Een opbloeiende liefde voor Vlaamse literatuur

De Vlaamse schrijver Erwin Mortier, winnaar van de AKO Literatuurprijs 2009, bij de uitreiking. (FOTO ANP)

De Vlaamse literatuur voelde zich jarenlang achtergesteld door de Nederlanders. Maar nu laait de liefde op tussen Nederland en België. Voorlopig hoogtepunt in de relatie: liefst vier Vlaamse genomineerden voor de Librisprijs 2010, die maandagavond wordt uitgereikt.

Eind 2008 verscheen in Vlaanderen de bloemlezing ’Hotel New Flanders, 60 jaar Vlaamse poëzie’. Vlaanderen dus onder de wieken van Nederland vandaan. Het leek een dissident statement in wat de laatste tijd op een soort wederzijdse hofmakerij lijkt uit te lopen: Vlamingen geven belangrijke literatuurprijzen aan Nederlanders, Nederlanders aan Vlamingen.

Kijk maar. De laatste Librisprijs ging naar Dimitri Verhulst, Belg. De laatste AKO-literatuurprijs naar Erwin Mortier, Belg. De voorlaatste Gouden Uil ging naar Marc Reugebrink, Nederlander. De laatste naar Robert Vuijsje, Nederlander. Zelf zat ik in de jury van de Gerard Walschapprijs van de Stad Londerzeel. Winnaar: Christiaan Weijts, Nederlander. Vorige winnaar: Désanne van Brederode, Nederlandse.

Een voorlopig hoogtepunt in de hoofse liefde tussen beide is de nominatie van liefst vier Vlamingen voor de maandagavond uit te reiken Librisprijs 2010. Een record. Of de winnaar er ook tussen zit moet nog blijken, maar de kansen zijn nog nooit zo groot geweest. De literaire bookmakers houden het op Tom Lanoye, de barokke en bevlogen Vlaming, hier aanwezig met ’Sprakeloos’, een biografie over zijn moeder, maar mijn persoonlijke favoriet is Peter Terrin, die met ’De bewaker’ een kafkaëske eindtijdroman schreef, koel en klaar als het beste werk van W.F. Hermans.

Wat is er aan de hand in de oude interland? Een paar seizoenen geleden klonk opeens de mare: de Belgen zijn beter! Het was een lopend vuurtje, iedereen in literair Nederland had het er over. Er zou een heel contingent jonge Vlaamse schrijvers staan te trappelen, met stijl, taalgevoel en fantasie die de mogelijk wat drooggevallen Nederlandse letteren kwamen opfleuren. Namen onder andere: Dimitri Verhulst, Stefan Brijs, Saskia de Coster, Yves Petry, Annelies Verbeke. Van die laatste bijvoorbeeld verscheen in 2003 het boek ’Slaap’ dat enthousiast werd besproken in NRC Handelsblad, door Elsbeth Etty. En een pluim uit Nederland telt dubbel in Vlaanderen, waar het boek vervolgens een soort hype werd.

Overigens stuitte de onverwacht oplaaiende liefde van Nederlanders voor de Belgen ook wel op enige verlegenheid, misschien zelfs achterdocht bij de onwennige idolen. De Vlaamse criticus Frank Albers bijvoorbeeld vroeg zich af waar al die hulde opeens vandaan kwam en ook of ze wel terecht was.

Misschien verklaarbaar, omdat de Vlaamse literatuur zich jarenlang achtergesteld en onheus behandeld voelde door de Nederlanders. In 1993 nog struikelde dichter en essayist Dirk van Bastelaere over een losse flodder uit de mond van de Nederlandse auteur Bernlef die terloops gezegd had dat de Vlaamse literatuur dichter bij de orale traditie stond dan de Nederlandse. Misschien wel een compliment uit zijn mond maar in de oren van anderen de zoveelste belediging, want oraal dat riekt naar primitief.

’Ju ju, wat een grof volkje’, had Lodewijk van Deyssel al eens over de Vlamingen beweerd, een andere uitspraak die altijd maar blijft hangen. En somde in de eerste drukken van zijn bloemlezing ’De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten’ Gerrit Komrij de Vlamingen niet op in het volgende onflatteuze rijtje: ’de zonderlingen, de studenten, de Vlamingen en de vroeggeknakten’. In de laatste drukken verdween dat rijtje overigens uit de tekst. Nu eindigt die met: ’Voor stoel en bibliotheektafel ben ik vooral het Poëziecentrum van Gent dankbaar.’

Zo hoog liep de frustratie op dat toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw de Vlaamse dichter Eddy van Vliet samen met Nederlander Cees Buddingh’ een poëziebloemlezing samenstelde waarin ’te veel’ Nederlanders figureerden, sommige Vlamingen serieus van ’literaire collaboratie’ spraken. Eén ding kan ik, als voormalig jurylid in al die prijzen, uit ervaring zeggen: Vlaamse juryleden in Nederlandse jury’s zijn zeker geen chauvinistische voortrekkers van de eigen literatuur. Vlaamse schrijvers moeten het dus voor wat betreft het prijzengeld beslist ook van hun Nederlandse liefhebbers hebben en dat gebeurt zo te zien momenteel dan ook.

Toch is die recente Nederlandse waardering voor de Vlaamse literatuur helemaal niet zo nieuw als het lijkt. Er zijn altijd schrijvers uit België geweest die het bij de noorderburen heel goed deden, soms zelfs beter dan thuis. Guido Gezelle en Paul van Ostaijen zijn ook in Nederland onomstreden grootheden. De heldere en ironische Willem Elsschot kreeg in de Nederlandse literatuur een status die hij in België nooit bereikte. Louis Paul Boon had in Nederland een hele schare liefhebbers en werd in België veel minder innig omhelsd. Zozeer zelfs dat Jeroen Brouwers ooit opmerkte dat zijn standbeeld precies op de grens van Nederland en België moest komen ’met zijn gezicht naar Amsterdam gekeerd en zijn kont naar Vlaanderen’. En de grote Hugo Claus was jarenlang onze voornaamste kandidaat voor de Nobelprijs. Onze.

En dan waren er nog de eindexamenlijstjes van middelbare scholieren in Nederland met een vracht aan Vlaamse favorieten, ’De komst van Joachim Stiller’ van Hubert Lampo, ’De trein der traagheid’ van Johan Daisne, ’Een faun met kille horentjes’ van Hugo Raes. Misschien niet iets om als natie trots op te zijn, die eindexamenlijstjes bij de buren, maar toch.

Het opmerkelijke van die oude Vlaamse favorieten is overigens dat ze zo divers zijn, soms lyrisch (Gezelle), soms barok (Claus) maar ook wel eens helder en koel (Elsschot). Datzelfde geldt voor de jongste generatie Vlamingen. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de jarenlang spreekwoordelijke Vlaamse sappigheid de overhand heeft in de Nederlandse Libris-nominaties. Tom Lanoye ja, die kan er wat van en Walter van den Broeck heeft ook een vurige pen. Maar Bernard Dewulf is dan weer een heel ingetogen en precieze schrijver en Peter Terrin schrijft als met een etsnaald.

De tegenstelling tussen Nederlandse en Vlaamse literatuur is vaak vergeleken met die tussen het calvinisme en het katholicisme, de strenge noordelijke handelsgeest versus het bourgondische joie de vivre, het nette wat saaie Nederland en het woeste apenland Vlaanderen. Maar wie naar de wederzijdse waardering kijkt moet vaststellen dat zulke clichés hun geldigheid grotendeels hebben verloren. Alhoewel, het Nederlandse kassucces van Jan Siebelink, ’Knielen op een bed violen’, met zijn evocatie van het zwartste calvinisme, deed in België bijzonder weinig. Dat was allicht toch een brug te ver.

Er moet toch iéts zijn dat op herkenning bij de ander stuit. Bij de verrassende winnaar van de Gouden Uil 2009, Robert Vuijsje met ’Alleen maar nette mensen’, zal dat de wonderlijke mix van kakkineuze beschaving met de zwarte emigrantencultuur zijn geweest, die in België met zijn voormalige kolonie Kongo, natuurlijk ook voorhanden is.

Wat omgekeerd de Nederlandse lezers nu precies in de Vlaamse letteren aantrekt is niet direct aanwijsbaar. Van de rock-’n-rollstijl van schrijvers als Tom Lanoye en Herman Brusselmans kun je misschien niet zo gauw tegenvoorbeelden in de Nederlandse literatuur aanwijzen, maar schrijvers als Yves Petry, Annelies Verbeke, Saskia de Coster en Peter Terrin schrijven in elk geval keurig Nederlands, zonder exotische Vlaamse tongval. Wel hebben hun verhalen vaak een licht vervreemdende, soms zelfs ietwat surrealistische inslag. Misschien is het net dat tikje meer fantasie en vrijheid dat het ’m doet. En dan heb je nog een gelauwerde schrijver als Erwin Mortier, wiens precieuze verhalen zelfs aan Proust doen denken. Het is kortom nogal een veelkleurig en compleet pakket dat de jongste Vlaamse literatuur de lezer te bieden heeft.

De aantrekkingskracht ligt misschien vooral in het ondefinieerbaar soort frisheid van een literatuur die zojuist z’n eigen kracht heeft ontdekt. Die allicht ook zelfbewuster geworden is sinds de Belgische staatshervorming Vlaanderen apart zette van Wallonië. Een soort slim en kritisch zelfvertrouwen, zoals dat klinkt in dit ironische fragment uit Petry’s roman De achterblijver: ’Wij hebben het, dames en heren, als mensheid lang niet slecht gedaan. Daar mogen we eigenlijk best fier op zijn. En omdat er niemand is die ons daarmee zal feliciteren, moeten we het zelf maar doen. Van de andere diersoorten hoeven we geen lof te verwachten.’

Eén ding zit er niettemin scheef in de prille liefdesverhouding Holland-België. Nederlanders zijn altijd bijzonder graag ook in levende lijve naar België getrokken. Multatuli schreef zijn Max Havelaar in Brussel. Vincent van Gogh predikte in de Borinage, W.F. Hermans woonde een tijdje in België, net als Gerard Reve. Tegenwoordig hebben schrijvers als Benno Barnard, Marc Reugebrink en Joke van Leeuwen zich er metterwoon gevestigd en willen niet meer terug. Ramsey Nasr was voor hij Dichter des Vaderlands werd, stadsdichter van Antwerpen. Maar de animo van Belgische schrijvers om naar Nederland te komen is aanzienlijk minder groot. Ze willen maar wat graag door Nederlandse uitgevers uitgegeven worden, en dat gebeurt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw ook, toen Nederlandse scouts in Vlaanderen kwamen grasduinen, maar zich in Nederland vestigen is nog wel wat anders. Misschien toch ietsje te calvinistisch? Of zoals het bij onze eigen nestvlieders opklinkt: ’Liever heimwee dan Holland’ (Vroman) of ’In Nederland wil ik niet leven, Men moet er steeds zijn lusten reven, Ter wille van de goede buren, Die gretig door elk gaatje gluren’ (Slauerhoff).

Hoe dan ook, wat de Vlamingen betreft is het, ondanks de bloeiende liefde en de warme gevoelens, onmiskenbaar een latrelatie.

De Vlaming Dimitri Verhulst won in 2009 de Libris Literatuurprijs. (FOTO ANP )
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden