Een pragmatiker leidt het seminarie in Vogelenzang

AMSTERDAM - “Die afneiging van de priesters tegen de bisschop hier in het bisdom Haarlem, zo'n haat - wat ik hier hoor zeggen, dat is extreem, dat heb ik nergens anders ooit gehoord. Sommigen willen zelfs niet voor hem bidden in de mis.”

Pater Arnold Teunissen (75) heeft bijna veertig jaar in Duitsland gewoond en dat is aan tongval en woordgebruik te horen. Pas sinds vorig jaar is hij weer terug in het vaderland, maar niet om te rusten. Op zijn oude dag is Teunissen (“ik ben een pragmatiker”) nog weer aan een nieuwe klus begonnen in het bisdom Haarlem: het helpen starten van een priesterseminarie in Vogelenzang. Wie de verhoudingen in Kennemerland en omgeving een beetje kent weet dat de priesteropleiding van Bomers qua mislukking en misere met de IRT-affaire kan wedijveren. Er was niemand in het bisdom meer te vinden die nog eens fris aan dat dode paard wilde trekken. Van armoe is hulpbisschop dr. Jos Punt zelf toen maar rector geworden, - een constructie met praktische bezwaren maar ook principieel ongewenst, omdat de bisschop liever niet met zijn neus bovenop zijn seminarie en de studenten moet zitten. Maar de luxe van kiezen was voorbij. Na veel aandringen kreeg Punt pater Teunissen zover om bij de start de dagelijkse en geestelijke leiding op zich te nemen. Teunissen had net zijn taak als mentor van jonge pastores in het bisdom Aken neergelegd. Hij voelde zich nog wel jong, maar vond het toch welletjes. En daar kwam die Punt ineens. Is Teunissen er oneerbiedig gezegd ingeluisd? Wist hij wel dat Punt's project in het fraaie Vogelenzang de erfenis van huize Slangenkuil meetorste? Opgetrokken wenkbrauwen monsteren of het bezoek van de krant soms meent met een seniel iemand van doen te hebben.

Pragmatiker Teunissen is een doener, maar tegelijk een gemankeerde theologieprofessor. Als kersverse priester in 1947 hoorde hij dat zijn orde (de paters van het heilig sacrament) mensen zocht om in Mozambique een seminarie te beginnen. Hij informeerde wie daarvoor in aanmerking kwamen. Het antwoord was voor die tijd in kloosters ongebruikelijk: liefhebbers eerst. Teunissen meldde zich ter plekke aan en kon meteen zijn koffertje pakken - eerst vier jaar naar Rome voor een hogere graad in de theologie, aansluitend naar Mozambique.

Daar was alles woest en ledig, zodat hij zijn theologietractaten in de dozen liet, ging leren stenen bakken en vrachtwagen rijden. Van een proefschrift, zoals de bedoeling was, kwam niets. Hij had gedacht dat hij tot zijn dood in Mozambique zou blijven. Dat werd voortijdig nog bijna werkelijkheid, toen hij net als zoveel mensen daar tbc kreeg. Maar voor een blanke pater ligt dat toch anders; zijn orde stuurde de doodzieke Teunissen meteen terug naar Europa; het tropenavontuur was na zes jaar voorgoed voorbij.

Sindsdien is hij in Duitsland werkzaam geweest, vooral in de zielszorg onder zielzorgers. Het concilie in de jaren zestig beleefde hij grotendeels van nabij, in Rome. In de algemene euforie van vernieuwing en aggiornamento (bij de tijd brengen) raakte hij enthousiast voor het 'aggiornamento' van het kloosterleven; voor Teunissen is dat niet iets modieus, laat staan het verwateren van de inhoud, maar een terug naar de bron, met gevoel voor de tekenen en de noden van de tijd.

Modern kloosterleven: dat vindt hij niet de non die op haar oude dag haar eigen flatje met bad en tv heeft 'verdiend' . Hij zucht. “Ik zou iemand afraden om zich daarbij aan te sluiten.” Het concilie heeft hem duidelijk gemaakt dat kloosterleven niet betekent 'niets hebben, niets zijn', waar vroeger veel nadruk op lag. Het gaat niet om het afstand doen van iets, maar om het er zijn voor de ander, legt hij uit. Daarom is het woord 'klooster' verkeerd, kloosterleven, kloosterling, waarin het woord claustrum meeklinkt: slot, afgesloten, afgezonderd. Hij spreekt liever van 'toegewijd' leven, 'toegewijden'. Wie in het 'klooster' treedt doet dat niet primair voor eigen zielenheil, om zelf maar zo vast en zeker mogelijk zalig te worden, maar omwille van de ander - om te laten zien wat kerk-zijn, christen-zijn is, niet in je eentje, niet in een 'klooster', maar in een open leefgemeenschap waar iedereen welkom is mee te doen.”

In de katholieke theologie is er inmiddels een stroming die primair uitgaat van het kerk-en-gemeenschap zijn - zeg maar de andere kant van de medaille, waar Petrus-de-Rots van Mattheus 16; 18 op staat.

Tot Teunissen's leedwezen wil men daar in Nederland maar geen kaas van eten, des te meer in landen om ons heen. Hier uit zich dat in de laatdunkende manier waarop over het ambt wordt gedacht en over de bisschop wordt gesproken. Het is Teunissen een raadsel hoe een parochiebestuur soms botweg weigert een pastoor te aanvaarden die de bisschop na ampel beraad benoemt, maar die hun niet bevalt. “Dat is vrijzinnig! Dat is protestants! Schaf dan de oecumene maar af, want dan zijn we al één!” In het katholieke idee van kerk en sacrament is zo'n benoeming fundamenteel als “van Christus die zendt en van de bisschop die dat zichtbaar maakt.” Hollandia docet? De oppervlakkigheid in katholiek Nederland stoort hem; men zou eens moeten luisteren naar theologen uit Duitsland, Amerika, Frankrijk. Van hen valt volgens Teunissen ook te leren dat 'hiërarchie' in de kerk niet een macht is waar je je tegen moet afzetten, maar een 'heilige ordening' van verantwoordelijkheid en charisma, waarbinnen het niet past zelf 'bisschopje' te spelen.

Het afgelopen jaar hebben de priesterstudenten uit Vogelenzang hun theologie-colleges in Amsterdam gehaald, bij de Katholieke theologische leergangen. Maar met ingang van het nieuwe studiejaar is dat afgelopen: 'Vogelenzang' wordt een echt seminarie, waar de lessen intern worden verzorgd. Terug in de afgesloten broeikas, om niet te zeggen in het 'klooster'? Teunissen geeft de verklaring: de studie zoals die 'buiten' werd aangeboden mist systematiek. Priesterstudenten weten van het geloof globaal helaas net zoveel als hun leeftijdgenoten: toeten noch blazen. Vanaf de eerste studiedag worden ze in de controversiële kwesties gegooid. Teunissen vindt het terecht dat het bisdom Haarlem daarvan afwil. Eerst systematisch kennis opbouwen van het katholieke denken en de leer. “Begrijp me goed: ik vind dat ze óók moeten leren over Hans Küng, die ik trouwens als theoloog best hoog heb. Maar je moet niet met hem beginnen of met de maagdelijke geboorte.”

Met het voorbeeld van de supersystematische theoloog Thomas van Aquino ( 1274) voor ogen wil hij dat aanstaande priesters zich grondig de leer van hun kerk eigen maken. Die leer is heel wat mooier dan men weet. Of dit voor de Vogelenzangertjes straks gunstig uitpakt hangt vooral af van de mensen die daar gaan doceren, want “het moet wel echt een systematische theologie van onze tijd zijn, niet van het verleden.”

Voor het eerst zullen ook de studenten van het omstreden instituut 'Redemptoris Mater' te Nieuwe Niedorp bij de lessen aanschuiven. Een tiental jonge mannen uit alle delen van de wereld, via het als een enge, extreem behoudende secte-binnen-de-kerk beschouwde Neocatechumenaat geronseld om priester te worden in het goddeloze Nederland, begint aldus aan hun integratie in de kerk van Noord-Holland. Hun komst indertijd naar Nieuwe Niedorp en de rol van de bisschop daarbij hebben het nodige tot de bewuste 'afneiging' bijgedragen. Pater Teunissen wacht af; hij was ook huiverig, hij kent de verhalen over het Neocatechumenaat, hij weet van hun eindeloze kerkdiensten, maar in contacten zijn de jongens hem aangenaam opgevallen.

Wat de eigen seminarie-populatie betreft wil Teunissen wel even rechtzetten dat het alleen nog kneuzen zijn die zich voor de priesterstudie aanmelden, psychisch en intellectueel onder de maat van de eisen. “Intellectueel is het bovengemiddeld,” zegt hij: “Een afgestudeerde hts-er, een piloot, een bedrijfskundige, een bankemployee - heus geen halve eitjes, al valt er best nog wat te schaven. Trouwens hoe minder roepingen, hoe strengere eisen je moet stellen.” Teunissen gelooft niet dat er te weinig zogenaamde roepingen zijn. Hij verwijst naar Samuel, die in zijn 'roeping' wegwijs werd gemaakt door de oude priester Heli. “Er zijn genoeg roepingen, maar te weinig Heli's. De crisis in de Nederlandse kerk zit niet bij de jongeren maar bij de veertigers en vijftigers. Ik begrijp niet dat sommigen van hen zo weinig van het leven hebben geleerd.”

Pater Teunissen ziet het ernstig in met gidsland Nederland. Hij gelooft er niet in; zijn scepsis reikt ook tot in de economie. Dat is ook bloei zonder wortel, zonder diepte, denkt hij, omdat het ten koste gaat van zoveel mensen onder het minimum.

Voor wat de kerk en het seminarie betreft is het nu erop of eronder. “Als we deze trein missen worden we door het leven gestraft,” zegt hij herhaaldelijk, bijna als een wapenspreuk. Die trein halen betekent voor Teunissen onder meer het kweken van goede priesters, die door het werk niet worden opgebrand. Hij vindt het verkeerd dat wegens de krapte jonge jongens meteen op eenzame posten zware verantwoordelijkheid krijgen. “De priester van de toekomst is er een die voor zijn werk en zijn spiritueel leven een gemeenschap heeft.”

Arnold Teunissen zal de aankomst van de trein niet actief meemaken. Als Vogelenzang goed op de rails staat vindt hij het tijd zelf alsnog de rust te zoeken. Maar wanneer Bomers en Punt dan komen aandringen en smeken, zal hij wel weer doorgaan? Zo onvoorwaardelijk is zijn toeneiging tot de bisschop nu ook weer niet; opnieuw die opgetrokken wenkbrauwen en blik van terzijde: “Daar ben ik zelf bij,” klinkt het on-duits.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden