Een poging tot nuchterheid

,,Elke vaardigheid en elke wetenschap - evenals elke handeling en elke keuze - is, zo neemt men algemeen aan, gericht op iets goeds. Daarom heeft men terecht het goede gedefinieerd als datgene waarop alles afgestemd is.''

Zo luidt de eerste zin van Aristoteles' 'Ethica'. De filosoof Cornelis Verhoeven bespreekt deze en enkele andere zinnen uit de nieuwe vertaling: ,,Aristoteles' ethische werk draait om de verdediging van een beschouwelijk leven, het enige dat hij menswaardig vindt. Al het andere is in zijn ogen een vorm van slavernij.'' door Cornelis Verhoeven

De Historische Uitgeverij in Groningen, die al jaren opvallend fraaie boeken verzorgt, vooral op het gebied van letteren en wijsbegeerte, heeft een paar jaar geleden een bijzonder ambitieus en veelbelovend plan opgezet. Zij wil namelijk de volledige werken van Aristoteles in een nieuwe Nederlandse vertaling op de markt brengen.

Daarvoor is intussen een deskundige redactie aangetrokken en een keur van vertalers. Rein Ferwerda heeft 'Over dieren' vertaald, Ben Schomakers 'De ziel', Marc Huys 'Retorica' en Ton Kessels 'Politica'. Als eerste deel in de reeks is onlangs de 'Ethica' verschenen, vertaald en van inleidingen en aantekeningen voorzien door Christine Pannier en Jean Verhaeghe. Die keuze is van de ene kant wat minder gelukkig te noemen, omdat van dit werk enkele jaren geleden al een zeer verdienstelijke vertaling is verschenen van de hand van Charles Hupperts en Bartel Poortman. En antiquarisch kan de liefhebber ook nog beslag leggen op de vertaling van R. W. Thuys O.P. uit 1954. Van de andere kant is dit boek een mooie opening voor zo'n reeks, ook al omdat de 'Ethica' tegenwoordig een grote belangstelling geniet en zowel stilistisch als inhoudelilk als representatief geldt voor het omvangrijke wijsgerige werk van Aristoteles.

Als lezer van dat werk krijg ik persoonlijk niet meteen de indruk dat in de wijsgerige passie die Aristoteles en zijn voorgangers Plato en Socrates dreef, de ethica als een zorg om de praktische realisering van het goede in de samenleving een duidelijke prioriteit genoot boven de metafysische reflectie over het zijn.

Hierbij past enige toelichting. In zijn kleine en door geleerden van later tijd uit fragmenten bijeengelezen 'aansporing tot de wijsbegeerte', ook bij de Historische Uitgeverij verschenen, legt Aristoteles in navolging van zijn voorgangers een sterke klemtoon op het beschouwelijke en bijna wereldvreemde karakter van de filosofie. Wijsbegeerte, zegt hij hier en op talloze plaatsen in zijn andere werk telkens weer, wordt om zichzelf beoefend of om het geluk dat zij vertegenwoordigt, en niet om enig nut. Hij gaat in de verheerlijking van het beschouwelijke leven zelfs zover te concluderen: ,,Wij moeten dus ofwel de wijsbegeerte beoefenen ofwel afscheid nemen van het leven en van hier heen gaan, omdat al het andere maar onzin lijkt en loos gebabbel.''

Hier lijkt een opgewonden fanaticus aan het woord te zijn; maar Aristoteles is hierin een rechtstreekse volgeling van de bezadigde Socrates, die als personage van Plato in zijn verdediging tegenover de rechters en gesteld voor de denkbeeldige en tirannieke keuze ofwel veroordeeld te worden ofwel op te houden met filosoferen, zover gaat te zeggen: ,,Een leven zonder reflectie is voor een mens niet de moeite waard geleefd te worden.''

Als samenvatting van wat de historische Socrates, die geen geschrift heeft nagelaten, werkelijk verkondigd zou hebben, geldt de uitspraak 'Kennis is deugd'. Betekent deze stelling nu dat wij vanzelf braaf zullen zijn en uit eigen beweging het goede zullen doen als wij; maar weten wat goed is en dat wij niets verkeerds doen als wij maar hebben vernomen dat het niet goed is? Ik kan mij moeilijk voorstellen dat gepassioneerde filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles door deze gedachte zo geïmponeerd zouden zijn geweest dat zij er hun hele leven door lieten bepalen. Zij moeten er de overtuiging in gehoord hebben die zij zelf als gepassioneerde filosofen telkens weer uitspreken, dat wijsgerige reflectie in beslissende mate de kwaliteit van het menselijke leven bepaalt.

In de eerst zin van de 'Ethica' zegt Aristoteles, in de hier besproken vertaling: ,,Elke vaardigheid en elke wetenschap - evenals elke handeling en elke keuze - is, zo neemt men algemeen aan, gericht op iets goeds. Daarom heeft men terecht het goede gedefinieerd als datgene waarop alles afgestemd is.'' In de eerste en programmatisch doordachte zinnen van de 'Metaphysica' zegt hij dat alle mensen van nature zijn afgestemd op het kennen. Hiermee definieert hij mensen meteen ook als filosofen, wezens die met rede begiftigd zijn en die naar inzicht streven, en omschrijft hij in de geest van Socrates de kwaliteit van het menselijke bestaan als een intellectuele en beschouwelijke aangelegenheid. Zijn hele ethische werk is door deze overtuiging getekend en draait om de verdediging en de benarde positie van een beschouwelijk leven, het enige dat hij menswaardig vindt. Al het andere is in zijn ogen een vorm van slavernij.

In dit opzicht is Aristoteles levenslang een leerling van Socrates en Plato gebleven. Heel wat gemakkelijke tegenstellingen, onder andere die welke wordt uitgebeeld op het beroemde fresco van Raphael, 'de school van Athene', waarop Plato naar boven wijst, naar de befaamde wereld der ideeën, terwijl Aristoteles manhaftig en gebiedend, als een Marx avant la lettre, naar de aarde wijst waar het allemaal te doen is, zijn uit de lucht gegrepen. Waar ze ook precies naar wijzen volgens de laat neoplatonistische en geschematiseerde visie van de schilder, ze wijzen in elk geval allebei het voor de hand liggende van de hand, ze wijzen in de verte, horizontaal of verticaal, maar in elke richting voorwerp van een beschouwelijkheid die geen genoegen neemt met het eerste oog en de vanzelfsprekendheid, maar de verte wil betrekken in wat nabij is.

Wie zich de moeite getroost of zich de luxe permitteert het werk van Aristoteles zelf te lezen en geen genoegen te nemen met een kwisweten, zal op het eerste oog getroffen worden door een heel andere, meer nuchtere en wat drogere stijl dan hij van Plato en zijn fluwelen lussen van volzinnen gewend is. Maar hij moet wel bedenken, ten eerste dat ook de geoefende stilist Aristoteles essays en dialogen heeft geschreven in de literaire stijl van zijn meester, maar dat dit werk verloren is gegaan, en ten tweede dat volgens Aristoteles en latere filosofen het bewaarde werk van Plato niet datgene vertegenwoordigde wat hij als zijn meest wezenlijke inzichten en zijn echte 'leer' beschouwde. Er was van hem, zoals van Socrates, een 'ongeschreven leer', onder andere een voordracht 'over het goede' bij het horen waarvan sommige toehoorders zich erover verbaasden dat zij zo nuchter was en eerder over wiskundige inzichten handelde dan over een deugdzaam leven. Ook dit thema is door Aristoteles aan de orde gesteld. De eenheid in de school van Plato, waar Aristoteles twintig jaar verbleef, is dus waarschijnlijk veel groter geweest dan de latere legendes en schematiseringen suggereren.

Ook de voorzichtige polemiek met Plato en de aanhangers van de ideeënleer in het eerste boek van de 'Ethica Nicomachea' maakt van de verschillen geen kloof. Zij gaat niet voor niets gepaard met een betuiging van vriendschap en bovendien, - en daaraan had in deze vertaling wel een voetnoot gewijd mogen zijn: Aristoteles herhaalt hier vrij letterlijk een formulering die door Plato zelf aan Socrates in de mond was gelegd bij zijn kritiek op Homerus in de Staat. De Platovertaler Xaveer de Win vertaalt: ,,Maar ja, al is de man mij nog zo dierbaar, hij mag me niet dierbaarder zijn dan de waarheid''. In deze vertaling lezen we: ,,Hoewel beide ons dierbaar zijn, is het toch onze heilige plicht de waarheid boven alles te stellen''. De continuïteit is duidelijk. Er is zelfs ruimte voor de zeer gedurfde, maar opwindende hypothese dat het bewaarde werk van Aristoteles in hoofdzaak de neerslag zou zijn van de 'ongeschreven leer' van Plato. Zo'n hypothese maakt de lectuur van deze klassieke geschriften alleen maar maar boeiender.

Zelfs een tweede element in deze 'Ethica' dat naast het socratische 'kennis is deugd' naar enige saaiheid zweemt, de in haar faam gesmoorde stelling dat elke deugd of positieve morele kwaliteit het midden houdt tussen twee ondeugden of negatieve kwaliteiten, kan aan een gemakkelijk dogmatisme en schematisering ontsnappen.

We hoeven daarvoor die gedachte alleen maar te interpreteren vanuit de betekenis die de uitersten zelf hebben voor iemand die daarover nadenkt en oog heeft voor de spanning daartussen. Hier wordt vanuit een mediterrane gevoeligheid voor uitersten en voor theatrale emoties een poging tot nuchterheid ondernomen en nagedacht over het evenwicht van een koorddanser, niet over de logge onverstoorbaarheid van een lobbes. Hetzelfde moeten we bedenken bij al dat modieuze gekakel over het gebrek aan interesse, de minachting zelfs, voor emoties, die antieke filosofen, Plato voorop en de Stoiïijnen na hem, aan de dag gelegd zouden hebben.

Hoewel ik niet graag iemand tegenspreek, denk ik stiekem toch dat het tegendeel waar is: de wijsbegeerte zelf was voor hen een begeerte, een verterende passie, dus in hoge mate een emotionele aangelegenheid. Het is voor mij volkomen onbegrijpelijk dat dit kan ontgaan aan mensen die beweren in wijsbegeerte geïnteresseerd te zijn.

Zonder enige reflectie en spiegeling kan dus ook zo'n middenweg niet gevonden worden, want het evenwicht veronderstelt dat aan weerskanten een gewicht in de schaal wordt gelegd en meegewogen. De luie en comfortabele wijsheid van de middenweg en de louter verbaal en fraseologisch beleden harmonie dreigt elk gewicht en elke spanning te negeren en geeft de gedachteloze onverschilligheid kansen die haar door Aristoteles zeker niet gegund zouden zijn.

Ten slotte: over elke vertaling van elk boek valt allicht eindeloos te neuzelen. Dat is met dit boek al niet anders. Ik herinner mij dat over de Plato-vertaling van Xaveer de Win destijds vanuit Noord-Nederland nogal schampere opmerkingen werden gemaakt over het gebruik van typisch Zuid-Nederlandse woorden. Daartoe zou ook deze vertaling aanleiding kunnen geven, als ik met die critici de onnozele overtuiging deelde dat alleen het Noord-Nederlands echt Nederlands is. Ik noem dus maar één voorbeeld. De vertalers geven het woord 'megalopsuchia', letterijk 'grootheid van ziel', weer met 'fierheid'. Dat klinkt ook in mijn Brabantse oren nogal Vlaams en ik beluister er bovendien de wat valse en uitsluitend paedagogisch verantwoorde toon in waarop vroeger meisjes werden aangespoord zich niet te gemakkelijk te laten verleiden. (Ik hoor tussen haakjes een oudere dame rond 1956 nog tegen een klas met meisjes van een middelbare school zeggen: 'Jelui moeten fiere meisjes zijn'. Toen ik deze uitspraak een paar minuten later zo neutraal mogelijk herhaalde, rolden ze uit de bank van het lachen.) Het probleem wordt nog wat groter gemaakt doordat de vertalers, Aristoteles op de voet volgend, in de eerste zin de naam met de deugd zelf in verband brengen: 'Fierheid heeft kennelijk met grote dingen te maken - dat blijkt alleen al uit haar naam.' Voor mij blijft dat onduideijk. En de nadere omschrijving luidt in hun vertaling: ,,Zoals men weet is een fier mens iemand die hoge ambities heeft en inderdaad ook grote verdiensten heeft''. Deze kwaliteit lijkt dus neer te komen op een juist gevoel van eigen waarde. Thuys vertaalde destijds met 'grootmoedigheid' en in de verklaring van die naam past inderdaad de kwalificatie 'groot'. Ook Hupperts en Poortman proberen de naam en de verklaring op elkaar af te stemmen en kiezen voor 'grootsheid'. Dat woord heeft te maken met enige grootheid en tegelijk met trots, zeggen zij in een verklarende aantekening. Zij noemen daarin 'grootmoedigheid' te archaïsch. Zelf denk ik bij 'groots' vooral aan Marsman en zijn parmantige gesnork over 'groots en meeslepend' leven - en of het knekelhuis dat hoort. Maar zo zal ieder gevoelig zieltje wel zijn eigen interessante setje van allergieën hebben. Inderdaad merkt ook Aristoteles op dat deze fierheid, deze grootsheid of dit gevoel van eigenwaarde een extreme positie lijkt, maar dat zij in feite toch de spanning vertegenwoordigt en een evenwicht tot stand brengt tussen verwaandheid en een miezerig soort van nederigheid. En ook hier is dat juiste midden alleen te realiseren als de beide uitersten hun eigen aantrekkelijkheid mogen houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden