Een paar extra kilo's, van zegen naar ziekte

In 2030 kampt Europa met een obesitas-epidemie, maar de Nederlanders zijn dan juist afgevallen. In de achttiende eeuw doken wetenschappers voor het eerst serieus in het probleem overgewicht.

Honger maakte het gepeupel van Parijs opstandig. De bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 vormde het startsein voor de Franse Revolutie. Tegenover de massa's met te weinig voedsel om te leven en te veel om te sterven, stond de werkelijkheid van de vertegenwoordigers van de eerste en tweede stand (geestelijkheid en adel). Die zaten vaak, soms dagelijks aan bij copieuze diners. Geen wonder dat koning Lodewijk XVI heel wat gewicht had mee te torsen. Een van zijn broers was zelfs zo zwaar dat hij moeite zou hebben gehad bij het consumeren van zijn huwelijk.

Juist in de achttiende eeuw begonnen wetenschappers interesse te krijgen in het verschijnsel overgewicht. In 1757 publiceerde de Schotse fysioloog Malcolm Flemyng, een oud-leerling van de Leidse arts en onderzoeker Herman Boerhaave, zijn boek 'A discourse on the nature, causes and cures of corpulency'. Hij zag overgewicht duidelijk als een gevaar voor de gezondheid: "Zwaarlijvigheid in buitengewone graad mag als een ziekte worden aangerekend, omdat het in zekere mate de vrije uitoefening van dierlijke functies blokkeert en het de neiging heeft om het leven te verkorten door de weg vrij te maken voor gevaarlijke kwalen."

Flemyng begreep dat gewichtstoename deels te wijten was aan veel en vet eten. Tegelijkertijd weet hij het probleem ook aan lichamelijke, dikwijls erfelijke eigenschappen: sommige mensen hadden de pech dat ze beschikten over celmembranen die makkelijk opzwollen of over bloed dat vetten sneller opsloeg. Een gebrekkige ontlasting maakte volgens hem ook dik.

Minder eten hielp volgens Flemyng. Bovendien stelde hij een curieuze kuur voor: elke dag zeepwater drinken, reinigde het lichaam. Het vet zwom dan als vanzelf het lichaam uit. Geleerden en kwakzalvers zouden nog lang dit spoor volgen. Naast een aangepaste levensstijl zouden ze nog lang laxerende middelen voorschrijven als probaat middel tegen overgewicht.

Flemyng en zijn verhandeling kwamen niet uit het niets. De Griek Hippocrates, grondlegger van de geneeskunde, schreef al zo'n 400 jaar voor Christus over de gevaren van het te dik zijn. Hij beschouwde corpulentie als een ziekte op zich, maar ook als een voorbode van andere kwalen. Van het een kwam het ander. Een zwaar lichaam voldeed voor de meeste mensen ook niet aan de schoonheidsidealen. Spartanen waren zo streng dat ze te dikke burgers verbanden naar elders. Uit de Romeinse tijd zijn verhalen bekend van vrouwen die zich doodhongerden om maar te voldoen aan het gewenste plaatje. Christenen in de Middeleeuwen beschouwden gulzigheid als een van de zeven hoofdzonden.

In de tijd van Flemyng doken wetenschappers dieper in de materie. In 1727 raadde een Britse wetenschapper nog het wonen in vlakke, vochtige gebieden af. Steden en bosrijke omgevingen waren volgens hem ook echte dikmakers.

Giovanni Battista Morgagni, hoogleraar anatomie aan de universiteit van Padua, zag bij secties op de lichamen van overledenen inderdaad het door Hippocrates en Flemyng al gesuggereerde verband tussen corpulentie en andere, vaak chronische aandoeningen. In zijn in 1761 gepubliceerde studie beschreef hij onder andere het geval Valerius Zanius, die een grotendeels zittend leven had geleid met veel overvloedige maaltijden. Zanius bleek niet alleen te dik, hij had last van galstenen, een vergroot hart en aderverkalking.

De ontdekking van de Franse scheikundige Antoine Lavoisier dat het lichaam in wezen niets anders is dan een verbrander van voedingsstoffen, betekende een doorbraak in het onderzoek. In de decennia die volgden, werd steeds meer duidelijk over het belang van uitgebalanceerde voeding, de rol van eiwitten, koolhydraten en vetten.

In 1780 nam de invloedrijke Schotse hoogleraar geneeskunde William Cullen (ook in Nederland waren zijn boeken lesstof voor studenten) overgewicht op in zijn kwalificatie van ziektes. Hij had het over 'corporis pinguedinosa intumescentia molesta', oftewel: schadelijke zwellingen van het lichaamsvet. Los van de door Morgagni beschreven kwalen leden zware mensen volgens Cullen vaker dan anderen aan jicht, vermoeidheid en ademhalingsmoeilijkheden.

De term 'obesitas' kwam pas in de negentiende eeuw op. Velen, zelfs sommige geleerden, beschouwden toen een kilo of tien, twintig extra nog als een zegen. Zulke mensen beschikten over enige reserve en zouden ook minder vatbaar zijn voor (besmettelijke) ziektes. Pas in de twintigste eeuw waren zulke aannames definitief niet meer overeind te houden. In westerse samenlevingen waren overvloedige hoeveelheden voedsel toen inmiddels binnen het bereik van velen gekomen en het toenemende aantal apparaten verminderde de noodzaak tot bewegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden