Een prachtig neveneffect: door de verbouwing van het Rijksmuseum gaat de collectie op reis. En daar knapt de kunst van op!

Het Dordrechts Museum en het Drents Museum in Assen 'doen' de negentiende eeuw. Het Gemeentemuseum Weesp en het Rijksmuseum Twenthe in Enschede 'doen' de achttiende, en het Maastrichtse Bonefantenmuseum neemt de vijftiende en zestiende eeuw voor haar rekening. Tegelijk heeft het Rijks zelf de zeventiende eeuwse glorie in haar 'Meesterwerken'-tentoonstelling opgesteld, zodat met een beetje fantasie de chronologie van de voor-moderne Nederlandse kunstgeschiedenis intact is gebleven. Een hele toer, want ga maar na: er is in Nederland geen ander museumgebouw waarin de museumcollectie van het Rijksmuseum Amsterdam kan worden getoond dan het Rijksmuseumgebouw zelf. En ook dat kon de immense collectie nooit helemaal aan. Permanent ruimtegebrek, eigenlijk al vanaf de opening in 1885, was een belangrijke reden het hoofdgebouw tot 2008 te sluiten en de boel van binnen grondig te verbouwen.

Met de sluiting kon het Rijks twee kanten op. De collectie kon voor vijf jaar worden ingepakt en opgeslagen, wat logistiek gezien veruit de gemakkelijkste optie zou zijn geweest, óf de collectie kon in delen worden uitgeleend om tentoongesteld te worden. Dat het laatste het geval is, is een zegen voor kunstminnend Nederland. Niet alleen blijven de bekende topstukken gedurende de verbouwing voor iedereen toegankelijk. Belangrijk is ook dat de enorme hoeveelheid depotstukken en stukken uit de 'studiecollectie' van het Rijks - waarmee op zichzelf al een middelgroot museum gevuld kon worden - nu gewoon op zaal te zien zijn. Veel daarvan is maar bij weinigen bekend, en nu het hangt blijkt hoe onterecht dat vaak is. Zie bijvoorbeeld het prachtige doek van Thérèse Schwartze (1851 - 1918), 'Jonge Italiaanse vrouw met de hond Puck' (1885) dat nu in het Drents Museum in Assen wordt getoond, of het 'Portret van een jongen met teekenboek' van Nicolas Bernard Lépicié (1735 - 1784) in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Van beide stukken valt de mond open van verbazing: hebben we dat ook nog in Nederland?

Dit effect blijft zich maar herhalen in de eerste vijf tentoonstellingen (van in totaal tien) die recent geopend zijn. En dat is niet in de minste plaats toe te schrijven aan de medewerkers ter plekke. De conservatoren van de musea hebben op tijd ingezien wat voor unieke taak hen te wachten stond, en hebben alles op alles gezet iets bijzonders te maken van de periode dat de Rijksmuseumkunst bij hen logeert. Het Gemeentemuseum Weesp heeft bijvoorbeeld het eigen, achttiende eeuwse 'Weesper porselein' gemengd met dat van het Rijks, zodat nu de grootste tentoonstelling ooit van het oudste Nederlandse porselein te zien is. Het Bonnefantenmuseum in Maastricht nam de gelegenheid te baat om een volledig overzicht te bieden van de (Zuidelijk-Nederlandse) beeldende kunst van de vijftiende en zestiende eeuw. Hiervoor werd flink bijgeleend van het Utrechtse Catherijne Convent en van het Instituut Collectie Nederland (ICN), om de rijkdom van de periode in alle facetten te kunnen tonen. Hier hangt alweer zo'n onbekend werkje, ditmaal van het ICN, dat in het oog blijft hangen, een kerkinterieurtje van Hendrik van Sneewijck II uit 1617 dat 'De bevrijding van Petrus' is gedoopt. Het kleine schilderij hangt er bijna als vermanende vinger tussen de bekendere reuzen: zie mij goed en schaam je diep dat je mij zo lang in depot hebt gehouden.

En zo is het in alle gastmusea: een verfrissende mix van herkenning en vernieuwing, van ontdekking en herontdekking waait je tegemoet. De musea mengen delen van de Rijksmuseumcollectie met de eigen collectie, laten dwarsverbanden en verwijzingen zien en stoffen met liefde de winkeldochters van het Rijks voor je af. Zo poetst het Drents Museum de Art Nouveau-sierraden en het negentiende-eeuwse zilver extra voor ons op in een voorbeeldig ingerichte presentatie. Iets verderop staat Art Nouveau-meubelen, en aardewerk van de hand van ontwerpers Bert Nienhuis en Th.A.C. Colenbrander, van wiens hand ook een prachtige serie in het Dordrechts Museum staat opgesteld. Bij al deze voorwerpen voel je bij wijze van spreken de bevrijding uit de zwaar verouderde presentatie op de afdeling Kunstnijverheid van het Rijks. De tegenstelling met die bedompte, verborgen en labyrinthische zalen kon haast niet groter. De prachtige kunstvoorwerpen ademen weer, fleuren op bij het licht, de lucht en ruimte eromheen.

Dit geldt ook voor de negentiende-eeuwse schilderkunst die in het Dordrechts Museum is te zien. Dordrecht en Amsterdam hebben beiden een belangrijke en omvangrijke collectie negentiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst, beiden afkomstig van een verzamelend echtpaar met oog voor schoonheid. In Dordrecht is de Amsterdamse collectie nu op zo'n krachtige wijze met de eigen collectie gemengd dat er zich aan de muren een competitie lijkt af te spelen tussen kunstwerken. Hier, spreekt het van de muren, kijk mij eens hangen, trots, vitaal Nederlands kunstwerk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden