Een prachtige prijs voor pensionado's

Komende week worden de Nobelprijzen toegekend. Vaak een eerbetoon aan grijze mannen voor ontdekkingen uit een ver verleden. Is de prijs der prijzen aan modernisering toe?

De Nobelprijs voor natuurkunde leek dit voorjaar een inkoppertje te worden. Amerikaanse astronomen hadden bewijs gevonden voor de theorie over de eerste momenten van het heelal na de oerknal. Deze inflatietheorie is al meer dan dertig jaar oud, wordt eigenlijk niet in twijfel getrokken, maar een experimenteel bewijs liet op zich wachten. Sterrenkundigen kunnen ver terugkijken in de tijd, maar niet helemaal tot de oerknal zelf. Ze moeten het doen met minieme variaties in licht dat van veel later datum is.

De euforie was groot toen de Amerikanen in maart beweerden dat het hun was gelukt. Maar sommige collega's waren kritisch. Het onderzoek deugde volgens hen niet. Vorige week kregen ze gelijk. Metingen van de Europese ruimtetelescoop Planck wezen uit dat de Amerikanen helemaal geen reliek van de oerknal hadden gezien. Het effect dat ze gemeten hadden, werd veroorzaakt door interstellair stof in de Melkweg.

De bedenkers van de inflatietheorie, Alan Guth en Andrei Linde, mogen hun reisje naar Stockholm dus weer annuleren. Voor deze twee mannen, beiden achter in de zestig, begint de tijd te dringen. En dat past precies in de trend die het tijdschrift Nature in april signaleerde. De tijd tussen een wetenschappelijke ontdekking en de beloning met de Nobelprijs wordt steeds langer, schreef het wetenschapsblad. In de eerste decennia van de Nobelprijs zat daar zelden meer dan twintig jaar tussen, maar sinds 1985 is meer dan de helft van het beloonde onderzoek zo oud. Bij de natuurkundeprijs gaat het zelfs om 60 procent. Als deze trend doorzet, concludeerden de auteurs, zijn aan het eind van deze eeuw de potentiële winnaars niet meer in leven.

Zie je wel, reageerde de Amerikaanse publicist John Horgan, bekend van de bestseller 'The End of Science'. "De wetenschap raakt door haar ideeën heen. Met name van de fundamentele natuurkunde zijn geen grote revoluties meer te verwachten, hooguit wat marginale toevoegingen."

Spannende experimenten

De ontdekking van het Higgsdeeltje in 2012 was een triomf van de fysica, maar onderstreepte tegelijk de problemen van het vakgebied, beweerde Horgan. "Peter Higgs en Francois Englert kregen er vorig jaar de Nobelprijs voor, maar hun theorie die het deeltje voorspelde, was toen al een halve eeuw oud."

Hans Clevers, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, kan zich wel iets bij die gedachte voorstellen. Voor een buitenstaander lijkt het erop dat de natuurkunde tot staan is gekomen en dat fysici zich verliezen in theorieën met een hoog abstractieniveau, zoals de snaartheorie. "Toen ik mijn zoon dit jaar hielp met zijn eindexamen, viel het mij op dat de stof van natuur- en scheikunde nagenoeg identiek is aan wat ik zelf veertig jaar geleden op school kreeg. De biologie daarentegen is volledig vernieuwd."

Onzin, reageert Stan Bentvelsen, de kersverse directeur van het Nikhef, het onderzoeksinstituut voor deeltjesfysica in Amsterdam. De natuurkunde bruist juist van de creativiteit. "Na de ontdekking van Higgs zijn er weer talloze ideeën ontstaan over hoe de wereld eruit ziet. Ideeën over donkere materie, over kosmische straling. Allemaal met de potentie om iets wezenlijk nieuws toe te voegen aan de fysica."

Er is wel een probleem met de experimentele bevestiging van die ideeën, erkent hij. Daar zijn steeds grotere apparaten voor nodig. Aan de deeltjesversneller in Genève, waarmee het Higgs-deeltje is ontdekt, is meer dan acht jaar gewerkt en het apparaat heeft vele miljarden gekost. Bentvelsen: "Volgend jaar gaat de versneller op volle kracht draaien en zullen we er veel spannende experimenten mee doen. Maar voor sommige ideeën zijn machines met veel extremere energieën nodig."

Ook volgens Gerard 't Hooft zit het probleem in dat experimentele bewijs. "Op zich is het een goed principe van het Nobelcomité: een theorie moet onomstotelijk vaststaan voordat je er de prijs aan toekent", zegt de Utrechtse natuurkundige die in 1999 samen met Martin Veltman de Nobelprijs won.

Een 'lollige koppenmaker' zette onlangs boven een interview met hem dat 'onze ideeën nu even op zijn'. Maar dat had 't Hooft niet gezegd. "Aan ideeën geen gebrek, al zijn echt goede ideeën schaars. Ideeën die het vak een nieuwe wending geven. Maar het bewijs vergt steeds meer tijd en inspanning. Ook bij ons zat er meer dan 25 jaar tussen. En dan moet je een beetje geluk hebben. Supersymmetrie is in de jaren zeventig bedacht en het was best een goed idee. Zeker Nobelprijswaardig, maar ja, het is nog nooit aangetoond en inmiddels zijn de meeste bedenkers overleden."

Dossier opbouwen

Het Nobelcomité wil absoluut geen fouten maken, zegt Clevers. "Het is de laatste prijs die je als wetenschapper kunt winnen. Daar mag achteraf geen kritiek op komen. Daarom bouwen ze elke keer een dossier op, zodat ze een compleet verhaal hebben. Daar gaat wel tien of vijftien jaar overheen."

Hij wijst op de Nobelprijs voor geneeskunde die in 2008 naar het aidsvirus ging. Dat was bijna een kwart eeuw na dato. "In 1984 publiceerde de Amerikaan Robert Gallo er als eerste uitgebreid en spectaculair over, maar al snel was het in de wetenschappelijke wereld duidelijk dat niet Gallo maar de Fransman Luc Montagnier de ware ontdekker was. Gallo had hem om een monster gevraagd en bracht het vervolgens razendsnel naar buiten alsof het zijn eigen ontdekking was. Het aidsvirus verdiende absoluut een Nobelprijs maar eer het comité tot toekenning kon overgaan, moest het hele verhaal duidelijk zijn. Daar is veel overleg aan voorafgegaan, tot op regeringsniveau toe. Uiteindelijk heeft Montagnier hem samen met zijn assistente Francoise Barré gekregen. En Gallo niet."

Vanwege die zorgvuldigheid is het prestige van de Nobelprijs zo groot, zegt Jeroen van Dongen, hoogleraar geschiedenis van de natuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. "Ze hebben over het algemeen een goede hand gehad met hun keuzes. Het is de prijs der prijzen geworden, een eerbetoon met een lange traditie. Wie hem wint, komt in illustere rijtjes met alleen grote namen, zoals Röntgen en Einstein. En het gaat om veel geld natuurlijk - dit jaar bijna 900.000 euro."

Amerikaanse afgunst

Alleen begint het een prijs voor pensionado's te worden, de roem straalt niet meer af op het instituut. Mede om die reden zijn er de laatste jaren grote wetenschapsprijzen bijgekomen. De Kavli prijs (miljoen dollar voor de winnaars) of de Breakthrough prijs (drie miljoen dollar). De organisaties werken sneller - Guth en Linde kregen hem vorige maand voor hun oerknaltheorie - en er zijn 'modernere' vakgebieden, zoals de neurobiologie of de astrofysica. Het zijn vaak Amerikaanse prijzen; Fred Kavli was een Noorse industrieel die in de VS fortuin maakte en de Breakthrough prijs is een initiatief van onder anderen Mark Zuckerberg van Facebook.

"Er zit ook wat Amerikaanse afgunst achter", zegt Clevers, die vorig jaar meedeelde in de Breakthrough prijs voor levenswetenschappen. "Ze balen ervan dat de grootste wetenschapsprijs door Zweden worden toegekend. Maar het duurt nog wel een jaar of vijftig eer deze prijzen de Nobelprijs zouden kunnen overvleugelen."

In één opzicht steken die nieuwe prijzen Nobel de loef af: ze zijn niet gebonden aan het maximum van drie winnaars. "Wat dat betreft kan de Nobelprijs wel wat aanpassing gebruiken", zegt deeltjesfysicus Bentvelsen. "We leven niet meer in een tijd waarin één genie op een zolderkamertje tot geweldige ideeën komt. Wetenschap is teamwork geworden. Ik zou het heel charmant vinden als het Nobelcomité dat zou kunnen honoreren. Nu zoeken ze in zo'n geval nog heel krampachtig naar de leider van het team. Daar mogen ze flexibeler in worden."

Hij weet ook wel welk team dan voor een prijs in aanmerking komt: de duizenden onderzoekers van het Cern die twee jaar geleden meewerkten aan de ontdekking van het Higgs-deeltje. En daar zit ook meteen een ander pijnpunt. De prijs gaat altijd naar bedenkers en zelden naar degenen die het idee bevestigen. Alsof dat geen formidabele prestatie is. Bentvelsen: "Laat ik het gechargeerd zeggen. Een theoreticus kan elke week een nieuw idee verzinnen, maar het experimentele bewijs vergt vaak jaren werk."

Wellicht houdt het Nobelcomité graag vast aan het romantische beeld van de geniale wetenschapper. In de beginjaren van de prijs had de samenleving dat beeld veel meer, zegt historicus Van Dongen. "Wetenschappers waren beroemdheden, die vaak in de societybladen stonden."

Nu zijn het vaak grijze mannen die niet echt tot de verbeelding spreken. "In Nederland misschien", zegt Clevers. "Wij eren onze winnaars nauwelijks. De meeste kennen we niet eens. Maar in een land als Japan staan ze op een voetstuk hoor."

De Nobelprijs niet meer van deze tijd? Juist wel, zegt laureaat 't Hooft. "Het vakgebied krijgt er een gouden randje van. De prijs geeft jongeren een enorme stimulans om ook die richting uit te gaan. Kijk, is de boodschap, als je iets belangrijks ontdekt, mag je naar Stockholm."

't Hooft: "Vergeet niet: mensen ontdekken graag iets nieuws. Ik kan het weten, ik krijg dagelijks brieven van mensen die beweren iets nieuws te hebben bedacht."

Wint Allison met zijn immuuntherapie?

Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de Nobelprijs gaat. Ieder jaar verschijnen er lijstjes met favorieten, maar de winnaar staat er zelden tussen.

Niettemin, voor de geneeskunde, waarmee maandag traditioneel het bal wordt geopend, wordt vaak James Allison genoemd, vanwege zijn immuuntherapie. Hij werd in het begin weggehoond, zegt Hans Clevers. "Het was onmogelijk, dacht men, dat het immuunsysteem zich tegen kankercellen zou keren." Maar de laatste vijf jaar is het tij gekeerd. Er zijn geneesmiddelen op de markt die werkzaam zijn volgens dit principe. De tijd lijkt dus rijp voor Allison.

Dinsdag is de natuurkunde aan de beurt en de planetenjagers Geoffrey Marcy en Michel Mayor gooien hoge ogen. Planeten die om een andere ster dan de zon draaien. "Deze mensen hebben laten zien dat je ze kunt ontdekken door op het wiebelen van de ster te letten", zegt Gerard 't Hooft.

Bij de chemie is de winnaar vrijwel niet te voorzien. De prijs gaat hier vaak naar een ontdekking buiten de echte scheikunde, naar iets uit de fysica soms, of de biologie of de geneeskunde.

Deeltjesfysicus Stan Bentvelsen weet nog wel een kandidaat voor de vredesprijs: het Cern in Genève met zijn versneller. "Daar werken duizenden wetenschappers samen. Van alle nationaliteiten. Indiërs naast Pakistani, Israeliërs en Palestijnen, Russen en Amerikanen. Cern bestaat nu zestig jaar. Als het dan niet de fysicaprijs kan krijgen, zou ik die voor de vrede een mooi alternatief vinden."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden