Een normale branche, af en toe

Prostitutie op de Amsterdamse Wallen. Klanten kunnen een boete of celstraf krijgen als ze betaalde seks hebben met een niet-geregistreerde prostituee. (FOTO HERMAN WOUTERS) Beeld Herman Wouters
Prostitutie op de Amsterdamse Wallen. Klanten kunnen een boete of celstraf krijgen als ze betaalde seks hebben met een niet-geregistreerde prostituee. (FOTO HERMAN WOUTERS)Beeld Herman Wouters

Van het optimisme waarmee de politiek tien jaar geleden besloot tot opheffing van het bordeelverbod is niet veel meer over. In plaats van dat de overheid meer controle kreeg over de prostitutie, speelt een groeiend deel zich af in een schemergebied met alle uitwassen van dien.

Minister Ernst Hirsch Ballin zei het een jaar geleden zonder omhaal: „Ik zie weinig andere mogelijkheden om meer zicht en grip te krijgen op prostituees.” De toenmalig minister van justitie begreep de bezwaren tegen de nieuwe prostitutiewet, die vandaag na lang uitstel in de Kamer wordt behandeld. Maar tien jaar na de opheffing van het bordeelverbod is de sector zo’n puinhoop, dat er in zijn ogen weinig alternatieven meer zijn dan nieuwe wetgeving.

Terwijl het tien jaar geleden nog zo optimistisch begon. Met de opheffing van het bordeelverbod hoopte het tweede Paarse kabinet de vrijwillige prostitutie goed te regelen, onvrijwillig sekswerk en prostitutie door minderjarigen tegen te gaan en de positie van prostituees te verbeteren. Na decennia gedoogbeleid en schimmigheid, tierde de criminaliteit in de sector welig. Nieuwe, heldere regels zouden de misstanden kunnen uitbannen.

De eerste evaluaties waren nog positief: in 2007 meldde een gezaghebbend rapport dat de vergunningverlening in de branche ’praktisch overal op orde’ was. Ook waren er slechts ’beperkt’ signalen aangetroffen van onvrijwillige prostitutie.

Dat bleek helaas fout ingeschat. Datzelfde jaar reed de politie in Duitsland de Porsche Cayenne klem van Saban B., een man die sinds eind jaren negentig met anderen tientallen prostituees mishandelde en uitbuitte. Achter de ramen van bordelen die keurig werkten met vergunningen. Een jaar later concludeerde de nationale recherche dan ook iets heel anders: misschien werkte wel vijftig tot negentig procent van de vrouwen in de raamprostitutie onder dwang.

Daarbij bleef het niet. Het aantal officiële seksclubs en raambordelen nam sinds 2000 gestaag af, terwijl het aantal veel moeilijker te controleren escortbureaus, massagesalons en parenclubs explosief toenam. Deels kwam dat door de opkomst van internet en mobiele telefonie, waardoor er op andere manier contact kon ontstaan tussen klant en prostituee. Maar er was ook een bestuurlijke oorzaak: de wet uit 2000 liet gemeenten vrij bij de regulering van dit vluchtige deel van de seksbranche. Vrijwel geen enkele gemeente stelde regels op, en als ze er waren verschilden ze enorm van elkaar. Minder deugdzame ondernemers, mensenhandelaren en pooiers maakten er dankbaar gebruik van.

Zo stelde de grootste seksmarkt van Nederland, de gemeente Amsterdam, pas in februari 2008 een vergunning verplicht voor escortbureaus. Maar daarmee was het nog niet geregeld. Tientallen bureaus kregen een vergunning, maar andere gingen illegaal door of vestigden zich in buurgemeenten waar zo’n vergunning nog steeds niet hoefde – een bekend ’waterbedeffect’.

Bovendien vonden ondernemers en prostituees alweer nieuwe wegen. De vrouwen begonnen zich bijvoorbeeld te positioneren als ’thuiswerkers’, vrouwen die vanuit hun eigen woning seks verkopen. Dit najaar concludeerden onderzoekers van bureau Beke dat de helft van het sekswerk in Amsterdam plaatsvindt zonder vergunning.

Als dat nou allemaal gebeurde door mondige vrouwen die geheel vrijwillig hun werk deden, was er niets aan de hand. Maar na Saban B. en zijn bende bleek er ook substantiële mensenhandel te zijn in Nigeriaanse meisjes, en in vrouwen uit Hongarije, Bulgarije en Roemenië. Honderden Nederlandse vrouwen bleken onder dwang of na misleiding hun lichaam te verkopen. En dat gebeurde in alle delen van de branche: in de raamsector, in gesloten bordelen en clubs, op tippelzones, en in escortbureaus – zonder en met een vergunning en in lage en hoge segmenten. Zo sloot de Nationale Recherche deze maand op verdenking van mensenhandel de sites van Zuzana en Pleasure-escort, bureaus aan de bovenkant van de markt.

De wet uit 2000 had de branche dus weinig onder controle gebracht, en zelfs een ’monstrum gecreëerd’, stelde een hoogleraar criminologie in 2007. Nogal wiedes, vindt cultureel antropologe Marie-Louise Janssen van de Universiteit van Amsterdam. „De legalisering in 2000 was een heel positieve stap, maar de sector heeft nog steeds veel banden met de criminaliteit. Dat is ook logisch voor een branche die eeuwen is gedoogd of illegaal is geweest. De sekswerkers moet je nu zoveel mogelijk van die criminaliteit losweken. Maar wat je ziet is juist terugkeer naar de illegaliteit, naar het strafbaar stellen van een deel van de klanten, of het bestraffen van prostituees die geen pasje willen of kunnen krijgen.”

Janssen doelt daarmee op een van de hoofdpunten in het wetsvoorstel: een pasje voor elke prostituee. Deze Peespas, zoals hij in de volksmond heet, zal een foto bevatten en een registratienummer. (Discussiepunt: moet dat een foto zijn mét werkpruik, of zonder?) Sekswerkers (m/v) mogen vervolgens alleen adverteren onder vermelding van het registratienummer en het daaraan gekoppelde telefoonnummer. Als een prostituee zonder pas aan het werk is, pleegt ze een delict en kan ze honderden euro’s boete krijgen – en een strafblad. De klant kan een boete van 7400 euro krijgen, of een half jaar cel, als hij diensten afneemt van een niet-geregistreerde prostituee.

De Peespas is niet de enige nieuwe maatregel in de wet (zie kader), maar wel de meest omstreden. Want hij maakt een einde aan de anonimiteit van sekswerkers, in een beroep dat nog kampt met een stigma. De regering vindt zo’n register logisch, want sekswerk is nu ’werk’ en, zoals Hirsch Ballin al stelde in 2010, er zijn ’grote problemen die registratie rechtvaardigen’. „Een zoveel mogelijk sluitend systeem is absoluut noodzakelijk.” Aan raadpleging van het register zitten overigens veel voorwaarden. Zo zullen bijvoorbeeld de VS, waar prostitutie verboden is, geen gegevens krijgen.

Critici komen desondanks met een lange lijsten bezwaren. Zo stelt de Vereniging voor Vrouw en Recht dat het hier om verwerking van gegevens over iemands seksuele leven gaat. Dat is verboden volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens – ook van beroepsmatig seksueel leven, denkt de VVR, waarbij ze verwijst naar het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Volgens de vereniging spoor je misstanden beter op door hulpverleners een vertrouwensband met prostituees te laten opbouwen.

Dat er ook voor sommige andere beroepen een registratieplicht bestaat, vindt Marian Wijers van de VVR een onjuiste vergelijking. „In andere beroepen is er niemand die zich iedere drie jaar moet melden bij een gemeenteambtenaar. Daar dient de registratie de kwaliteitsbewaking, en gaat het er niet om degene die het beroep uitoefent strafbaar te kunnen stellen. Laat staan de klant.” Wijers noemt de nieuwe wetgeving dan ook opportunistisch. „Als het zo uitkomt zeggen we: ’Het is een normaal beroep’ – we doen net of het stigma en de geschiedenis van uitsluiting en gebrek aan arbeidsrechten niet bestaan. En in andere gevallen doen we: ’Het is geen normaal beroep’ – dan maken we er allemaal uitzonderingen voor.”

Een groot probleem voor de bereidheid zich te laten registreren is dat het pasje de prostituee geen extra rechten oplevert – buiten de toestemming om seks te mogen verkopen. Het pasje doet niets aan arbeidstijden, ziektekosten, de mogelijkheid een banklening te krijgen of de positie ten opzichte van exploitanten. Daardoor verbetert het niet de sociale positie van de prostituees, waaraan – daar is iedereen het over eens – nogal wat schort.

Een curieus effect daarvan kan zijn dat vrouwen die onder dwang of druk werken, hun papieren als eerste zullen regelen. Want daar zorgen de mensenhandelaren en pooiers wel voor. Terwijl vrouwen die anoniem willen blijven om hun carrière of ander werk later niet te schaden, juist niet in een database willen als ze daar geen voordeel van hebben. Wijers: „Ik denk dat een nog groter deel van de vrouwen die zelfstandig voor dit werk kiest, en onder eigen controle werkt, daarom uit de vergunde sector vertrekt. Je krijgt een omgekeerde wereld: de prostituees die niet kunnen kiezen hebben een pasje en zij die wél vrijwillig de keuze hebben gemaakt worden illegaal en strafbaar.”

Er zijn bovendien praktische bezwaren. Wie gaat al die gesprekken betalen die bij de registratie van de 15.000 tot 25.000 prostituees in Nederland gevoerd moeten worden? En hoe goed getraind zijn die intakers? En geeft zo’n pasje niet de schijn van legaliteit, hoewel er in werkelijkheid van alles mis kan zijn? Want hoe kom je er in een half uur achter of er sprake is van mensenhandel?

De regering stelde daarover in het overleg met de Tweede Kamer dat het ’intakegesprek’ slechts één extra contactmoment is en dat er veel andere blijven, zoals met de GGD, de Belastingdienst, de politie, hulpverleners en de gemeentelijke controleurs van seksbedrijven. Bovendien, stelt de regering, zal de nieuwe wetgeving geëvalueerd worden. Als het systeem niet doeltreffend is, kan de wet worden aangepast.

Wijers denkt dat de conclusie voorspelbaar is. „Het beleid tot nu toe heeft zich gericht op reguleren en controleren, maar heeft niet de positie van de vrouwen verbetert. Nu doet de overheid er nog een schepje bovenop langs dezelfde lijn. Dat is principieel onjuist, en ook niet handig. Want het gaat niet werken. Je moet de vergunde sector juist zo aantrekkelijk mogelijk maken, dat is het beste middel om het illegale circuit zo klein mogelijk te houden.”

Volgens antropologe Janssen is cruciaal dat zowel de wetgeving uit 2000 als de nieuwe wet geen rekening houdt met de rol van pooiers. Doordat in de branche zoveel geld omgaat, trekt de ’bemiddeling’ veel criminelen aan. Maar hun rol hoeft niet groot te blijven, concludeert Janssen op basis van vijftien jaar veldwerk.

„Kijk naar de Latijns-Amerikaanse vrouwen in de jaren tachtig. In het begin was er veel mensenhandel, maar later kwam een autonome migratie op gang, van zelfstandige vrouwen. Datzelfde zie je nu gebeuren met andere bronlanden, zoals Bulgarije. Daarop moet nu worden ingesprongen met de organisatie van bemiddeling, zodat de vrouwen en mannen zo goed mogelijk weten waar ze kunnen werken, wat hun rechten zijn, waar ze terecht kunnen als het misgaat.

„ De overheid moet daar over meepraten om samen met de sekswerkers, de klanten en de exploitanten de grenzen vast te stellen: dit is nog wel bemiddeling, dat is mensenhandel. De vraag is vooral hoe we de vrouwen zo min mogelijk afhankelijk maken van de pooiers en handelaren die nu als tussenpersonen optreden.” Uiteindelijk, stelt Janssen, ontkomt Nederland niet aan een écht debat over de aanvaarding van prostitutie, inclusief dit soort aspecten. „Die hele normatieve discussie moet nog gevoerd worden.”

Voorlopig is dat een toekomstbeeld, want daar zijn regering en Kamer niet aan toe. Zoals toenmalig minister Hirsch Ballin al zei in het overleg met de Kamer: „Het behoort naar mijn mening niet tot de taak en mogelijkheid van de overheid om vraag en aanbod van prostitutie op elkaar af te stemmen.” Tot die tijd wil de regering vooral veel duidelijker krijgen wat legaal werk in de prostitutie is, en wat niet. Want een decennium na de opheffing van het bordeelverbod is de sekssector nog lang geen normale branche.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden