Een pot hete thee op een Vermeer is onesthetisch

Rijksmuseum Twenthe, Lasondersingel 129-131 in Enschede is vanaf morgen weer open voor het publiek. Openingstijden: dinsdag tot en met zondag van 11.00 tot 17.00 uur. Het museum ligt op circa 10 minuten loopafstand van het NS Station.

Drs. Dorothee Cannegieter, directeur van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede, heeft uitgesproken ideeën over wat kan en niet kan in de strijd van musea, om via de verkoop van souvenirs en gebruiksvoorwerpen het budget op te krikken. “Wij willen als musea toch zo graag de grens tussen kunst en kitsch aangeven? Dan moet je zelf geen prullaria gaan verkopen.”

Voor Cannegieter is het vandaag een glorieuze dag. Na twee jaar van verbouwing wordt 'haar' museum vanmiddag officieel heropend. Er is voor veertien miljoen gulden verspijkerd in het museum, dat in 1930 door de textielfamilie Van Heek aan de staat der Nederlanden werd geschonken.

De heren fabrikanten worden in retrospectief doorgaans neergezet als feodale ondernemers, die het textielproletariaat uitbuitten tot op het bot. Naar de huidige maatstaven waren zij inderdaad weinig sociale werkgevers. Maar de schenking van het Rijksmuseum Twenthe mag worden gezien als een bijdrage 'tot nut van het algemeen'.

De bouwkosten van het 'nationaal museum voor schone kunsten' bedroegen 380 000 gulden, een kapitaal bedrag voor die tijd. Bovendien kreeg het museum de omvangrijke schilderijencollectie van Jan Bernhard van Heek van de familie cadeau. Schrijver Jan Cremer, Enschedees bekendste literaire zoon én provocateur, deed de schenking later in één van zijn boeken af, als een 'poging van de fabrikanten om de rest van Nederland te laten zien dat ze in Enschede niet helemaal achterlijk waren'.

Wat het motief ook geweest mag zijn, Enschede heeft een museum dat de moeite waard is. Zeker na de ingrijpende verbouwing. Directeur Cannegieter reageert een beetje kriebelig op de vraag, hoe ze de twee jaar is doorgekomen, dat het museum gesloten was. “Man, ik ben nog nooit zo druk geweest. Ik heb me dagelijks met de verbouwing bemoeid, heb het hele land afgereisd om bruiklenen te krijgen en ben tijden aan het passen en meten geweest, welk schilderij op welke plek het best tot z'n recht zou komen.”

De architectuur van de nieuwbouw en de verdwijning van de Oudheidkamer Twente uit het museum - sommigen spreken over verbanning - heeft de gemoederen bezig gehouden in de regio. Architect Ben van Berkel, bekend als schepper van de Erasmusbrug in Rotterdam, heeft nieuw tegen oud geplaatst. De vormgeving van de nieuwbouw is strak, met veel schuine lijnen, en contrasteert scherp met het oude gebouw, dat veel weg heeft van een bastion.

De 30 000 kilo wegende zwerfkei, die 66 jaar de ingang van het museum markeerde en op menige ansichtkaart met 'Groeten uit Enschede' was afgebeeld, heeft plaats gemaakt voor een schuin oplopende invaliden-opgang van beton met een uitkragende leuning van aluminium. Dat is wennen voor het behoudende volksdeel van Enschede, dat al in het geweer kwam, toen Cannegieter het enkele jaren geleden waagde om een lichtkrant aan de klassieke museumgevel te monteren. De oudste zoon van Jan Herman van Heek droeg zijn steentje bij aan de discussie, door in de regionale krant Twentsche Courant/Tubantia te laten weten, dat door de verbouwing 'het typische karakter van het museum is verdwenen'.

Directeur Cannegieter haalt er haar schouders over op. “Veel mensen kijken niet met hun ogen, maar met vooroordelen naar nieuwe dingen. Er zal altijd wel wat de mopperen blijven. Maar men zal mij moeten nageven, dat ik in het bestaande deel niets heb veranderd. Zelfs de vloertegels, die ik persoonlijk aartslelijk vind, heb ik laten liggen.”

In één adem wil ze ook nog wel even kwijt, dat zij het niet is geweest die de Oudheidkamer Twente het museum heeft uitgeschopt. Want dat is een andere steen des aanstoots. “Dat was een consequentie van de die 'nota-Brinkman' uit 1985. Als we de status van Rijksmuseum wilden behouden, moest de Oudheidkamer weg. Dat besluit is al voor mijn komst genomen. Dat het mij nog voortdurend wordt nagedragen, zit me werkelijk tot hier”, zegt ze, wijzend op haar strottenhoofd.

Waarmee niet gezegd is dat Cannegieter het er niet mee eens is, dat de harnassen, potscherven en het préhistorische skelet van 'De Man van Mander' niet meer te bezichtigen zijn in het Rijksmuseum Twenthe. “Dit museum had een onduidelijk imago; we hadden van alles wat. Bezoekers die kwamen voor doeken van Van Gooyen, Appel of Monet, vielen om van verbazing, dat we een groot deel van de ruimte hadden gereserveerd voor opgegraven munten en potscherven. En liefhebbers van dino's en potscherven komen niet voor 'oude meesters'. Wij zijn nu een museum voor beeldende kunsten; da's duidelijk.”

Daar is niets te veel aan gezegd. Door de gedwongen verhuizing van de Oudheidkamer Twente en de realisatie van ruim 900 meter nieuwe expositieruinte, is het aantal 'oude meesters' dat te bezichtigen valt, verdubbeld tot circa 400. Het depot is nagenoeg leeggehaald.

Doeken van Renoir, Redon en Hals, die wegens ruimtegebrek in de kelder waren opgeslagen, hebben nu de plek gekregen waar ze recht op hebben. Nieuw is een zaal met achttiende-eeuwse kunst, volgens Cannegieter in de Nederlandse musea 'een ondergeschoven kindje'.

“We hebben een dertigtal schilderijen en prachtige meubels uit de achttiende eeuw uit rijksbezit aan onze vaste collectie kunnen toevoegen. Die schilderijen hebben in ministeries en ambassades gehangen. Ze zijn in Den Haag net op tijd tot de ontdekking gekomen, dat sigarenrook niet bevorderlijk is voor de conditie van schilderijen”, zegt ze, wijzend op een doek van Cornelis Speelman, één van de bekendste exponenten van het achttiende eeuwse schildersgilde.

Dorothee Cannegieter is al negen jaar directeur van het Rijksmuseum Twenthe, maar vindt dat het museum 'er nu pas uitziet, zoals het er hoort uit te zien.' “We zijn in de tijd dat ik hier zit, van een privatiseringsronde naar een reorganisatie gehobbeld en van een reorganisatie naar een verbouwing. Nu is de tijd daar om het museum in het land en in het Duitse grensgebied te verkopen, want met een jaargemiddelde van ruim 25 000 bezoekers krijgt onze collectie niet de aandacht waar ze, gezien de kwaliteit, recht op heeft.”

Nieuw is een expositieruimte van een kleine 400 meter voor wisselende tentoonstellingen. Ter ere van de nieuwe afdeling met achttiende-eeuwse kunst, is dat een expositie rond feesten in die tijd: 'Een groot gedruis en eene onbesuisde vrolykheid'. Deze tentoonstelling loopt parallel met de verschijning van een boek onder dezelfde titel. De auteurs - de Rotterdamse hoogleraar prof. Willem Frijhof, conservator Marieke Knuijt van kasteel Amerongen en de bij de Rijksdienst beeldende kunst werkzame Frans Grijzenhout - schetsen in ruim 150 pagina's Nederlandse feestgebruiken in de achttiende eeuw.

Het 'groot gedruis' en de 'onbesuisde vrolykheid' worden tot met 5 januari 1997 tastbaar gemaakt door het tentoonstellen van schilderijen, tekeningen, brieven en gebruiksvoorwerpen rond kerkelijke, politieke en persoonlijke feesten uit de periode van de 'Bataafse Republiek' en de jaren daarna. Liederlijke zuip- en schranspartijen zoals we die uit de Bruegheliaanse tijd kennen, waren in de achttiende eeuw geen gemeengoed meer. “Maar die periode was qua feesten een stuk minder saai dan wordt vermoed”, weet kunsthistoricus drs. Paul Knolle, die nauw betrokken is bij de inrichting van de expositie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden