'Een Oranje zegt meer dan een premier'

'Onder Napoleon werd méér geboren dan alleen een koninkrijk. Toen ontstond de nationale identiteit, het gevoel dat Nederlanders één volk vormen'

Voor Lotte Jensen lijdt het geen twijfel dat tweehonderd jaar geleden in Nederland méér werd geboren dan alleen een koninkrijk. Met de blik van de buitenstaander - Jensen is van Deense komaf - ziet zij in die tijd de Nederlandse identiteit ontstaan, het gevoel dat Nederlanders één volk vormen. Dat dit jaar uitgebreid wordt stilgestaan bij het jubileum, vindt Jensen vanuit dat oogpunt meer dan terecht. Als specialist op het gebied van de literatuur van de negentiende eeuw baseert ze haar conclusies over de Nederlandse identiteit op het werk van schrijvers als Hendrik Tollens en Jan Frederik Helmers, die Nederlandse helden uit het verleden op een voetstuk plaatsten. Zij lieten zien tot welke grootse daden dat kleine volk aan de Noordzee in staat was.

Als studente Nederlands raakte Jensen gefascineerd door de negentiende-eeuwse literatuur. "Het boeide me vooral hoe die bombastische literatuur een vormende rol speelde in het Nederlandse nationalisme. In het werk van Tollens, Helmers en Loots ontdekte ik de verheerlijking van de Nederlandse cultuur, de verering van de helden en de lof voor de eigen taal. Als Deense heb ik altijd tussen twee nationaliteiten in geleefd en die positie maakt dat ik geïntrigeerd ben door het Nederlanderschap."

Vorige maand verscheen Jensens boek 'Verzet tegen Napoleon', waarin zij het Nederlandse protest tegen de heerschappij van Napoleon beschrijft. Ze toont aan dat niet alleen bekende mannen als Tollens en Helmers vaderlandslievende en anti-Franse teksten schreven, maar ook schrijvers uit wat ze noemt de B-categorie. Die identiteit van verzet werd in Nederland kortom breed gedragen.

In haar betoog sluit Jensen aan bij de studie van historicus Johan Joor, die tal van lokale politiearchieven uit de Franse tijd onderzocht. Het Nederlandse verzet tegen Napoleon was misschien niet zo nationaal georganiseerd als in andere landen, lokaal was er wel degelijk hevige weerstand. Dat weesjongens werden opgetrommeld voor de Franse legers riep bijvoorbeeld een golf van verontwaardiging op.

Datzelfde beeld duikt volgens Jensen op in de literatuur in de breedste zin van het woord: in gedichten en romans, maar ook in toneelstukken, in pamfletten die op muren werden geplakt, en in bij culturele genootschappen gehouden voordrachten. In de pamfletten werd opgeroepen tot gewelddadig verzet; in een daarvan lees je regels als: "Stort eer voor Nassau's roem uw laatste druppel bloed".

Een veelzeggende bron zijn de gedichten die waren bestemd voor huiselijk gebruik. "Die zijn door veel historici ten onrechte veronachtzaamd. Je leest erin wat gewone mensen toen dachten van hun land en wat zij vonden van Napoleon. Wat vooral de woede losmaakte onder het volk was de conscriptie, de inschrijving voor militaire dienst. Napoleon verplichtte jongens om mee te vechten in zijn gedroomde armee tegen de Russen. Dat is dramatisch geweest. Duizenden jongens zijn daaraan opgeofferd. Die maatregelen hebben maatschappelijk de meeste onrust teweeggebracht, en mensen aangezet tot verzet."

De vorming van het Koninkrijk der Nederlanden in de jaren 1813-1815 was de afsluiting van een zeer roerige periode in de vaderlandse geschiedenis die begon met de Bataafse Revolutie in 1795. In die jaren waren patriotten en orangisten elkaar in de haren gevlogen over het landsbestuur. De democratische patriotten dwongen stadhouder Willem V te vluchten en zorgden voor een bestuur dat was geïnspireerd door de Franse Revolutie en de Verlichtingsideeën. Omdat Napoleon in 1806 meer greep op het land wilde hebben, plantte hij hier zijn broer Lodewijk als monarch en besloot hij vier jaar later zelfs om het land bij Frankrijk in te lijven. Die drie jaren van inlijving zijn volgens Jensen van cruciale betekenis geweest voor de totstandkoming van het koninkrijk. "Ik durf te zeggen dat Nederland de monarchie te danken heeft aan Napoleon. Door de Fransman totaal onbedoeld uiteraard."

Aan de vooravond van de viering van 200 jaar koninkrijk discussiëren historici over het belang van 1813. Sommigen vinden het idee van een omwenteling een mythe, een 'invented tradition'. Bestuurders zetten Oranje weer op de troon, het volk had daar geen mening over.
Jensen plotseling heel heftig: "Daar ben ik het helemaal niet mee eens. Alsof de idee van de terugkomst van de vorst bij het volk niet leefde. Alsof een republiek ook had gekund. De mensen die dat denken, vergeten naar het volk en de burgerij te kijken."

"Als je dat wel doet, vind je national de sterke behoefte om een Oranje terug te hebben. Het draagvlak voor Willem I was er wel degelijk. Die paar jaren inlijving, van 1810 tot 1813, hebben meer impact gehad op de bevolking dan veel historici willen aannemen. Zoveel jongens werden weggevoerd naar het buitenland om te dienen in een vreemd leger. De ellende die dat veroorzaakte, zorgde ervoor dat het verlangen naar Oranje kwam bovendrijven, zelfs bij een oud-patriot als Samuel Wiselius, een radicale republikein. Tijdens de Napoleontische periode kwam hij met een verzetsgeluid: "Patriotten en Orangisten van weleer, wij moeten de strijdbijl begraven", schreef hij."

Waarom begroeven patriotten en orangisten de strijdbijl?
"Ze vonden het bevorderen van eenheid belangrijker dan het vooropstellen van de eigen partij. Je vindt dat op veel plaatsen in letterkundige geschriften. Het citaat dat alles zegt daarover is het volgende uit een volksliedje uit 1813: 'Geen partijschap moet ons hindren/ Of het ijvervuur vermindren/ Alles moet in dezen tijd/ zijn aan 't Vaderland gewijd.'"

Waar bleven al die gedachten uit de Verlichting over mensenrechten, democratie en scheiding van kerk en staat, die tijdens de Bataafse revolutie naar boven kwamen?
"Die stemmen verstommen niet helemaal. Een enkeling blijft nog wel volhouden dat we allemaal wereldburgers moeten worden. Een soort gelijkheidsideaal uit de Franse Revolutie. Maar wat dominant wordt, is het nationalistische perspectief. Het land was vanaf 1795 in achttien onrustige jaren economisch en moreel volkomen uitgehold. Die Verlichtingsidealen waren natuurlijk wel fraai, maar door de grote armoede en chaos stelden mensen andere prioriteiten. Een daarvan is het behoud van de natie Nederland als zelfstandig land. Met een eigen taal, eigen geschiedenis, eigen helden, eigen identiteit. Dat dreigde verloren te gaan onder Napoleon. Dan is het belangrijker om die buitenlandse overheersing te verdrijven."

Waren er patriotten die wel voet bij stuk hielden?
"Maria Aletta Hulshoff! Zij hield vast aan haar republikeinse standpunten en vertrok naar New York. Zij was een van de leukste verzetslieden tegen Napoleon die toch aan dat radicale alternatief vasthielden. Zij zat gevangen omdat zij een complot tegen Napoleon zou hebben beraamd. Zij verwierp de maatregel om alle weesjongens te dwingen in het Franse leger te gaan. Zij schreef daarover prachtige pamfletten, maar republikeins bleef ze."

In 2008 schreef Jensen het boek 'De verheerlijk van het verleden', over de ongekende heldenverering in de negentiende-eeuwse literatuur. Schrijvers als Tollens en Helmers zongen bekende boegbeelden als Willem van Oranje, Michiel de Ruyter en Rembrandt toe, maar ook minder bekende als Jan van Schaffelaar en Haesje Claes.

U liet zien hoe het gebruik van helden en mythes een belangrijk onderdeel vormden in het proces van natievorming. Was hier dan wel sprake van een invented tradition?
"In dit geval absoluut. Tollens en Helmers wilden een nationaal zelfbesef creëren en laten zien dat Nederlanders een groot verleden hebben. Zij wezen op een parallel: wat we vroeger waren, kunnen we weer zijn. Nederland was een klein land, maar we konden toen wel grote vijanden verslaan. Dat we ooit de Spanjaarden hadden verslagen was een troostrijke gedachte en hoopvol voor de toekomst. Die schrijvers wilden geschiedenis zo een functie geven. De verheerlijking van de Gouden Eeuw is in die jaren rond 1813 ontstaan, dat was een ijkpunt. Die nationalistische retoriek wordt in de loop van de negentiende eeuw alleen maar sterker. Om in verzet te komen heb je een beeld nodig om continuïteit te suggereren tussen heden en verleden. Dat kwam je overigens niet uitsluitend in Nederland tegen, de verheerlijking van het eigen verleden vind je overal in Europa. Schrijvers namen in die tijd het voortouw."

In die heldengalerij staan zowel Van Oldenbarnevelt als prins Maurits, twee mannen die elkaar behoorlijk naar het leven hebben gestaan. Hoe losten die nationalisten dat op?
"Dat was geen probleem, want Van Oldenbarnevelt en Maurits waren beiden helden des vaderlands. In de visie van de nationalisten zaten die twee gebroederlijk vanuit de hemel te kijken hoe het het Nederlandse volk verging. Er waren wel steekjes onder water. Bij Helmers zie je dat hij net iets aardiger voor Maurits is dan voor Van Oldenbarnevelt. Maar uiteindelijk is het een verzoeningsgezind vertoog dat door iedereen wordt gedragen. Dat zie je als Bilderdijk later toch weer gaat wroeten in die relatie en Van Oldenbarnevelt een onbetrouwbare schurk noemt. Hij wordt met de nek aangekeken, en krijgt een lading kritiek over zich heen. We hebben een eensgezind verhaal nodig, is de boodschap van de critici, we vormen een vaderland met een heldenpantheon waarin de vijanden van weleer met elkaar zijn verzoend. Je ziet hoe functioneel geschiedenis kan zijn in een politiek vertoog."

Die gecreëerde geschiedenis komt niet helemaal overeen met de werkelijke geschiedenis.
"Dat klopt. Om bij het motto van de Boekenweek te blijven: de zwarte bladzijden worden netjes weggepoetst. We gaan het dus niet uitgebreid hebben over de terechtstelling van Van Oldenbarnevelt. Daar trekken we een gordijn voor."

Hoe kwam die liefde voor Oranje in de literatuur terecht?
"Aanvankelijk figureerden de Oranjes alleen in symbolische zin in geschriften. In het roemrijke verleden speelden Willem van Oranje, Maurits en Willem III een belangrijke rol. Maar de verhalen waarin ze optraden, waren meer een soort terugblik op het verleden, zonder dat daar een politieke bedoeling achter zat. Dat veranderde begin 1813. De oorlog met Rusland was op een debacle uitgelopen en dat nieuws drong door in Nederland. Dat maakte het besef los dat Napoleon te verslaan was, ook door Nederland. Dat Napoleon een nieuwe conscriptieronde uitschreef in februari 1813 wakkerde het verzet nog eens aan.

In de maanden daarna en zeker na de beslissende nederlaag bij Leipzig drong in Nederland het besef door dat een toekomst zonder Franse overheersing mogelijk was. Op dat moment kwam Oranje weer als een politieke kanshebber naar voren."

De cynische en kritische commentaren van nu op het koningshuis, ontbraken destijds?
"Zo goed als. Ik kan me nu wel storen aan het commentaar van intellectuelen als Bas Heijne en Thomas von der Dunk die zeggen: moet dit nu allemaal?"

Spreekt die kritiek u ook niet een beetje aan?
"Natuurlijk. Rationeel is de erfelijke monarchie geen goed idee. Het is zelfs absurd en potentieel gevaarlijk, maar het werkt in Nederland wel. Het komt misschien ook door mijn buitenlandse perspectief. Ik heb het burgerschap hier altijd geassocieerd met het koningshuis. Ik heb genoten van al die Koninginnedagen toen ik klein was. Bovendien denk ik dat Oranje als integratiemiddel beter werkt dan menige inburgeringscursus."

"Er zijn nationale feestdagen waardoor je een band met dit land opbouwt. De symbolische functie van zulke evenementen vond ik als buitenlander zinvol. Je kijkt met meer interesse naar een koningshuis dan naar een minister-president en kabinet. Ik merk bij mezelf dat ik verlang naar een verbindend geluid."

"En weet je wat ik briljant verzonnen vind? Het Oranjeakkoord. Via de achterdeur haalt de politiek bij de bezuinigingen Oranje als het symbool van eenheid in de politiek naar binnen."

Jong KNAW-lid
Lotte Jensen (Denemarken, 1972) doceert historische Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2001 promoveerde de tweelingzus van filosofe Stine Jensen aan de UvA op het onderwerp vrouwentijdschriften en journalistes in de 18de en 19de eeuw. In Nijmegen onderzoekt zij de Nederlandse letterkunde van 1600 tot 1850, met speciale aandacht voor de verwerking van het nationale verleden, het vrouwelijke schrijverschap, de beeldvorming rondom nationale identiteiten en persgeschiedenis. In 2011 won zij de Teylerspenning voor haar studie naar het verzet tegen Napoleon. Ze is onlangs benoemd in de Jonge Akademie van de KNAW.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden