Een pretentieuze dwarsligger

Het is bijna een seizoenskwaal, ieder jaar tegen de tijd dat de Nobelprijzen voor literatuur vergeven dreigen te worden, staat er wel iemand op die vindt dat de prijs naar Bob Dylan moet gaan. Dit jaar is de lobby bijzonder hevig met alleen al in het departement Holland een hele avond in cultureel centrum De Rode Hoed vol getuigenissen over Dylans poëtische grootheid. En ieder jaar zullen die Dylan-liefhebbers weer moeten slikken dat de wensdroom niet gaat uitkomen want de kans dat Dylan de Nobelprijs krijgt is net zo groot als die dat, zeg maar, Simon Vinkenoog de P.C. Hooftprijs in ontvangst mag nemen. Je kunt het wel willen, maar het zal niet gebeuren.

Een omineus teken aan de wand is dat Dylan er nooit in is geslaagd met zijn teksten door te dringen tot een behoorlijke Amerikaanse literaire bloemlezing, laat staan een die de gehele Engelstalige literatuur overziet. Dit lot achtervolgt hem al van meet af aan. Toen hij nog op de campus van de Universiteit van Minnesota met gitaar en boodschap rondzwierf, trok hij in geen enkel opzicht de aandacht van de daar heersende dichters John Berryman en Allan Tate; wél natuurlijk die van de rare, tegen het establishment gekeerde dichter Allan Ginsberg, maar dat was vermoedelijk voor een literair plaatsje net zo'n contraproductieve aanbeveling als hier in die tijd een voorwoord van Vinkenoog in je bundel. Overigens, jaren later zwierf ik over diezelfde campus, maar toen wist niemand meer van Tate en Berryman maar iedereen wel van Dylan!

Hoe dan ook, Dylan is nooit tot de 'grote', officiële literatuur doorgedrongen. Wat niet wegneemt dat hij als fenomeen natuurlijk menig dichter, die bijvoorbeeld de Pulitzerprijs of zelfs de Nobelprijs in z'n zak heeft gestoken, naar de kroon steekt. In elk geval is hij de producent van misschien wel het beroemdste, meest universele lied van de twintigste eeuw: Blowing in the wind, een song die voor altijd Amerikaanse documentaires over het laatste kwart van de twintigste eeuw zal begeleiden en aan kampvuren in verre buitenlanden zal opklinken. Het is Rock en Roll's eigen Vijfde van Beethoven. Zo populair dat kenners het van chagrijn ook weer heel slecht en obligaat vinden. In bijvoorbeeld een maatgevende top 1001, The Heart of Rock & Soul van Dave Marsh, komt het hele 'Blowing in the Wind' niet eens voor.

Het valt ook niet te loochenen dat de tekst van 'Blowing in the Wind' bij een ruime goegemeente goed valt, maar dan ook geen opvallende diepte of individuele kijk vertoont. Het grote aantal levensvragen, hoe vaak, hoeveel etcetera, steeds maar weer beantwoord met de mededeling 'The answer, my friend, is blowing in the wind', lijkt als je het goed bekijkt sterk op de kwesties die Mieke Telkamp zich stelde in 'Waarheen leidt de weg', of Jules de Corte: 'Ik zou wel eens willen weten.' En tenslotte gaan ze terug op een heel primitieve wil tot weten, waar men nu eenmaal geen literatuur en zeker geen Nobelprijzen van bakt.

Een kritische lezer, Ellen Willis, vatte het oordeel over Dylan's teksten, eens alsvolgt samen: ,,Veel van zijn beelden zijn het onthouden waard. Maar poëzie vereist ook een zuinige omgang met woorden, samenhang en onderscheidingsvermogen, en Dylan heeft zich bezondigd aan langdradige coupletten, een afschrikwekkende grammatica, verwarde zinnen, dwaze metaforen, pijnlijke clichés en warhoofdige gedachten, soms lijkt het wel alsof hij denkt dat een goed beeld vijf andere verdient, en hij steunt te veel op rijm.''

Als Dylan ergens een prijs voor zou verdienen is het niet voor de letterkunde maar voor zijn emancipatie van de rauwe, ongekunstelde stem. Met Dylan verdween voorgoed de dominantie van het 'belcanto' uit de popmuziek. Hij raspt en neuzelt dat het een aard heeft, zelfs liefhebbers hebben zijn stem vergeleken met het gejank van een hond in een stuk prikkeldraad, maar dat doet er allemaal niet toe. Zijn jammerende stem is zijn handelsmerk en het is ook precies de reden van zijn ondupliceerbaarheid. Hoeveel twintigjarigen ook met in hun vingers drie akkoorden Dylan proberen te imiteren, ze zullen het altijd zonder die uit duizenden herkenbare stem moeten stellen.

Dylan heet een nogal onaangenaam mens te zijn. Toen hij zich, zoals zovelen, eind jaren zeventig opeens tot het christendom bekeerde ont'pop'te hij zich dan ook als een vervelende fundamentalist, voor wie de antwoorden opeens helemaal niet meer door de wind werden voortgeblazen. Toch klopte ook dat in zekere zin. Dylan bleef een protestzanger, ook op het moment dat hij allang ingelijfd was door pantheïsten en zwervende zoekers.

Wat voor zijn liefhebbers en lobbyisten wellicht de half-religieuze uitstraling van zijn wereldverbeterende wijsheden was, lijkt tenslotte vooral geschreven uit een soort egocentrisme, waarmee hij zijn medestanders prikkelde. In zijn beste song Like a Rolling Stone bijvoorbeeld mompelt hij als het ware in zichzelf: How does it feel, how does it feel/To be without a home/To be on your own/Like a complete unknown/Like a Rolling Stone. Het zijn de typische Dylan-vragen zonder antwoord waar het publiek op afkomt, maar het verzwegen antwoord zouden ze wellicht minder graag horen: dat Dylan geen nobody wilde zijn maar een pretentieus ventje is, een gepatenteerde dwarsligger.

Overigens lijkt hij daarin wellicht meer op de grote dichters dan met die teksten zelf. En zelfs zijn dwarsliggen groeide mee, zodat niet het establishment maar de door hem achtergelaten vredesblowers eigenlijk niet goed meer weten wat ze met hem aan moeten. Want weet je man, For the times they are a changing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden