Review

Een ondergewaardeerde razende reporterPIETER VAREKAMP

Pieter Varekamp is programmamaker. Hij is 56 jaar, maar dat hadden er ook minder kunnen zijn. Als die kogels in 1989 in Roemenië raak waren geweest, bijvoorbeeld. Of als een van die duizenden vliegtuigen en vliegtuigjes het had begeven, zoals dat ene tussen Ierland en Engeland ooit, dat had vergeten te tanken.

In zijn vroegere leven was Pieter Varekamp razende reporter voor Avro's Televizier. Alle rampen, alle oorlogen (met uitzondering van de Golfoorlog, want toen was hij geveld door een hartaanval), alle misstanden in de wereld zocht hij op. En hij berichtte erover, met compassie voor de onderdrukten en verdrongenen. Maar erkenning? Ho maar. “Toen ik uit Roemenië terug kwam schreef Jan Blokker dat het maar goed was dat ik beschoten was, want anders had ik helemaal geen verhaal gehad. Mensen sluiten hun ogen voor wat er gebeurt in hun heilstaat. Er was namelijk niets aan de hand in Roemenië, vond hij.”

Eind 1993 is Pieter Varekamp 50. Met horten en stoten is hij dan al ruim 25 jaar bezig met razend verslaggeven voor de Avro. “Ik wist dat ik het anders moest gaan doen. Ik wist dat ik iets anders moest gaan doen. Maar wat? Ik nam drie maanden vrij om er over na te denken en toen begon het.”

'Het', dat is de periode waarin Pieter Varekamp zich niet zo goed voelde. “Een diep gat”, zegt hij, “een inzinking.” De dokter constateerde gordelroos in zijn hoofd en Varekamp had hevige rugpijnen. Daarbij kwam nog de geestelijke kwelling van tientallen gezichten die hem 's nachts aankeken zoals ze ooit in zijn camera hadden gekeken, hongerend in Afrika, verdrinkend in Ethiopië, gevlucht in Bosnië. In dwaze wanhoop kroop Varekamp achter de tekstverwerker. Hij schreef de ellende van zich af. Hoofdstuk na hoofdstuk gaat het over geweldige interviews met Miep Gies in het Achterhuis, of met Bill Clinton toen die nog maar net gekozen was. Over het smokkelen van filmrollen uit landen waar geen journalist naar binnen mocht, over een taxichauffeur in Roemenië die anoniem vertelde over de verdrukking in zijn land en later, toen hij vrij was, een brief stuurde met de adressering: Holland Television, Amsterdam, Hollanda. Die brief kwam aan bij Varekamp in Hilversum. Het gaat over hongersnood in Afrika, over zijn interview met de gijzelnemers in de Amerikaanse ambassade in Teheran, over de gesprekken met de leden van de verboden Poolse vakbond Solidarnosc.

Sinds afgelopen donderdag ligt het resultaat van dat schrijven, die therapie, in de winkel. 'De Deadline', heet het, 'het onthutsende verhaal van een boodschapper van het wereldnieuws.' Het is niet direct bedoeld als een boek met een boodschap, maar er is wel een verwijt. Dat de 'bazen' nooit in de gaten hadden waar ze Varekamp aan blootstelden, zich altijd maar gedroegen of het de gewoonste zaak van de wereld was dat hij altijd maar weer de wereld rondjojode, binnen drie dagen een massamoordenaar opspoorde, interviewde en filmde, naar huis terugkeerde en dan de zaak nog eens ging monteren. En dat niet één keer, maar steeds weer. Totdat lichaam en geest er genoeg van hadden.

“Ik viel in dat gat, dat ben ik van me af gaan schrijven”, zegt Varekamp ten overvloede. Dat dit geschrijf, deze 'brij' zoals hij het zelf noemt, nooit een boek had mogen worden staat ook al in de inleiding. Van de brij maakte hij tien kopieën. Voor zijn vrouw, zijn dochters, wat vrienden. Toen was het over.

“Ik ben weer gewoon aan het werk gegaan. Ik ging op reis, naar Sarajevo. Weer huilende mensen voor de camera. Toen dacht ik voor het eerst: het is mooi geweest.” Varekamp hield ermee op. Nu maakt hij documentaires over kunst en cultuur, gewoon in Nederland. Hij is er klaar mee.

Varekamp wel, maar anderen niet. Bij de presentatie van het boek hield voorzitter Hans Verploeg van de Nederlandse Vereniging van Journalisten een inleiding met als thema: 'Een journalist is ook maar een mens.' Dat gat van Pieter Varekamp, dat kennen ze bij de journalistenbond wel. Vooral radio- en televisiejournalisten vallen erin. Dat heeft te maken met de grotere druk van deadlines die de televisiemensen hebben. Bovendien kan een schrijvend journalist anoniemer optreden. De televisiejournalist heeft altijd de camera bij zich, waardoor het beeld veel indringender wordt. De honorering bij de omroep voor mensen die zulk werk doen moet fors omhoog, vindt de bond.

Varekamp heeft geluk gehad. Zijn therapie was, achteraf gezien, relatief gemakkelijk. “Ik heb het echt van me af geschreven. Dat merkte ik toen ik vorige week werd gevraagd een laatste documentaire te maken voor Netwerk, waarin ik terugging naar bepaalde plaatsen in Roemenië die ik in mijn boek beschrijf. In 1988 ging ik voor het eerst naar dat land. Ik interviewde daar mensen die vertelden hoe onderdrukkend het regime was, welke terreur er op ze uitgeoefend werd. Een jaar later ging ik terug, toen er inmiddels overal onlusten waren. Onze auto werd doorzeefd met kogels. Nog later bezocht ik daar psychiatrische tehuizen en kindertehuizen. Naar al die plekken ben ik teruggeweest, met de cameraman en de geluidsman die bij me waren toen we aan de dood zijn ontsnapt. We gingen terug naar die brug waar de kogelregen gevallen was. Zij liepen er alletwee met knikkende knieen naartoe. Maar ik voelde niets. Ik was er echt van af, besefte ik toen. Terug op Schiphol, na een halve week, wist ik het zeker: dit is mijn werk niet meer. Dat vond mijn tas ook. Die was spontaan uiteen gevallen.”

Dat nooit iemand zich om hem bekommerde is natuurlijk niet waar. De redactie in Hilversum zat een nacht te waken bij de telefoon toen Varekamp een hartaanval in Israël kreeg. Sommige bazen zeiden dat hij moest stoppen, iets anders moest gaan doen. “Men vond bij de Avro dat ik veel eerder had moeten stoppen. Maar wat dan? Ik zou niet weten wat ik dan moest gaan doen. Ik ben niet geschikt om de gemeenteraadsvergadering van Drachten te verslaan, hoe belangrijk die ook is. Het is mijn vak, vond ik, daarom ging ik steeds maar door. Ook nadat ik in 1990 een hartaanval had gehad, een open hartoperatie had ondergaan en een bypass had gekregen. De dokter zei dat ik alles weer kon, dus ik ging weer. Later hoorde ik dat mensen hadden gedacht dat ik eraan onderdoor zou gaan. Avro-directeur Boudewijn Klap dacht: die gaat dood.”

“Maar het was ook mooi: ik had me in die baan een positie verworven waardoor ik kon zeggen ik wil morgen naar Zuid-Afrika, en dan ging ik naar Zuid-Afrika. Ik voelde me heel bevoorrecht dat ik dat werk mocht doen. Nog steeds trouwens, want ondanks alles vind ik het het mooiste beroep wat er is. En wie moest er anders gaan? Je kunt niet tegen een willekeurige medewerker zeggen: jij gaat nu een kwartier film maken in Ethiopië.”

“Maar het breekt je wel op. In Nederland ziet niemand dat. In het buitenland is er meer zorg, meer aandacht. De werkomstandigheden van die mensen zijn stukken beter. Op weg naar Bangladesh, waar een overstroming 100.000 mensenlevens eiste, kwam ik eens een BBC-reporter tegen. Wij waren onderweg met zijn drieën. Ik, een cameramen en een geluidstechnicus. Die BBC-man stond daar met twee technici, een producent, nog een assistent, noem maar op. Wij moesten veel meer doen dan onze buitenlandse collega's. Een presentator van CNN kan 's morgens uitslapen en daarna zijn tekstje voorlezen. Die hoeft niet alles ook nog te produceren. Wij wel. Ik denk dat het komt doordat de bazen van Hilversum geen flauw idee hebben wat journalisten eigenlijk doen. Ik weet niet eens of ik ze dat kwalijk moet nemen. Zo is de structuur.”

Varekamp schrijft: “Vroeger, toen ik nog klein was, kon je toeristen- of eerste klas vliegen. Een artikel uit de omroep-CAO uit die tijd vermeldt, dat wanneer een werknemer een intercontinentale vlucht moet maken en hij binnen vierentwintig uur na aankomst aan het werk moet, hij gerechtigd is eerste klas te vliegen. Ik vloog nooit eerste klas. Wanneer ik op het CAO-artikel wees, kreeg ik steevast als reactie: 'Dat is te duur, dan ga je maar niet'.” ('De Deadline, pagina 18).

“Het moet steeds goedkoper”, zegt hij. Niet alleen het reizen. Ook bij feestjes en jubilea. Zie bijvoorbeeld 1992, toen Varekamp 25 jaar bij de Avro in dienst was. “Ik als jubilaris mag een receptie of diner geven. Ik kan ook een horloge met inscriptie krijgen. Ik kies voor een diner met een aantal collega's waarmee ik prettig heb samengewerkt in de loop van die vijfentwintig jaar. Ik nodig dertig mensen uit. Dit blijkt boven de begroting. Ik moet de helft van de kosten zelf betalen.” ('De Deadline', pagina 153).

Geen enkele illusie maakt Varekamp zich dat zijn boek iets aan de werkomstandigheden van jongere collega's zal veranderen. “De bazen vergaderen toch gewoon door. Maar ik hoop dat ze een idee krijgen wat het is. Hans Verploeg hoopt dat diezelfde bazen er goed nota van nemen. Want hoewel de opvolger van Televizier, Netwerk, veel minder bericht over ellende in het verre buitenland, denk ik dat dat tij wel weer zal keren.”

De overdreven aandacht van de televisie voor de eigen regio zint Varekamp niet. “Je moet kennis blijven nemen van medemensen die in beroerde omstandigheden leven. Je bent boodschapper, je hoopt dat er met jouw boodschap iets gebeurt. Dat de mensen later niet kunnen zeggen: Wir haben es nicht gewusst. Dat zei Jaap van Meekren toen hij mijn eerste item over Roemenië uitzond.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden