Een onvergeeflijke fout van een naïeveling

Jonkheer De Geer was er tot diep in de Tweede Wereldoorlog van overtuigd dat de Duitsers leiding moesten nemen in een nieuw Europa. De arts in ruste Van Osch schreef een gedetailleerde biografie van deze naïeve politicus.

Jan Kuijk

Henk van Osch: Jonkheer D.J. de Geer, De teloorgang van een minister-president. Boom, Amsterdam. 549 pagina’s ISBN 9789085064213; 549 blz. euro 29,50

Hij is nagenoeg vergeten, al was hij een van de belangrijkste Nederlandse politici van de jaren twintig en dertig en vormt hij nog steeds een unicum in onze parlementaire geschiedenis. Hij is immers de enige minister die ooit door een strafrechter veroordeeld is voor zijn politiek handelen, om maar wat te noemen. Dat had weliswaar alles te maken met de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog, maar dat betekent ook dat hij niet los gezien kan worden van de emoties, die de Tweede Wereldoorlog nog steeds kan oproepen.

Het gaat om jhr. mr. Dirk Jan de Geer (1870-1960) over wie deze week een biografie verscheen van de hand van Henk van Osch. Een dik boek, want de schrijver heeft het hele politieke leven en handelen van De Geer gedurende de eerste veertig jaar van de vorige eeuw tot in de kleinste details nagegaan. Wat na te speuren was, heeft Van Osch opgespoord en wordt ons in een strikte chronologie geopenbaard. Verdienstelijk, al lijdt de leesbaarheid daar soms onder. Mies van der Rohe’s paradox less is more ging dan ook vaak door mijn hoofd bij het lezen van dit boek.

Pas als Van Osch thematisch te werk gaat – in de hoofdstukken over de Duitse bezetting en de ballingschap van het tweede kabinet-De Geer in Londen – wordt het een echt verhaal, al mag zijn eveneens thematische beschrijving van de Christelijk-Historisch Unie (als ik het goed begrepen heb een soort politieke vrijmetselarij) er ook zijn. En het gewaagde psychogram waarmee Van Osch zijn boek eindigt vormt een fraaie afsluiting. Hij stelt dat faalangst en grote onzekerheid De Geer haast dwangmatig dwongen alles te controleren en op te schrijven, om het even of het ging om de aankoop van een doos sigaren of de tekst waarover de dominee gepreekt had.

Onvermijdelijk valt er door de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog en het vervolg daarvan een zware schaduw over het werk van De Geer uit de eerste veertig jaar van de vorige eeuw. Even opsommen: minister-president, drie maal minister van financiën, één maal minister van binnenlandse zaken, minister van staat en als hij het zelf niet afgewezen had vice-voorzitter van de Raad van State. Daar tussendoor en daarna steeds Tweede Kamerlid en op een eigenzinnige wijze voorzitter van de CHU-fractie.

’t Is allemaal indrukwekkend, maar ook de ijverige biograaf moet toegeven dat zijn boek niet als een rehabilitatie mag worden beschouwd. Dat kan ook niet, want De Geer faalt in de zomer van 1940 op een grootse manier, als hij met zijn tweede kabinet na de Duitse overval van 10 mei 1940 tijdens de Londense ballingschap geen leiding kan geven. Hij wordt ontslagen en als een defaitist en gevaar voor het moreel van de Nederlandse kolonie met een niets voorstellende opdracht naar Indië gestuurd. Op doorreis blijft hij in Lissabon hangen en ziet via de Duitse gezant aldaar kans om van diens regering in Berlijn toestemming te krijgen naar zijn vrouw in het bezette Nederland terug te keren.

Een forse dreun voor de meerderheid van de Nederlanders, Had hij zich maar stil gehouden, dan was er na een paar weken nog mee te leven geweest. Maar daar was hij de man niet naar. Hij wil zich rechtvaardigen en daarvoor heeft hij opnieuw de Duitsers nodig. Hij schrijft en herschrijft onder het welwelwillend toezicht van de Duitse censor een brochure, waarin hij een nieuwe politieke en economische samenwerking in West-Europa bepleit – natuurlijk onder Duitse leiding. Dat was tussen de regels duidelijk te merken.

Dat hij iets dergelijks in het begin van 1941 onder de indruk van de aanvankelijke Duitse successen schreef, is misschien nog te begrijpen. En waren meer Nederlanders, die probeerden er van te maken wat er van te maken was. Maar dat hij één jaar later de publicatie niet tegenhield toen ook Amerika in de oorlog betrokken was en aan het oostfront sprake was van een keerpunt – dat is op zijn minst naïef. En naïviteit is voor een politicus in die omstandigheden onvergeeflijk. Dan mag er gesproken worden van ’schuldige naïviteit’.

Na de oorlog, in 1947, heeft De Geer dat allemaal ook uit de mond van een bijzonder gerechtshof – en bevestigd door een raad van cassatie – kunnen horen en ervaren. De straf was symbolisch (één jaar voorwaardelijk), maar hij was voortaan een gebroken man die zich probeerde te rechtvaardigen in een reeks klagerige brochures, die zich laten lezen als een trieste reeks thema’s zonder variaties. De buitenwereld had er nauwelijks belangstelling voor. De boekjes werden niet verkocht en De Geer moest zelf voor alle kosten opdraaien.

Troost kreeg hij in een brief van een scherpzinnig jurist als het lid van de Hoge Raad, Jan Donner, die – juristen onder elkaar – hem verzekerde: „het was een fout, maar een fout is nog geen misdaad”. Maar los daarvan herinnerde zich een andere scherpzinnige jurist, prof. George van den Bergh, het oordeel van Talleyrand, toen deze hoorde dat Napoleon de hertog van Enghien had laten fusilleren: „dit is erger dan een misdaad: dit is een fout”.

Beide citaten zijn bij Van Osch te vinden, en al zoekt hij geen rehabilitatie, ik houd het er op dat hij zich al schrijvend het beste thuis gevoeld heeft in de buurt van Donner.

Tot plotseling in de laatste pagina’s. Daar gebeurt iets. Is het op instigatie van Hans Renders, directeur van het biografisch instituut van de Groningse universiteit dat hij opeens de stelling omarmt dat de psychologie een verantwoorde manier is om het historisch onderzoeksveld te verbreden? In elk geval trekt Van Osch daar zijn doktersjas aan om met dat gezag en zijn jarenlange ervaring als huisarts een psychologisch portret, zonder vraagtekens, te ontwerpen en De Geers achilleshiel te tonen: onzeker, hunkerend naar eerbewijzen, afstandelijk, gebrek aan realisme; zulk soort dingen.

Een samenvatting in één zin? „Geen vrienden, geen vijanden, geen zelfkennis en niets ongecontroleerd.” Aldus dokter Van Osch over zijn patiënt.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden