Een pil helpt sneller, maar praten meestal blijvend

Op de drempel van een nieuwe eeuw kampt Nederland massaal met psychische nood. Zullen psycholoog, psychiater en psychotherapeut ons er doorheen weten te slepen? Deel 1 in een serie over ontredderd Nederland: angst.

Wybo Algra

Pleinvrees, straatvrees, hoogtevrees, examenvrees, smetvrees, vliegangst, angst voor spinnen en oorkruipers. Eén op de zeven Nederlanders is wel bang voor het een of het ander, of voor het leven in het algemeen.

Prof. dr. Richard van Dyck richtte tien jaar geleden in de Amsterdamse Valeriuskliniek een 'angstpoli' op. De mensen die zich toen meldden, liepen meest al een jaar of twaalf met klachten rond. Tegenwoordig komen ze al na drie of vier jaar. Dit terwijl nu nog slechts een fractie van de mensen met een angststoornis in behandeling is: zo'n tien tot vijftien procent. Een verontrustend gegeven, gezien de lange wachtlijsten voor psychische en psychiatrische hulp.

Behandeling en onderzoek gingen in die angstpoli van meet af hand in hand. Dat was nodig, zegt Van Dyck. ,,De psychiatrie heeft een traditie van veel zorg en weinig onderzoek.' En waar men elders óf medicijnen gaf óf psychotherapie, deed de groep van Van Dyck toen al beide: pillen en praten. ,,Antidepressiva werken tamelijk snel bij angststoornissen', licht hij toe, ,,maar de problemen keren vaak weer terug. Gedragstherapie heeft in het begin vaak weinig merkbaar resultaat. Maar na verloop van tijd is het minstens zo effectief - en vaak blijvend.'

Maar er zijn wel veel meer behandelaars voor nodig - niet onbelangrijk in tijden van wachtlijstnood. Vooral als men bedenkt dat 14 procent van de Nederlanders een angststoornis heeft of krijgt. De helft van die mensen heeft er niet zoveel last van. ,,Vliegangst of hoogtevrees, daar kun je wel een leven omheen organiseren', zegt Van Dyck. Maar de andere helft - één op de 14 - is letterlijk ziek van de angst. Van Dyck: ,,Het verlies aan kwaliteit van leven is vergelijkbaar met chronische reuma of een chronische hartkwaal.'

Van rangen en standen trekken angststoornissen zich niets aan. Wel hebben bange ouders een grotere kans op een bang kind, zowel door genetische aanleg als door leeroverdracht. Alles wijst er op dat een stofje als adrenaline een rol speelt bij angstaanvallen, maar de biologische mechanismen van angst zijn nog lang niet ontrafeld. En zelfs is onduidelijk in hoeverre angststoornissen in getal toenemen. Het beeld is vertekend, omdat mensen tegenwoordig sneller naar de hulpverlener stappen.

Wel heeft Van Dyck de indruk dat de sociale fobie in opkomst is. Een kwaal die zich vooral manifesteert als mensen zich in een positie manoeuvreren waarin ze sociaal actief moeten zijn of - nog erger - leiding moeten geven. Vooral hogeropgeleiden lijken erdoor te worden getroffen, maar misschien is dat maar schijn en melden zij zich gewoon eerder voor behandeling.

Van Dyck: ,,Er is een heel geleidelijke overgang van verlegenheid en teruggetrokkenheid, naar uitgesproken fobisch gedrag. Mensen mijden situaties waarin ze in het middelpunt van de belangstelling staan. ,,Dát is de nachtmerrie: anderen die naar je kijken, die je belachelijk zullen vinden. Met als gevolg zweten, beven, stotteren en blozen, of een algeheel gevoel af te gaan.' Bij plein- of hoogtevrees blijkt gedragstherapie vaak wel aan te slaan: almaar oefenen met moeilijke situaties. ,,Dan zijn mensen trots als het lukt. Maar iemand met een sociale fobie die een gezelschap toespreekt, zal achteraf blijven tobben: 'Het ging toch niet goed genoeg'. Dan moeten we echt praten, om iets te doen aan hun zelfwaardering.'

Van de buitenkant zijn angststoornissen vaak niet zo zichtbaar. De wat erg propere buurvrouw die ook nog om de haverklap haar handen wast, valt na een tijdje misschien op. Maar in de regel lopen mensen niet te koop met een angststoornis. Van Dyck: ,,Anderen hebben toch de neiging de klachten wat te bagatelliseren. Men ziet het gauw als zwakte.' Het is een van de redenen waarom mensen wachten met hulp zoeken. Dat doen ze pas als ze niet langer angstige situaties uit de weg kunnen gaan. ,,Een jonge moeder met pleinvrees gaat in therapie als ze haar kinderen naar school moet gaan brengen.'

Tenminste: als ze dan niet op een lange wachtlijst terechtkomt. Met de toestroom van nieuwe klanten nemen ook de wachttijden hand over hand toe. Langdurige gesprekstherapie voor iedereen, dat is geen doen. Hulpverleners zullen daarom steeds meer zoeken naar andere hulpmiddelen, voorspelt Van Dyck. Hij denkt dan aan 'bibliotherapie' (met boeken) of therapie via internet. Voor hem staat vast: de lijfelijke persoon van de therapeut zal er minder aan te pas komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden