekristalliseerd, on the road. Maar ik heb er destijds nooit over nagedacht dat de muziek die ik maakte ook op zichzelf interessant zou kunnen zijn. Ik zag het puur als ondersteunend onderdeel van een groter kunstwerk.”

Het keerpunt kwam begin jaren negentig. „De tijd dat de cd opkwam. Het viel mij op dat je steeds minder vinyl in de winkels zag. Samen met visueel kunstenaar Lol Sargent heb ik toen een installatie gemaakt die aan dat fenomeen gewijd was.”

Vinyl Requiem heette die installatie, en ze bestond onder andere uit 180 ouderwetse platenspelers die tegelijkertijd speelden. Jeck: „Ik zag het nog steeds vooral als performancekunst, maar toen werd ik benaderd door het platenlabel Touch om iets voor ze te doen. Vanaf dat moment ben ik mezelf eigenlijk pas als muzikant gaan zien.”

Sindsdien werkt hij fulltime verder aan zijn geluid. Een constante factor is de zweem van melancholie die over al zijn werk lijkt te liggen, net als in Vinyl Requiem. Jeck: „Inderdaad, zo steek ik zelf ook in elkaar, en daar neigt mijn oor naar.”

Nieuwe ontwikkelingen in zijn geluid komen vaak tijdens live-optredens naar voren. „Mijn platen zijn deels bewerkingen van geslaagde dingen die op het podium gebeuren. Er gebeuren altijd onverwachte dingen. Op North Sea Jazz sta ik met Hild Sofie Tafjord op het podium, die speelt onder andere waldhoorn. Ik heb haar nog nooit ontmoet, maar ik weet dat ze goed is, dus we zien wel wat er gebeurt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden