Een onfatsoenlijke kerel

Bladerend door mijn dagboek stuitte ik op een merkwaardig voorval, dat zich afspeelde toen ik met mijn schoonfamilie aanwezig was in het wegrestaurant te L., alwaar mijn vrouws enige tante haar 75ste verjaardag vierde.

Zij zou ons tracteren op een maaltijd met aperitief. Bij het binnentreden van het

etablissement hoorden we hoog in de lucht gegak van ganzen, die de wijk

namen naar het zuiden en het kerstdiner niet afwachtten; achteraf gezien een

teken aan de wand.

Vooralsnog leek er geen vuiltje aan de lucht en in de gelagkamer gingen we

al spoedig over tot de cadeauaanbieding, waarbij tante volgend gedicht

moest lezen, dat buiten op het inpakpapier geschreven stond: ‘Gaat gij hoger

op,/ wil mij dan betreden./ Is het werk af: stop./ Dan weer naar beneden.’

Na deze indicatie over de inhoud kwam weldra de bezongen keukentrap te

voorschijn. Hij werd uitgezet en het kloeke model werd om strijd geprezen.

Tante Berendien, een ongetrouwde handwerklerares, wilde de trap ook meteen

uitproberen en klom resoluut de treden op. Daar staande, hieven wij de

lofzang aan: ‘Lang zal zij leven’, alsmede het toepasselijke: ’Zij leve

hoog!’

Halverwege deze liederen merkten we een medezanger op aan een belendend

tafeltje, een man die al eerder onze aandacht getrokken had doordat hij

dronkemanspraat uitkraamde en dit vergezeld liet gaan met uitvallen naar de

haardos van een tegenover hem zittende tafelgenoot. Na het zingen verhief

hij zich onzeker en kwam met waggelende pas op onze feestgroep toe,

onderwijl roepende: ‘Ik geef een rondje, een rondje van mij.’

Toen hij het middelpunt van de feestvreugde had ontdekt pakte hij tante

Berendien enkele keren stevig bij haar arm, terwijl hij op mijn knie steunde

met zijn andere hand. ‘Gefeliciteerd oma. Hoe oud bent u? Ik schat u op 65.

Mag ik uw adres wel, dan kom ik een keertje bij je koffiedrinken.’ Het was

aan tante te zien dat zij aan een heftige innerlijke gemoedsgesteldheid ten

prooi viel. Haar leven lang was ze niet op mannen gevallen en nu gebeurde

het omgekeerde.

Mijn schoonmoeder, die in de zatlap haar oud-dorpsgenoot Mans Witter herkend

had, deed een poging om Berendien uit haar ongelukkige positie te bevrijden.

Als trouvaille riep ze over de tafel: ‘Gelukkig das t trouwd bist,’ anders

kon e die t nog wel muilek moaken.’ De man veranderde van houding en richtte

nu zijn aandacht op de overkant. ‘Wat bist-doe veur aine? wilde hij weten.

’t Bleek dat hij de godsdienstige afkomst van de spreekster op het oog had.

Na hem daarover genoegzaam te hebben geïnformeerd, viel hij uit, wijzend op

de persoon die vóór ons gezang zijn gesprekspartner was geweest: ‘En dei

doar is n dikke Cocksiaan.’ De man in kwestie, die ook naderbij gekomen was

en mijn schoonvader wel kende, lachte als een boer met kiespijn en sprak

bezorgd: ‘Kreeg k hom hier moar vandoan.’

Nog weer wilde de indringer ons aan ’t drinken hebben, maar mijn vrouw sprak

beslist: ‘Ie mouten noar hoes goan.’ Met tegenzin krabbelde Witter op en

begon een zoenend afscheid. Het eerst was mijn schoonmoeder de klos; ze

verzette zich niet en dat was misschien maar ’t beste. Mijn vrouw die naast

haar zat, was echter snel opgestaan en vluchtte naar het andere eind van de

tafel, terwijl tante Berendien achter mij dekking zocht. Tegen haar riep de

man: ‘Al mout k ook n dag achter die aanzitten, kriegen zel k die!’ Het werd

een dolle toestand, die we een half uur geleden nog voor onmogelijk hadden

gehouden. Ik had al enige keren richting uitbater gekeken, maar deze hield

zich afzijdig. Dat wijzelf als familieleden geen hand uitstaken bevreemdde

me achteraf nog het meest!

Tot ons geluk gaf Witter op een gegeven moment zijn toenaderingspogingen op

en maakte leunend op de arm van zijn metgezel aanstalten om de zaal te

verlaten. Met genoegen namen wij deze ontwikkeling waar en zagen vervolgens

dat de Mercedes met de beide heren wegreed in de richting van de eerder

gesignaleerde trekvogels. Om te zeggen dat wij in een feestelijke stemming

aan tafel plaatsnamen zou overdreven zijn. Toch wist mijn schoonmoeder al

spoedig de ban te breken. Nog namokkend sprak zij: ‘En die onfatsoenlijke

kerel gaf mij 80 en jou maar 65 jaar.’ Dat brak de spanning. De

kerstgedachte keerde -zij het ietwat gehavend- terug en op tante Berendiens

gezicht verscheen een glimlach, die de rest van de avond stand hield.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden