Een Portugese kurk en een Duitse magnetron

Wat onder de kurk zit blijft doorgaans goed. Echter vijf procent van de wijn verliest zijn smaak door micro-organismen en vluchtige chemische stoffen die uit de kurk vrijkomen. Het probleem is al eeuwen bekend. Er wordt al decennia onderzoek naar gedaan. En Duitse onderzoekers hebben nu de oplossing gevonden; haal de kurken door een fors uitgevallen magnetron; de micro-organismen worden gedood en de vluchtige stoffen verdampen. De behandelde kurk zal de smaak van de wijn niet aantasten.

Dat is nog eens nuttig onderzoek. En daar het project werd gesubsidieerd door de Europese Unie liet EU-onderzoekscommissaris Philippe Busquin zich met genoegen rondleiden door de fabriek van de Portugese kurkenproducent Juvenal Ferreira da Silva, eind vorige week op de laatste dag van het Portugese voorzitterschap van de EU.

De directeur van Juvenal, gevestigd in de buurt van Porto, stamt uit een gezin met zestien kinderen. Van de 300 mensen die in zijn fabriek werken zijn er meer dan 40 rechtstreeks familie. De rest is familie in overdrachtelijke zin, zegt hij. De grootste zorg van Juvenal is de concurrentiepositie van kurk. Als vijf procent van de wijn wordt verpest door de kurk, komt dat neer op een economische schade van - wereldwijd - meer dan 1 miljard gulden. En hoewel kurk gevoelsmatig bij wijn hoort, is die schade groot genoeg om bottelaars te doen overstappen op andere afsluiters.

In sommige Europese landen is een derde van de wijnflessen al voorzien van een aluminium dop. Wereldwijd wordt 10 procent van de wijnflessen afgesloten met een synthetisch materiaal. Juvenal exporteert zijn kurken naar alle uithoeken van de wereld. Het voortbestaan van de onderneming is afhankelijk van de concurrentiepositie van het natuurproduct.

De oplossing met de microgolven had ook zonder de Europese Unie gevonden kunnen worden. Maar de subsidieregeling die Brussel heeft voor projecten als deze, vormde het zetje dat nodig was om de Portugese en Spaanse kurkproducenten samen te brengen met Duitse onderzoekers. Het kurkproject kostte de EU slechts een miljoen gulden, terwijl de economische baten ervan vele malen groter zijn. Busquin kan tevreden zijn. Is hij ook, maar tegelijk maakt de EU-commissaris zich zorgen omdat Brussel veel tijd, geld en energie steekt in heel veel kleine projecten.

Het Kaderprogramma voor wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling van de EU was ooit het domein van grote ondernemingen, instituten als TNO en universitair onderzoekers. In de vorige, vierde, editie van dat vierjarige Kaderprogramma werden speciale regelingen getroffen om deelname aantrekkelijk te maken voor midden- en kleinbedrijf (MKB). Met succes: aan het Vierde Kaderprogramma (1994-1998) namen 14 000 kleine en middelgrote ondernemingen deel, driemaal zoveel als aan het Derde Kaderprogramma. Vorig jaar begon het Vijfde Kaderprogramma, en opnieuw is de belangstelling van het MKB groot.

Busquin wil de kleine en middelgrote ondernemingen niet wegjagen. Zij zijn de belangrijkste scheppers van nieuwe werkgelegenheid. Maar de Belgische EU-commissaris heeft voor het Kaderprogramma heel andere prioriteiten op het oog. In het Kaderprogramma gaat jaarlijks een subsidiebedrag om van zo'n acht miljard gulden. Dat lijkt veel geld, maar het is slechts vier procent van wat de EU-lidstaten aan onderzoek uitgeven. In de wereld van wetenschap en technologie is de EU een kleine speler; de dienst wordt uitgemaakt door de nationale overheden. En Busquin zoekt naar middelen om grip te krijgen op het nationaal beleid van de vijftien lidstaten.

Begin dit jaar lanceerde Busquin zijn plan voor een 'Europese onderzoeksruimte'. Daarmee wilde Busquin de EU-lidstaten verlokken tot een onderlinge afstemming van hun onderzoeksactiviteiten. Het plan bevat onder meer voorstellen voor Europese Centers of Excel lence (netwerken van gespecialiseerde onderzoeksgroepen in verschillende lidstaten), voor snelle elektronische netwerken tussen Europese onderzoekers, voor een betere uitwisseling van studenten en onderzoekers, en voor een openstelling van nationale onderzoeksprogramma's voor buitenlandse deelnemers.

Het plan voor een Europese onderzoeksruimte werd vooral bejubeld in academische kringen. Busquin sprak hun taal. Zijn voorganger, Edith Cresson, maakte zich vooral druk over de industrie die moest opboksen tegen sluwe Japanners en krachtige Amerikanen. Ze liep zich het vuur uit de sloffen voor de auto-industrie, de luchtvaartindustrie en de elektronica. Busquin daarentegen liet zich zien als iemand die oog heeft voor het belang van fundamenteel - academisch - onderzoek.

Busquin kreeg daarom de nodige kritiek van de Europese industrie te verwerken. Ernstiger voor het lot van zijn plan is echter de houding van de lidstaten. Hoewel het plan voor een Europese onderzoeksruimte door de ministers van onderzoek - voor Nederland zijn dat Hermans van wetenschapsbeleid en Jorritsma van economische zaken - met gepaste waardering in ontvangst werd genomen, hebben de lidstaten de afgelopen maanden duidelijk gemaakt niet te hard van stapel te willen lopen. Het openstellen van de eigen, nationale onderzoeksprogramma's voor buitenlandse deelnemers bijvoorbeeld is een bijzonder gevoelig punt. Lidstaten zijn best bereid dat te doen, in het kader van een samenwerking met een buurland bijvoorbeeld. Maar geen EU-land wil door Brussel gedwongen worden subsidiegelden af te staan aan buitenlandse onderzoeksinstituten.

De ministers kwamen tot het besluit dat er op alle punten die Busquin aanroerde het komend jaar nog eens gestudeerd moet worden. Intussen wordt een begin gemaakt met de voorbereiding van het Zesde Kaderprogramma dat over twee jaar moet starten. Niemand weet nog hoe de ideeën van Busquin worden verwerkt in de opzet van dat Zesde Kaderprogramma. Busquin heeft zelf gesuggereerd dat de subsidies van het volgende Kaderprogramma vooral zullen worden besteed aan grote strategische projecten op het gebied van genoom-onderzoek (onderzoek naar de betekenis van de genetische code), nanotechnologie (mechanica op de duizendste millimeter), klimaat, milieu, energie, mobiel bellen en internetten, en lucht- en ruimtevaart. Verder zal Busquin de nodige middelen willen besteden aan het koppelen van instituten die nu in verschillende lidstaten onderzoek doen op hetzelfde terrein.

Waar Busquin eigenlijk vanaf wil zijn de duizenden kleine projecten, die soms mooie successen opleveren, maar die de Europese Commissie een berg administratief werk opleveren. De voorman van de Europese organisatie voor midden- en kleinbedrijf (UEAPME), de Duitser Hans-Werner Muller, ziet de bui al hangen. Je kunt nadenken over een andere organisatie voor het management van al die kleine projecten, zegt Muller, maar laat het niet over aan de lidstaten, want dan zal die Portugese kurkenmaker die Duitse onderzoeker nooit meer vinden.

,,Het Europese onderzoeksbeleid moet gericht blijven op de groei van economie en werkgelegenheid. En dat kan alleen als midden- en kleinbedrijf in de onderzoeksprogramma's betrokken blijven', zegt Muller. ,,Kleine bedrijven die zich met spitstechnologie bezighouden, zoals biotechnologie of softwareontwikkeling, hebben de Europese overheid niet nodig. Die komen wel aan hun kapitaal. De laagtechnologische bedrijfjes, die de grote meerderheid vormen van de meer dan 18 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen in de EU, gebru¡ken nieuwe technologieën maar ontwikkelen die niet. Ook die hebben de Europese overheid niet nodig. Maar de grote groep daartussen, de kleine ondernemingen in traditionele sectoren als de bouw en de textiel, juist die hebben baat bij de Europese onderzoekssubsidies.'

Brussel steekt veel tijd, geld en energie in wetenschappelijk onderzoek voor kleine bedrijven. Soms levert dat een succesje op. Maar weegt dat wel op tegen al die enorme administra tieve rompslomp? Europees commissaris Philippe Busquin laat graag zien hoe voor het bedrag van een miljoen gulden de baten vele malen groter kunnen zijn voor een familiebedrijf in het Portugese Porto.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden