Essay

Een open, kleinschalige gevangenis prikkelt gedetineerden om zich positief in te zetten

De Kviabryggja gevangenis in het westen van IJsland; na de bankencrisis van 2008 zaten hier malverserende bankiers vast. Beeld Getty Images Europe

Op zijn tournee langs gevangenissen laat criminoloog Francis Pakes zich insluiten in een IJslandse bajes. ‘Daar kan ook Nederland een voorbeeld aan nemen.’

Bij het wakker worden moet ik heel even denken waar ik ben. O ja. Ik kijk uit het raam, zie gras en besneeuwde bergtoppen. Het is stil. Ik kijk op m’n horloge. Het is half acht, dinsdag 10 juni. Ik heb m’n eerste nacht achter de rug in een gevangenis. In IJsland.

Ik sta op, doe mijn slippers aan en slenter naar de eetruimte. Gevangenen lopen langzaam. Waarom zou je haast hebben? Ik pak een koffie, en ik bekijk de keuzes voor het ontbijt. Er is nogal wat: fruit, brood, boter, kaas, verschillende soorten cornflakes, melk. Op dit moment ben ik de enige hier.

Dan komt Olaf de keuken uit en groet me. Hij is gemoedelijk, en ook een klein beetje trots: “Ja, pak wat je wil. Koffie is hier de hele dag. Fruit ook. Om 12 uur gaan we lunchen, om 6 uur weer eten, en tegen een uur of drie ’s middags zetten we altijd wat koekjes neer.”

WK voetbal

Ik smeer wat brood en ga zitten. Er is geen bewaarder in zicht. Olaf komt van het Europese vasteland en zit vast voor drugssmokkel. Hij heeft een van de beste baantjes in deze gevangenis: kok. En hij neemt dit uitermate serieus. Gedurende de week heb ik veel gesprekjes over het eten: hoe lang de ham in de oven is geweest, wat gevangenen wel en niet lusten. Eten is belangrijk, dus kok zijn is statusverhogend. En ook een beetje stressvol.

Olaf heeft een extra drukke week. Het is de tijd van het WK voetbal. IJsland heeft zich voor het eerst in de geschiedenis hiervoor geplaatst. Van de week neemt IJsland het op tegen Nigeria. Olaf en z’n collega Bjartur gaan hapjes maken. Voor bij het voetbal.

Kviabryggja, een open gevangenis in IJsland Beeld Francis Pakes

Hoe ben ik hier terechtgekomen? Ik ging op eigen verzoek. Ik onderzoek gevangenissen. In Engeland, waar ik werk als hoogleraar, zijn criminologen de wanhoop nabij over het Engelse gevangeniswezen. Journalisten worden geweerd, de omstandigheden zijn slecht. Veel gevangenissen zijn door bezuinigingen zwaar onderbemand en vanwege het strenge strafklimaat juist overvol. Er is veel geweld, en drugs zijn volop verkrijgbaar. Van rehabilitatie komt daarom meestal weinig. Verschillende keren moest het Tornado Team (zeg maar de ME van het gevangeniswezen) bij oproer ingrijpen. Tot overmaat van ramp blijkt een veelgebruikt programma om zedendelinquenten op het rechte pad te krijgen waardeloos: de recidivecijfers voor de delinquenten die het programma hadden doorlopen werden juist hoger. Veel gevangenissen stinken. En veel jeugddelinquenten hebben honger. Elke dag. Het is een schande.

Nederland was een voorbeeld

Sinds het ontstaan van de moderne gevangenis is de vraag: wat maakt een gevangenis ‘goed’? Wanneer heeft zitten ‘zin’? Waar is de gevangenis nu precies voor?

Deze vraag is moeilijk te beantwoorden omdat een gevangenisstraf tegenstrijdige doelen heeft. Ten eerste gaat het om vergelding en straf. Tweede doel is, symbolisch of niet, te bevestigen dat bepaald gedrag wordt veroordeeld. Ten slotte is er de ambitie om te dader te verbeteren. Maar hoe voldoe je aan al die doelstellingen binnen een en dezelfde inrichting?

Nederland kende een sterke traditie van humane gevangenissen. Engelsman John Howard reisde al in de achttiende eeuw naar de Lage Landen en was onder de indruk van onze schone en rustige gevangenissen. In de jaren zeventig, tot begin jaren tachtig van de twintigste eeuw, was Nederland nog steeds het gidsland voor het humane gevangeniswezen.

Die positie is Nederland kwijtgeraakt. Vanaf de jaren negentig bouwde Nederland veel gevangenissen, zoals in Zwolle, en vooral: liet het systeem van individuele cellen los.

Waar criminologen vroeger naar Nederland als gidsland keken, kijken ze nu naar Scandinavië, vooral Noorwegen. Noorse gevangenissen zijn kleiner, schoner en de sfeer is informeler, en meer relaxt. Gevangenen zijn minder bang. Er is minder geweld. In de Britse en Amerikaanse pers zie je daarom geregeld romantische verhalen over deze gevangenissen: vooral de gevangenis van Halden in het zuiden van Noorwegen vlakbij de Zweedse grens wordt vaak neergezet als een soort van droominrichting. De architectuur is stoer, en zou voor een museum voor moderne kunst niet misstaan. Het ligt idyllisch tussen de naaldbomen. Het heeft een professionele soundstudio, en moderne kunst van Dolk (de Noorse Banksy). Er is ook een appartementje binnen het complex dat eruitziet alsof het volledig door Ikea is gestoffeerd, geheel volgens het Scandinavische cliché. Dit is voor gevangenen om een nacht of een weekend door te brengen met partner en eventueel kinderen. Je voelt je hier niet alsof je in een gevangenis bent.

Kleinschalig

En dan is er nog de bijna magische gevangenis Bastøy. Bastøy is een eiland. Je komt er alleen via een veerbootje dat door gevangenen wordt gerund. Het lijkt, echt waar, op een vakantiekamp, maar in werkelijkheid is het een boerderij waar gevangenen de boel draaiende houden. Het klinkt raar, maar als bezoeker loop je veilig rond en kun je in de koeienschuur de gevangenen niet van de bewaarders onderscheiden.

Noorwegen heeft de sterkste reputatie van ‘goede’ gevangenissen. De halve criminologische wereld heeft de Noorse gevangenissen bezocht. Maar een stuk verderop ligt IJsland. En daar komt bijna niemand. Het is afgelegen, zeer dunbevolkt en over het gevangeniswezen hoor je nooit wat.

Ik legde via-via contact. Sindsdien heb ik alle gevangenissen in IJsland bezocht. Dit klinkt meer dan het is, er zijn er maar vijf. Twee zijn open gevangenissen. In IJsland betekent dat: wijd open. Dat maakte indruk op me. Deze gevangenissen zijn zo open dat ze in feite onbedoeld het hele idee van een gevangenis belachelijk maken. Je rijdt het terrein op, niemand legt je een strobreed in de weg; je parkeert je auto en je loopt naar binnen. De gemiddelde boerderij in Zuid-Engeland, waar ik woon, heeft meer beveiliging dan deze gevangenissen.

En ze zijn klein. De grootste gevangenis, Litla-Hraun, heeft ruim zeventig gevangenen. De kleinste, in de noordelijke stad Akureyri maar tien. Beide open gevangenissen hebben zo’n twintig ingezetenen. Het zijn kleine, min of meer op zichzelf staande gemeenschapjes. Een hoop aannames rondom het gevangeniswezen gaan hier niet op. Deze gevangenissen zijn gemengd, met jongere en oudere gevangenen met alle mogelijke delicten op hun naam: fraude, poging tot moord, verkrachting, misbruik.

Logeren in de gevangenis

Er wonen ook vrouwelijke gedetineerden. Het leeft allemaal samen, en in deze kleine leefvorm kennen ze elkaar goed. Soms neemt een bewaarder z’n hond mee, wat verschillende gedetineerden gezellig vinden. Een ander komt even buurten op z’n vrije dag. Weer een ander neemt ook weleens z’n kinderen mee. Dat kan allemaal. Bezoekers blijven eten. Er is geen bezoekuur, maar bezoekdagen. Je kunt uren blijven.

Dit alles leidt tot een samenlevingsvorm die veel van de negatieve uitkomsten van een gevangenisstraf ongedaan kan maken. Het contact met familie blijft beter. Je kunt aan jezelf werken. Je hoeft niet bang te zijn, en de kans op trauma is kleiner dan in de meeste andere gevangenissen. Als het goed gaat kunnen veel gevangenen wanneer ze hun straf hebben uitgezeten, weer de maatschappij in.

Beeld Frans Pakes

Dat bracht me op het idee om er te gaan logeren, om deze twee gevangenissen van binnenuit te ervaren. Ik wilde een dubbelrol: enerzijds gevangene zijn, en ook zo behandeld worden. Aan de andere kant onderzoeker zijn, met twee taken: observeren en interviewen.

Toen ik het voorstelde aan het hoofd van het gevangeniswezen was de respons verrassend positief: geen probleem! Dat zegt iets. Ten eerste spreekt daar vertrouwen uit in deze gevangenissen. Ze waren niet bang dat mij, een 50-jarige professor met een brilletje uit Engeland, iets zou overkomen. En ze waren blijkbaar ook niet bezorgd dat ik een negatief exposé zou schrijven waarmee ze voor schut zouden gaan. Beide directeuren vonden het ook allemaal prima, en dat is heel bijzonder.

Skypen met het thuisfront

Gedurende de twee weken dat ik ‘gevangene’ was, heb ik me geen moment onveilig gevoeld. De dagelijkse routine went snel. En ik heb, echt waar, heerlijk gegeten.

Tijdens mijn verblijf heb ik aan veel gevangenen gevraagd: “Wat het beste is aan deze gevangenis?”. Vrijwel zonder uitzondering luidde het antwoord: de telefoon en internet. Hoewel smartphones taboe zijn heeft elke gevangene een mobieltje en kun je een computer huren van de gevangenis. Natuurlijk zijn er restricties op internet - sociale media zijn verboden. Maar skypen met je partner mag elke dag. Dat veelvuldige contact met het thuisfront maakt deze gevangenissen veel draaglijker.

“Wat is hier het beste?”, vroeg ik ook aan alle bewaarders. Zij gaven andere antwoorden. Zij benadrukten juist de onderlinge verhoudingen, en de vertrouwensbasis tussen gevangene en bewaarder, die elkaar vriendelijk en beleefd bejegenen. Volgens de bewaarders wilden ze de gevangenen als individu leren kennen en voorwaarden creëren waarin het individu met zichzelf aan de slag kan. Als je wilt, kun je veel buiten zijn, werken met dieren, onlinecursussen volgen, lezen, enzovoort.

Tijdens mijn ‘gevangenistijd’ kwam Pétur vrij. Hij omarmde de bewakers en de gevangenen, ook mij. We hadden allemaal een brok in de keel.

Voor de bewaarders ligt de essentie in het samenspel en de sfeer binnen de inrichting. Voor de gevangenen is het juist de blik naar buiten.

Kinderboederij

Deze filosofie werkt uitstekend voor de ‘volwassen’ gevangenen: die zichzelf kunnen redden en niet kampen met grote psychische problemen. Maar ook de kwetsbaardere gedetineerden gedijen hier aardig. Ik ontmoette mannen die het in andere gevangenissen lastig zouden hebben, bijvoorbeeld vanwege hun geaardheid of doordat ze vastzitten voor een zedendelict. Ik sprak verschillende gevangenen die het sociaal of emotioneel moeilijk vinden om in een groep te functioneren. Ze waren niet altijd populair, maar onvriendelijk bejegend werden ze niet. Ook zij voelden zich veilig.

Voor anderen is de gevangenis bijna te soft. “Het is meer een kinderboerderij”, zei een door de wol geverfde kerel uit de georganiseerde misdaad. “Ik mis echte boeven.” Deze zware crimineel, die zich onder het strengste gevangenisregime had weten te handhaven, voelde zich hier als een vis op het droge.

Als je aan de gedetineerden vraagt wat het slechtste is aan deze gevangenissen, krijg je verschillende antwoorden. Veel zijn een variatie op een thema: het blijft een gevangenis, naar huis kun je niet.

Beeld Francis Pakes

Zoals in elke gevangenis is er veel boosheid, maar die richt zich hier vooral op ‘het systeem’, niet op deze gevangenis of het personeel. Gedetineerden zijn gefrustreerd over de voortgang van procedures of over een gebrek aan psychiatrische en psychologische hulp. Nog een schaduwkant: de anderen. “Je kunt wel zeggen dat alles hier fijn is”, zei een gedetineerde, “maar ik zit wel koffie te drinken naast een verkrachter. En daar moet ik dus vriendelijk goedemorgen en goedemiddag tegen zeggen. Wie kiest daarvoor? Niemand.”

Kortom, zelfs het verblijf in deze gevangenissen wordt wel degelijk als straf ervaren.

Prikkel tot positiviteit

Iedere gedetineerde heeft eerst korter of langer in een gesloten gevangenis gezeten. De omstandigheden daar zijn een stuk minder prettig. Iedereen verkiest de open variant. Dus houden de gevangenen zich daar aan de regels; slechts 10 tot 20 procent per jaar overtreedt die regels en wordt teruggestuurd. Dat is belangrijk voor deze gevangenissen, maar ook voor het hele systeem. Progressie zit ingebouwd. Er is hoop. En je hebt wat te verliezen. Dat creëert een gevangeniswezen waar de gedetineerden vooruitkijken. Dat geeft ze betere kansen als ze vroeger or later weer buitenstaan. In het milde strafklimaat in IJsland is dat vaker vroeger dan later.

En daarom werkt het. Omdat de prikkel om te blijven en er iets positiefs van te maken sterk is. Muren, hekken en alarmsystemen heb je daar niet voor nodig. Misschien is de beste gevangenis wel die waaruit je weg kunt lopen, maar waar je toch liever blijft. Daar kom je als gedetineerde beter uit dan je erin ging. En dat is misschien toch de echte lakmoestest.

Zou zoiets ook in Nederland kunnen? Ja, waarom niet? Schaalverkleining in het gevangeniswezen is niet ondenkbaar. Dat gebeurt met jeugdigen in Nederland ook wel, bijvoorbeeld in Groningen. En de verhoudingen tussen ‘vergelden’, ‘verwijderen’ en ‘verbeteren’ zijn niet strikt en altijd aan verandering onderhevig. Eigenlijk is het idee van verbeteren heel Nederlands. De Nederlandse gevangenistraditie staat in dit teken, in contrast met Engeland, waar gevangenissen eigenlijk al meer dan tweehonderd jaar akelig en smerig zijn.

Kleine gevangenissen die open zijn en op herstel gericht, passen uitstekend binnen de Nederlandse traditie. Laten we dat ideaal, dat gevangenissen iets positiefs teweeg kunnen brengen, niet ten grave dragen. Daarmee zouden we iets om zeep helpen dat juist heel Nederlands is. 

Psycholoog Francis Pakes (Gorinchem, 1967) is hoogleraar criminologie in Portsmouth (GB).

Lees ook:

‘Ook tegenover meervoudige moordenaars moeten we humaan zijn’

Een nieuw college buigt zich sinds kort over de toekomst van levenslanggestraften. Een beladen klus.

‘Gestrafte moet boete doen’

Er is te veel aandacht voor daders en te weinig voor slachtoffers, vinden lezers van Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden