Een potje matchfixing tegen de afhaal-Chinees

Trouw-redacteur Jonah Kahn verdiende ooit zijn brood als pingpongprof. Hij speelde het spel altijd eerlijk, totdat de trainer op een dag naar hem toekwam met een moeilijke vraag.

Je kunt de sportpagina's niet meer openslaan of je komt berichten over bedrog tegen. Als het niet om dopingzondaars en corrupte sportbobo's gaat dan wel over matchfixing. U weet wel, meedogenloze goksyndicaten die door louche tussenpersonen gewetenloze sporters zover krijgen om een wedstrijd expres te verliezen. En dat uiteraard tegen een riante vergoeding, want gokken op een uitslag die al vaststaat is nóg lucratiever. Althans, dat zijn de associaties die de meesten hebben met matchfixing.

Zelf moet ik aan heel andere dingen denken als ik weer eens lees over een verkocht duel. Aan Mortsel, een stadje tegen Antwerpen aan waar je niet per se geweest moet zijn. In een vorig leven als pingpongprof verdiende ik daar een jaartje mijn brood, bij een club die een veredelde garage als thuisbasis had. Het was de tijd waarin we nog net met guldens en franken betaalden, naar flippo's zochten in onze chipszakken en Paul de Leeuw haar had. Kortom, de wereld was nog overzichtelijk.

Na jaren in de Nederlandse eredivisie wilde ik weleens wat anders, het buitenland lonkte. Duitsland was even een optie, maar het werd België, waar ik in een team belandde dat redelijk meekon in de Superliga. We deden niet mee om de bovenste plaatsen, maar hoefden evenmin te vrezen voor degradatie.

Bij Immo Mortsel, zoals mijn club heette, werkte een Chinese trainer. Hij was zelf ooit een topspeler geweest, had in Nederland en Duitsland gespeeld en liet je nog steeds alle hoeken van de tafel zien. Bij hem trainen was afzien. Hij liet je heen en weer rennen tot je tong op je batje hing. Moe? Niets mee te maken. Een echte kei was die man, ik had veel respect voor hem.

Op een dag kwam de trainer naar me toe. Hij keek een beetje moeilijk, en ik kwam er gauw achter waarom. Het ging over onze eerstvolgende wedstrijd. Bij de tegenstander speelde een Chinees in het team, een bekende van de trainer. Probleem was alleen dat de goede man geen held was achter de tafel. Ja, die Chinezen bestaan ook, zoals er ook Nederlanders zijn die niet zo goed kunnen schaatsen. Hoe deze speler bij een club in België terecht was gekomen, was een raadsel. Heel veel clubs in Europa huren Chinezen in - afhaal-Chinezen noemden we ze in die tijd - en meestal zijn ze steengoed. Maar net als in het echte leven valt de afhaal-Chinees soms tegen.

"Hij heeft problemen, hij wint niet veel", zei de trainer. "Als hij blijft verliezen, wordt hij waarschijnlijk teruggestuurd naar China en krijgt hij niet betaald." Dat was de opmaat naar de moeilijke vragen die volgden: "Wil jij van hem verliezen?" En: "Wat wil je ervoor hebben?"

Ik weet nog goed dat het toen druk werd in mijn bovenkamer. Expres een wedstrijd verliezen, dat hoorde niet, dat was valsspelen. Dat kon ik toch niet maken tegenover mijn club, tegenover mezelf en eigenlijk ook niet tegenover mijn tegenstander. En ik kreeg er ook nog geld voor geboden. Omkoping. Dit ging tegen al mijn principes in. Aan de andere kant kwam het verzoek van iemand die ik heel hoog had zitten, iemand die mij vroeg om een mede-pingponger in nood te helpen. Een daad van naastenliefde dus. Kortsluiting tussen de oren.

Zoals Groucho Marx ooit zei:

'Dit zijn mijn principes, en als ze je niet bevallen, dan heb ik andere.' Zo ging het ongeveer ook met mij. "Oké, ik doe het", zei ik na enige aarzeling. "Maar ik wil er geen geld voor hebben", voegde ik eraan toe, vermoedelijk in een poging mijn tegensputterende geweten nog enigszins tegemoet te komen. "Nee, ik wil je er wel wat voor geven", zei de trainer. "Spullen dan. Wat denk je van deze tas?" Hij wees naar zijn sporttas, een heel mooi retro-exemplaar van Adidas. Ik wist dat mijn vriendin daar wel van hield, dus dan kon zij hem krijgen. "Is goed", zei ik. "Doe die dan maar." Tot zover mijn principes.

Een wedstrijd expres verliezen klinkt eenvoudiger dan het is, zeker als niemand mag weten dat de uitslag gemanipuleerd wordt. Er met de pet naar gooien is geen optie: veel te opvallend. Goed spelen is ook riskant: als je niet oppast win je die pot. Het moet allemaal net echt lijken, inclusief de teleurstelling na de nederlaag.

Op de bewuste dag moest ik dus een toneelstukje opvoeren, eentje waar ik geen ervaring mee had. Wat het nog onwerkelijker maakte: ik moest dus expres verliezen van een Chinees. Om het even in perspectief te plaatsen: iemand vragen expres van een Chinese tafeltennisser te verliezen is zoiets als Helmond Sport vragen van Ajax te verliezen, of een Nederlandse langlaufer verzoeken een Noorse collega te laten winnen.

Ik weet nog goed dat het in de praktijk inderdaad een knap lastige wedstrijd was. Lastig, want zonder de druk van het moeten winnen - één van de grootste obstakels in de topsport - speelde ik ontspannener dan ooit. Ballen missen - meestal geen enkel probleem bij tafeltennis - was plotseling een uitdaging. En de afhaal-Chinees bakte er natuurlijk ook niet veel van. Een wonderlijk potje pingpong, tussen iemand die niet kon en iemand die niet wilde winnen. Uiteindelijk slaagde ik in mijn missie, ternauwernood, want het werd nog aardig spannend. Na de krappe nederlaag trok ik een zuur gezicht, feliciteerde mijn tegenstander en ging stilletjes naast mijn teamgenoten zitten. Niemand had bij mijn weten iets gemerkt.

Bijna twintig jaar later schaam ik me nog steeds een beetje voor wat ik gedaan heb. Ik begrijp het ook niet, want mijn daad past niet bij het beeld dat ik van mezelf heb. Ik zie mezelf als een eerlijk persoon: als ik een portemonnee vind dan bezorg ik die (inclusief inhoud) zeker bij de eigenaar terug, als ik ten onrechte geprezen word, corrigeer ik dat en ook als pingponger ben ik altijd sportief geweest. Hoe kan het dan dat ik me heb laten verleiden een wedstrijd te verliezen?

Misschien ben ik toch niet zo eerlijk als ik denk. Of misschien ben ik wél zo eerlijk als ik denk, maar doen eerlijke mensen soms gewoon oneerlijke dingen. Zijn we niet allemaal in staat tot oneerlijk gedrag, als de situatie daartoe uitnodigt? Hebben we niet allemaal weleens een kind laten winnen bij ganzenbord of mens-erger-je-niet? Is dat niet ook een vorm van matchfixing?

Aan de andere kant heb ik een medemens geholpen en viel de schade mee: ik heb geen gokkers verrijkt met mijn bedrog en mijn club kwam niet in de problemen. Zelf ben ik er ook niet beter van geworden; de sporttas was een symbolische vergoeding.

En de belabberde afhaal-Chinees? Die profiteerde ook nauwelijks van zijn overwinning, want hij kon aan het einde van het seizoen alsnog zijn biezen pakken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden