Een poëtische windvlaag trekt over de stad

Wat hebben gedichten van Marsman, Pessoa, Borges en Yeats met elkaar te maken? Niets behalve dat ze in Leiden één voor één op een muur verschijnen. Een vrolijke confrontatie met het toeval van het tegenbeeld.

Nee, ze hebben niets tegen de gedichtjes van Toon Hermans. 't Zijn best leuke teksten, soms. En er zit ook wel eens een diepere gedachte achter. Maar het is geen poëzie, vinden ze. Daarom hangt er in Leiden ook geen 'Toon Hermans' aan de muur. Annie M.G. Schmidt trouwens ook niet. Prima mens, prima werk - maar niet geschikt om op een buitenmuur te schilderen.

Jan Willem Bruins en Ben Walenkamp zijn er heel duidelijk over: de 30 gedichten die zij in de afgelopen drie jaar in Leiden op zijgevels en zijmuren hebben aangebracht, zijn hun persoonlijke keuze. Met elk van die poëtische wandversieringen hèbben ze iets. Als een gedicht hen niets doet, doen zij ook niets met dat gedicht. Ze laten zich door niemand sturen en dat is de grootste lol die ze aan hun project beleven.

Of project, het is meer een uit de hand gelopen idee. Geboren in het café uiteraard, want daar komen ze elkaar al sinds jaar en dag tegen en hebben ze altijd de beste plannen gesmeed. Bruins (49) heeft geschiedenis en Nederlands 'gedaan' en is daarna gaan schilderen: eerst tekstjes en reclames, naderhand plafonds, wanden en interieurs. Walenkamp (55) beweegt zich al heel lang in de Leidse kunstscene, had er in de jaren zestig een galerie en een jazzcafé en heeft ooit sociëteit De Burcht opgezet. Hun eerste gedachte was Nederlandse en Belgische kunstenaars te vragen 23 bruggen in Leiden onder handen te nemen. De gemeente was al akkoord en het idee uitgewerkt, maar ze kregen het benodigde miljoen niet bij elkaar. Toen kwamen ze op de gedichten.

Het was in 1992, 75 jaar nadat Theo van Doesburg op het Galgewater in Leiden het maandblad De Stijl had opgericht. Daar wilden Bruins en Walenkamp iets 'groots' mee doen, als eerbetoon. Ze wilden twintig gedichten van I.K. Bonset, de schuilnaam van Van Doesburg, verspreid door de stad op muren schilderen. Bruins: “We hebben het toch maar niet gedaan. Qua vorm en typografie zijn de gedichten wel mooi, maar inhoudelijk vind ik ze niet geweldig. Die zouden op een muur toch te steriel worden.” Uiteindelijk heeft Bruins als hommage aan Van Doesburg 'De Twee Kwadraten' van diens kunstvriend El Lissitzky (een zwart en rood vierkant) geschilderd op de wand van de oude Meelfabriek - voor veel Leidenaars het lelijkste bouwsel van de stad. Het vignet van De Stijl werd aangebracht op het Galgewater.

Het idee van de gedichten liet hen echter niet los. Begin 1993 richtten zij met Hetty Leydekkers de stichting Tegen-Beeld op en beloofden zichzelf vóór het jaar 2000 honderd gedichten op Leidse muren te zetten, 'De honderd doden' van Garcia Lorca bij de eeuwwisseling als laatste. Van de eigenaar van Templum Salomonis, een antiquariaat in de schaduw van de Pieterskerk, kregen ze toestemming om tegen zijn gevel een Russisch gedicht te schilderen. Van Marina Ivanova Tsvetajeva, of 'Marina T.' zoals Bruins haar noemt. 'Mijn verzen komen, zoals goede wijnen, / Nog wel eens aan de beurt' in vertaling. Meteen daarna volgde Shakespeare om de hoek van het Rapenburg, in de Houtstraat.

Veertien gedichten per jaar erbij is de opzet van Bruins en Walenkamp. Méér redden ze niet, één gedicht schilderen kost ze een week. Deze week moet nummer 31 op de muur, een Poolse. De uitvoering is niet het moeilijkste werk: ze komen voorrijden met hun aanhangertje, bouwen zelf de steiger op en dan gaat Jan Willem Bruins naar boven met z'n 'potten en pannen'. De typografie bepaalt hij vaak ter plekke, de achtergrond (“Soms is een muur heel slecht of heel saai”) en de kleur ook. En als het gedicht 'hangt', breken ze de stellage snel weer af en smeren 'm om de plek een tijd hartgrondig te mijden. “Zo, die hangt”, zegt Bruins dan. “Het is net een bevalling. Blij dat je er vanaf bent.”

Het uitzoeken, het lezen, de onderlinge discussies - welk gedicht op welke muur? - dat kost de meeste tijd. Ze willen beslist niet alleen Nederlandse poëzie en ze willen al helemaal geen lijst van de 'honderd mooiste of beste gedichten'. Bruins: “Poëzie is universeel. Zeker in een stad als Leiden, waar mensen uit de hele wereld wonen en werken. Als je de geschiedenis van Leiden bekijkt, hebben lieden uit de meest uiteenlopende culturen hier onderdak gekregen. Als vluchtelingen, maar ook via de universiteit. Op het gebied van talen is hier een grote traditie. Daar maken we ook dankbaar gebruik van. Er zijn hele volksstammen op de universiteit voor ons aan de slag.”

Ze fietsen nogal eens door de stad met z'n tweeën, muren kijken. Als ze 'wat aardigs' tegen komen, bellen ze aan met de vraag wie de eigenaar is - een particulier, de woningbouwvereniging, de gemeente. Van Studentenhuisvesting hebben ze inmiddels al de vrije hand gekregen: daar hoeven ze niet eens meer toestemming te vragen om te mogen schilderen. Ook de gemeente laat Bruins en Walenkamp hun gang gaan met hun gedichten. Zelfs Monumentenzorg, die in Leiden een stevige vinger in de pap heeft, legt zich schoorvoetend neer bij de poëtische windvlaag die over de stad trekt. 'Misterio' van de Chileen Jorge Eduardo Eielson, 'De Val' van Marsman, Verlaine, Pessoa, Borges, Hans Lodeizen, Apollinaire met een prachtig maar onvertaalbaar gedicht, indiaanse en Arabische poëzie en Jan Hanloo met 'De Mus' (Tsielp, tsjielp, tsjielp, tsjielp, etc.)

Het is een verrijking van de stad, vinden veel inwoners. Bruins en Walenkamp worden al regelmatig gebeld. Door Leidenaars die ook een gedicht op hun huis willen. Walenkamp: “Soms wordt er gezegd: 'We hebben hier een leuk muurtje. Kan daar geen gedichie op? We dachten aan iets van Toon Hermans of zo.' Kijk, dan zeggen we 'nee'. Dat past niet in ons idee. Of de eigenaar met een prachtige muur komt aanzetten met een gedicht van J.C. de Vos: nou, dat is gewoon rijmelarij. Discussie gesloten. 'A Coat' van Yeats kan hij krijgen, of anders niets. De gedichten moeten wel op de een of andere manier 'klassiek' zijn.”

Werk op bestelling is er niet bij. Bruins krijgt het in ieder geval niet uit z'n verfkwast. “Dan ben je een uitvoerder en dat wens ik niet. Vaak zeggen mensen: 'Doe mij maar een gedicht, maar wel in het Nederlands.' Nou, niet dus. Van de honderd gedichten, zullen er straks een stuk of twintig Nederlandse zijn. Dat is al vrij veel.”

Bangigheid is het, vult Walenkamp aan. De angst voor een vreemde taal. “Je moet opboksen tegen die mentaliteit van 'eigen taal eerst'. Daar word ik langzamerhand wel treurig van. Terwijl overal de vertaling wordt bijgeleverd, Nederlands en Engels. Als ik een muur zou hebben, zou ik die vreemde woorden of tekens daarop wel spannend vinden.”

De Lucas van Leydenschool kreeg 'Lobelia' van Bonset aan de gevel. 'Op mijn tafel staat een inktpot, ligt een smerig eindje touw'. Het gedicht is nu met de school vergroeid, de kinderen kennen het uit hun hoofd en als Jan Willem Bruins een van hen tegenkomt in de stad, groeten ze hem luid met 'Lobelia'. Van het gedicht zijn inmiddels 24 vertalingen gemaakt en gezeefdrukt, voor alle nationaliteiten die de school telt. Ze hangen op de binnenplaats en hebben een grote uitstraling op de leerlingen, zegt Walenkamp: “Het bevordert de gelijkwaardigheid, dat merk je meteen. Een Arabisch kind en een Hollands kind zien hetzelfde gedicht in hun eigen taal op de muur.”

Ze hebben een lijst van muren in hun hoofd en een lijst van gedichten die ze nog willen schilderen. Die twee worden niet computergestuurd in elkaar geschoven, het is vaak het gevoel dat hen leidt. “Soms verandert op de dag van het schilderen zelf nog de keuze van een gedicht. Dan hebben we iets in ons hoofd en staan we voor zo'n stuk muur, maar dan zien we er toch van af. Instinctief.”

Naast de inhoud bepaalt ook de vorm van een gedicht of Bruins het in de verf zal zetten. Hij heeft net 'Aku' ('Ik'), een Indonesisch gedicht, geschilderd. Het is een aanklacht van Charil Anwar tegen de situatie van de mensenrechten in zijn land. Op 17 augustus was het gedicht klaar: een bewust gekozen datum, op de vijftigste verjaardag van de Indonesische republiek. Verzetspoëzie hoort erbij, vindt hij. “Af en toe moet dat, al wil ik niet de indruk wekken dat ik zo graag de wereld wil verbeteren. Het gaat ons om de schoonheid van de taal. Poëzie moet iets mysterieus hebben. 'Dwars op de woorden staan de betekenissen verdekt opgesteld', schreef Arie Visser 25 jaar geleden. Dàt heb ik met gedichten. Zo'n zinnetje als 'Into the street of the sky light scattering poems...' van E. E. Cummings, dat moet erop.”

Ook Ben Walenkamp heeft van die persoonlijke gedichten, zoals 'De Waterlie' van Frederik van Eeden. Week-in week-uit hoorde hij het op dinsdagmorgen op de radio. “Gied Jaspers las het voor. En wel zo prachtig, dat je het op een gegeven moment niet meer loslaat. 'Ik heb de witte waterlelie lief ...' Het hangt nu op een flatgebouw in de Merenwijk, waar nog al wat gewone Nederlanders en buitenlanders wonen. Het is een heel begrijpelijk gedicht, bewust gekozen. Je kunt wel een heel abstract ding nemen dat niemand begrijpt, maar dan schiet je je doel voorbij. We krijgen enthousiaste reacties uit de wijk. Jan Willem heeft er ook een prachtige achtergrond bijgemaakt, beetje Verkade-album-achtig, met een waterlelie. We hebben daar nòg een muur of vier uitgekozen: die willen we een Surinaamse, Arabische, Turkse en misschien Engelse tekst geven.”

De gedichten zijn fotogeniek. Toeristen uit alle windstreken blijven staan, schieten films bij het leven en bellen aan om te horen waarom een gedicht uit hun taal daar hangt. Van Griekenland tot Hongarije en van Rusland tot Japan maken kranten er melding van. Een Balinese dichter kondigde een reportage in een Indonesisch blad aan. Toen Jan Willem Bruins naast het Academiegebouw op het Rapenburg een Japanse haiku van Basho stond te schilderen, raakte een groepje Japanse toeristen er niet over uitgepraat. Waar Bruins zijn calligrafie-cursus had gevolgd, wilden ze weten (“Nergens, het waren mijn eerste Japanse tekens”). Een massale buiging was zijn beloning.

Maar ook de Leidse vuilnismannen vinden het leuk en toeteren luid, als ze Bruins op de steiger aan het werk zien. In het buurtcafé koesteren ze 'hun' gedicht en het komt zelden voor dat de poëzie met graffiti wordt ondergespoten. Vakschilders blijven met open mond staan hoe hij op het oog en uit de losse pols zijn zinnen schildert. “Wat Jan Willem doet, is een uitstervend beroep”, zegt Walenkamp vol bewondering. “En dat zonder enige opleiding. Meestal klimt hij naar boven en roept naar beneden: 'Ben, sta ik zo goed?' Of: 'Moet hier het vlak beginnen?' En dan gaat hij aan de slag. Hij heeft nog nooit iets over hoeven doen.” Er zitten wel eens wat foutjes in een tekst, bekent Bruins. “Dan ben je je concentratie even kwijt. Soms ken ik een tekst bijna uit m'n hoofd en ben ik in gedachten al verder dan het woord dat ik sta te schilderen. Agua in plaats van aqua, of een paar letters vergeten. Maar dat halen we er wel uit.”

De VVV zou het liefst een route langs de gedichten uitzetten of er een boekje van maken. Maar daar voelen Walenkamp en Bruins niets voor. “Dat is ook onzin”, zegt Walenkamp. “Je kunt niet van gedicht A naar gedicht B lopen, hup Shakespeare en dan weer een Japanse haiku. Als je het ene goed leest, kun je geen ander gedicht tot je nemen. Het gaat ons om het toeval: je loopt door de stad en stuit ineens op een gedicht. Als je tijd hebt, blijf je staan. Of je loopt door en leest het een andere keer.”

Ze krijgen inmiddels naast gemeentesubsidie geld van een paar fondsen. En elke eigenaar van een gevelgedicht betaalt tweehonderd gulden. Daarnaast moeten er handenvol geld bij, al was het maar vanwege de bordjes en de vertalingen. Maar het idee dat ze op hun manier een stempel zetten op de stad, is het ze waard. Slauerhoff moet nog, Achterberg, Yeats misschien (als die ene huiseigenaar tenminste door de bocht gaat), een gedicht in het Sanskriet is nog een grote wens. Nummer 100 ligt vast, maar wat het 60ste gedicht zal zijn of het 74ste weten ze niet. “Stel dat je dat wel wist, en ook nog de muur waar het opkomt, dan zou ik het niet op kunnen brengen”, zegt Bruins. “Dat zou dodelijk zijn voor het project”, voegt Walenkamp eraan toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden